Vaste bouw.


De vaste bouw moet wel haar ontstaan te danken hebben aan navolging der natuur.
De bij die in ons klimaat zich in vrijheid niet handhaaft zal wel langzamerhand van uit meer zuidelijke streken naar het noorden verbreid zijn en moest daarbij tegen de winterkoude worden beschermd. Daarom gebruikte men uitgeholde boomstammen. Wanneer deze woningen door strookorven werden vervangen is niet bekend, maar wel moet dat al voor zeer lang 't geval zijn geweest

Uit de geringe eenheid, die er in vorm bij den strookorf bestaat, moet men wel besluiten dat deze zich in de verschillende streken afzonderlijk heeft ontwikkeld.
In Duitschland heeft zich vooral de Lüneburger korf naar voren geplaatst. Dit is een stevig gevlochten korf, met stroo-wanden van 4 à 5 c.M., platten kop en hoog vlieggat. In ons land kennen we de uit teen en leem samengestelden korf, bedekt met stroo en riet, naar boven spits toeloopend, wel bekend als bisschopsmuts, die o.a. voorkomt op de Veluwe. In Gelderland zag ik eveneens spitse modellen van zeer verschillenden inhoud en klein, maar ook wel die herinnert aan den Lünenburger. In Drenthe vindt men zeer goed en sterk gevlochten korven, met soms twee, soms één vlieggat en eenigszins gewelfden kop, tusschen het spitse van den bisschopsmuts en het platte van den Lünenburger in. Gewoonlijk is de wanddikte niet meer dan 3 c.M. Aan te bevelen is het den wand iets dikker te vlechten. De korf wordt daardoor steviger, geeft in den winter een warmer, in den zomer een koeler verblijf tegen de brandende zon. Vaak wordt deze korf geheel of aan de voorzijde rood geverfd. Laat men deze korven niet te oud worden en waren ze van meetaan goed gevlochten, dan maakt een stand met deze korven een goeden indruk.

Jammer maar, dat men veel scheef gezakte, van onder versleten korven vindt. Het scheefzakken is een gevolg van te zwakken bouw, het verslijten beneden voorkomt men, door in de onderste ringen het beste materiaal te gebruiken en daar althans met riet te vlechten.
Het zou voor de bijenteelt in ons land van groot belang zijn, als er meer eenheid in de korven bestond.
Dit zal op den duur nog zwaarder wegen dan thans. Eenheid in de korven is voor den verkoop naar buiten een groot gemak. Denk u een groote zeemerij, waarheen de korven met inhoud moeten worden verzonden, dan zal voor de waardebepaling een korf van gelijke grootte en gelijk gewicht een zeer practisch voordeel opleveren. De afd. Beilen kan daarvoor als voorbeeld strekken. Daar werden jaren lang de korven met inhoud aan 't buitenland verkocht. Nu kon het gewicht gemakkelijk worden gevonden door van 't bruto gewicht het gewicht der korven af te trekken, daar hierin weinig verschil bestond.
Stel u verder voor, dat de Nederlandsche ijmker er zich op gaat toeleggen zijn bijen aan 't buitenland te verkoopen, dan zal een gelijke korf daarbij zeer bevorderlijk zijn.

Ik meen goed te doen er nog eens weer op te wijzen, dat de Nederlandsche ijmkerij er zich op moet toeleggen om voor 't buitenland volken te telen.
Wij hebben gezonde bijen. Onze bijen zijn voor sterke vermenigvuldiging geschikt. Dit zijn goede eigenschappen voor den verkoop aan 't buitenland. Ons land heeft altijd door voor 't buitenland te werken goede zaken gemaakt. De zuivelproducten en die van den tuinbouw getuigen daarvan. Ernstig moet in de richting worden gewerkt om, zoodra daar weer kans voor is bijenvolken te telen voor 't buitenland.

Het Maandschrift was er dan ook steeds op uit zooveel mogelijk het marktwezen te steunen en vooral de van oudsbekende en in haar soort eenige bijenmarkt te Veenendaal. Daar zit nog toekomst.

Vooral nu onze Vereeniging een afdeeling handel bezit, kan er een centraal punt ontstaan, van waaruit bijenvolken voor goed geld aan 't buitenland kunnen geleverd worden. De strookorf wordt meestal in twee soms in drie rijen in den stand opgesteld. De opstelling in drie rijen is alleen te verdedigen als men over weinig plaats beschikt. In den zomer zal men dan de late zwermen boven zetten. Die zullen het minst zwaar blijven, dus 't gemakkelijkst te hanteeren zijn. De honigvolken blijven beneden.

Dit jaar zullen de volken wel niet zwaar door den winter zijn gekomen. Men was het voorgaande jaar veelal genoodzaakt met lichte opzetters den winter in te gaan en voedert men zulke ten slotte nog wat op, dan valt 't nog altijd tegen. Men kan dus niet zeggen, dat de bijenteelt er dit jaar best voor staat. (Dit werd reeds voor 't Maartnummer gezet, is nu hier en daar gewijzigd.) Eigenlijk is de inwintering van 't voorgaande jaar de basis van 't volgende, als de basis slecht is, valt er niet op een goeden bouw te rekenen. Echter, er is zoo weinig van te zeggen, omdat het weer zeer veel goed kan maken, en evenzeer 't ongekeerde kan bewerken.
De ijmkers zullen naar vermogen bijdragen om den toestand nog zoo goed te maken als mogelijk is, door te voeren.
Ook kan men er wel wat geld insteken, daar er alle kans is, dat ook in 1918 de prijzen goed zullen zijn.

Als de volken in 't voorjaar behoorlijk zwaar zijn, kan men twee wegen uitgaan. Men kan er zich op toeleggen om krachtige honigvolken te kweeken, maar ook zich er op toeleggen, dat 't aantal volken zich uitbreidt. Het laatste is ’t gemakkelijkst Uitbreiding van 't aantal volken. Zijn daar voordeelen aan verbonden ?
Ontegenzeggelijk zal men daardoor meer bijen telen, dan wanneer men zich op honigvolken toelegt, waarvoor de vermenigvuldiging der volken moet worden tegengegaan. Veel zwermen geeft veel afzondelijke volken met elk een eierleggende koningin. Evenwel moet men hierbij ook weer niet te ver gaan, want in kleine volken is de broedaanzet zeer begrensd.

Gesteld nu men wil spoedig zwermen hebben, dan zal men door drijfvoedering dit kunnen bevorderen. Speculatief voederen wordt dit veelal genoemd. Nu, 't is ook een speculatie, die als elke speculatie veel voordeel kan geven, maar ook op schade kan uitloopen.
Als men einde Maart de volken oplicht en men merkt, dat er jonge bijen aanwezig zijn dan kan met drijfvoedering worden begonnen, maar eerst mag men zich wel afvragen of men voldoenden voorraad heeft om 't vol te kunnen houden. Want eenmaal hiermede begonnen, kan men niet eindigen, alvorens er in de natuur volop dracht is,

Het beste drijfvoeder is in 't najaar gestampte honig, die dus bestaat uit honig, stuifmeel en was. Dit voeder biedt alles, wat noodig is voor den opbouw van nieuwe bijen. Hiervan geeft men kleine hoeveelheden, die langzaam toenemen, tweemaal per week, door deze onder den korf te plaatsen. De bijen komen daardoor in beweging en er ontstaat meer warmte. Het moet zóó zijn, dat dit voedsel slechts dient voor de voeding van 't jonge broed, terwijl de bijen den voorraad aantasten om ledige cellen te krijgen. In 't algemeen zal met dit voederen moeten worden doorgegaan tot er gedekselde darrencellen zijn, moerdoppen worden aangezet en gebouwd wordt. Het is dan einde Mei, begin Juni geworden en de voorzwerm gaat af. Daarvoor zijn de korven gereed om deze op te nemen.

Boven is de noodige aanwijzing gegeven, zoodat de bijen in de goede richting zullen werken en de korven zijn gespijld. Boven doet men dit door driehoekig bijgesneden spijltjes, scherpe kant naar beneden, die lichting vlieggat-achterwand loopen. Meest gebruikt men drie kopspijlen. Ik heb deze vervangen door zeer kleine spijltjes, die ik in een richting steek, loodrecht op de zoo juist genoemde, laat ik maar zeggen evenwijdig aan 't vlieggat. Deze spijltjes worden van kleine stukjes kunstraat voorzien. De kunstraatstukjes geven het begin aan, ze liggen zoo midden op midden op een afstand van 3,5 à 3,6 c.M. Let men nu verder goed op, dan komen de raten juist loodrecht 't vlieggat te staan en loopen alle zonder kromming.

Telkens als de raat weer aangegroeid is tot een nieuwe spijlenlaag, is er neiging, dat de raten krom trekken. Men kan ze dan nog licht in de juiste richting brengen en moet dit niet verzuimen. Er zijn ijmkers, bij wie men bij uitzondering dwarswerkers aantreft, maar ook bij wie dit regel is. De verkoopwaarde lijdt daaronder. Ook 't uitbreken aan de zeemerij gaat daarbij moeilijker. Werkt men voor een zeemerij, dan moet men niet te veel spijlen nemen, niet meer dan 9, drie lagen van 3. De spijlen moeten rond en glad zijn en een eindje uit den korf uitsteken. Ze zijn dan gemakkelijk te verwijderen. Reisvolken spijlt men sterker.

De eerste zwerm wordt in zulk een korf geborgen. Negen dagen later volgt een tweede zwerm. De vermenigvuldiging is nu van een op drie. Het zal meestal niet voordeelig zijn nu nog verder te vermenigvuldigen. Alle moercellen en darrenwerk wordt weggesneden. De korf wordt den nacht daarop op den kop geplaatst en met een bijendoek afgedekt. Het vlieggat wordt open gesloten. Door den verkeerden stand in de war gebracht, banen de rijpe koninginnen zich een uitweg en de nog onrijpe worden door de bijen vernietigd. In den morgen zet men den korf weer op zijn plaats en wordt onderzocht of 't volk een moer heeft.
Het is steeds goed in enkele kleine korfjes of kistjes met een handvol jonge bijen wat koninginnen voorradig te hebben, om zoo noodig een moerloos volk te redden. Plaatst men onder een volk een koningin in een koninginnekooitje en trekken de bijen zich daar niets van aan dan is een moer aanwezig. Is daarentegen het volk moerloos, dan bekommeren ze zich er wel over en is overigens de toestand rustig, dan geeft men gelegenheid, dat de bijen de aangevoerde koningin kunnen bevrijden.

Bij deze vermenigvuldiging van een op drie is er vooral aan gedacht, dat het dit jaar voordeelig kan zijn zich op wasbouw toe te leggen, omdat de wasprijzen wel hoog zullen blijven.

Het speculatief voederen kan ook aan de natuur worden overgelaten, maar daarvoor is het reizen noodig. Jammer, dat het reizen terug loopt. Een der zorgen van onze vereeniging moet zijn, het reizen gemakkelijker te maken. Ook hierop heeft 't Maandschrift voortdurend gewezen.

Wat is er voor noodig?
Dat de ijmkers zich vereenigen, om gezamenlijk te reizen, maar daarvoor is een organisator noodig. De afd. Handel heeft belang bij goede opbrengsten en zal daarom de natuurlijke organisator moeten worden. In de tweede plaats moet het reizen beter en goedkooper worden gemaakt.
Het vervoer der bijen moet kunnen geschieden met personentreinen of met speciale bijentreinen, die in den nacht loopen tegen een matig tarief. Dit moet niet berekend worden naar de ingenomen ruimte, maar naar 't gewicht. Men ziet, er is nog wel werk in onze vereeniging voor den lossen bouw ijmker.

In dit opstel trad naar voren:
• Het zich toeleggen op de teelt van volken voor den uitvoer naar buiten.
• Het bevorderen van het marktwezen.
• Het verbeteren van het reizen met de bijen.
S.