De bijenvolken en de imker.


Een imker van de Veluwe schrijft ons:
Buiten loeien thans vaak gure winden; de boomen staan ontbladerd; bijna geen enkel bloempje vertoont zich meer aan ons oog. Onze bijen, die bij de zachte weersgesteldheid in November nog telkens uitvluchten maakten, ja, soms nog wat stuifmeel en kleefwas van de knoppen der dennen en sparren meebrachten, onze bijen zitten nu terwijl „witte bijen" (sneeuwvlokken) bij duizenden door de kille lucht dwarrelen, rustig en welbeschut in hare woningen, afwachtende zoele lucht en warme zonneschijn.

Ook wij, imkers zelf, hebben nu een vrij wat gemakkelijker leven, dan in den drukken zomertijd. Evenwel 't zou bepaald jammer zijn, als sommige winterdagen met nagenoeg niets doen werden doorgebracht. Hoe uiterst geschikt zijn de lange avonden, om uit couranten, boeken en geschriften nuttige kennis op te doen. En dan, laten we vooral niet verzuimen onze leege bijenkorven of andere bijenwoningen eens na te zien. Wellicht vinden we korven, die beslist onderhanden genomen moeten worden. Doen onze bijtjes gedurende den ganschen zomertijd steeds haar best, wij, imkers, moeten vóór alles zorgen, dat de werkzame diertjes een net, doelmatig verblijf hebben.

En toch . . . . Maar al te vaak zien we in sommige bijenstanden, op de velden en op de bijenmarkten korven staan, die werkelijk een allertreurigste aanblik opleveren. De imker moet zich, dunkt ons, niet over zijne bijenwoningen behoeven te schamen. Hoe bekoorlijk zien net afgewerkte, nieuwe korven er uit Welnu, oude korven (indien ten minste 't mandwerk nog goed is), worden als nieuw, wanneer ze met mooi stroo of met beemdgras overtrokken worden. Wij hebben hier de gewone Veluwsche bijenkorven op 't oog, die 's zomers bij duizenden bevolkt zijn. Ook vele Betuwsche en Drentsche korven verkeeren maar al te vaak in een vervallen toestand.

't Oog wil ook wat hebben, wordt wel eens gezegd. En dit is ook werkelijk zoo. Uit een zindelijken, frisschen korf, of andere nette bijenwoning verwacht men lekkerder en beteren honig, dan uit een verwaarloosden korf, terwijl iemand, die korven met bijen wil koopen, nu ja, wel in de eerste plaats let op den toestand der bijenkolonie en op den voedselvoorraad, maar daarbij toch ook wel degelijk rekening houdt met 't feit, of de korf vervallen en versleten, dan wel net en sterk is. Verder dienen leege boogjes en raampjes zorgvuldig te worden gereinigd; ze kunnen daarna in leege bijenwoningen worden opgeborgen of op een droge plaats worden bewaard.

Wijden we tenslotte nog eventjes onze aandacht aan de bijenkoloniën. Naarmate 't kouder wordt, kruipen de bijen zoo dicht mogelijk aan een tros bij elkander. Ook nu nog hebben ze voor de moederbij de grootste zorg; zij zit, in 't midden van den bijentros, lekkertjes beschut. 't Voedselverbruik, gedurende 't koude jaargetijde, is gering, ofschoon 't in de verschillende winters nog al uiteenloopt, hetgeen van onderscheidene omstandigheden 't bijenvolk betreffende, doch inzonderheid van de alsdan heerschende weersgesteldheid afhankelijk is.

In landen met veelal vochtige winters, zooals b.v. in Engeland, of daar, waar vaak felle koude voorkomt, zooals in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, in Canada en in een groot deel van Rusland, is de overwintering der bijenvolken lang niet zoo zeker als hier te lande 't geval is. Daar dienen nog meerdere voorzorgen bij de inwintering te worden genomen. Vele bijenhouders in die landen brengen hunne koloniën, bij 't naderen van 't barre jaargetijde, naar bizondere gebouwen over, of overwinteren ze in den grond, in groeven. Een dergelijke overwintering heeft men hier te lande ook wel beproefd, doch meest waren de uitkomsten verre van gunstig. Gelukkig komen de bijenvolken in ons land geregeld prachtig door den winter heen, indien de inwintering der koloniën maar in elk opzicht oordeelkundig geschiedt.
________________________

O, zoete honig, zeem en zog der bloemen.
Wie zal der ooit genoeg, te vele u roemen?
Wie, rustig bijtje, wie zal ooit genoeg
Uw werk vereeren? Geen — 't zij late of vroeg.

O, bijenhouders! Vlug gevlerkte schapen
Voor u gaan overal een rijkdom rapen;
Niet uit den diepen schoot der aarde een gouden schat,
Maar zoeten hemeldauw van blomme en blad.
(Guido Gezelle).