Uit de praktijk.


Wie wenken wil geven aan den practischen ijmker, stuit steeds op de moeilijkheid dat, wat voor één een goed is voor den ander allicht ondienstig zou zijn. Een ijmker met vroege dracht volgt terecht andere methoden dan een ander, die op late dracht is aangewezen.

Daarom zij het hier dadelijk gezegd: de ondervindingen en methoden, waarvan in dit opstel gesproken zal worden, gelden voor een ijmker, die woont in een heidestreek, niet met zijn volken reist, die het dus met betrekkelijk weinig vroege dracht, vooral van de heide moet hebben; en die overigens losse-bouwijmker is met Simplexkasten.

In ons orgaan las ik meermalen klachten over het weer opnieuw zwermen van vroege voorzwermen — en ook over de moeilijkheid om deze bijen in de opgezette honigkamer aan 't werk te krijgen. Die moeilijkheden zijn, meen ik, beide te ondervangen door de volgende methode:
Als de voorzwerm vroeg afkomt (ongeveer begin Juni) en niet te klein is breng hem dan in een leege honigkamer (alleen reepjes kurstraat). Bij behoorlijk goed weer (anders een beetje voeren) zal dan na een paar weken de ruimte grootendeels met raat gevuld zijn. Plaats er dan onder een broedkamer, geheel voorzien van kunstraat; na een paar dagen zullen er eitjes ook in de broedkamer zijn (bij slecht weer nu vooral doorvoeren wat aanzet tot eierleggen). Drijf dan de koningin naar beneden, van boven een weinig rook geven is daarvoor voldoende en breng dan de rooster tusschen broed- en honigkamer. De bijen zijn dan voorgoed in de honigkamer en bij deze methode had ik nog nooit last van hernieuwden zwermlust.

Als de heidedracht behoorlijk was, werd de honigkamer geheel gevuld met raathonig, voor de helft 1e-klasse, en voor de andere helft bijna — 1e-klasse —; er was één keer broed in geweest. (Natuurlijk kan men ook een paar raampjes met broed uitnemen en er leege voor in de plaats hangen, maar vergeten mag niet, dat men daardoor 't volk gevoelig verzwakt). En in de broedkamer vindt men in Sept. prachtig materiaal voor een opzetter. Dat men niet moet wachten met het leggen van de rooster tot 3 weken na 't afvliegen van den zwerm, zal ieder ijmker begrijpen.

Is de zwerm niet groot, of komt hij pas laat (in Juli), aan bevind ik mij 't best bij de volgende methode:
Breng de zwerm in een leege broedkamer (weer met reepjes kunstraat), zet deze dan op de oude plaats zet de broedkamer met het moedervolk er op, met een scheidingsplank er tusschen; en geef ’t bovenste volk een eigen vlieggat. Nu zal de zwerm zeer krachtig worden, want hij krijgt alle vliegbijen van zijn bovenbuur. Deze zal gedurende eenige dagen gevoerd moeten worden met suikerwater, want gebrek aan vliegbijen beteekent gebrek aan water. Hij zal in de meeste gevallen geen nazwerm geven. Mocht hij de neiging er toe wel vertoonen, handel dan naar de gewone methode (bij 't zingen der jonge koningin de overtollige wiegen uitsnijden). Zoodra de koningin boven eitjes heeft, verwijder dan de oude koningin beneden en vervang de scheidingsplank door ijzergaas.

Na 2 of 3 dagen kan 't ijzergaas worden weggenomen, de bovenste broedkamer onder gezet en met tusschen gelegen koninginnerooster kunnen dan de beide volken vereenigd worden. 't Bovenste vlieggat wordt verwijderd.
Snij 6 dagen na ‘t verwijderen der koningin bij 't (nu bovenste) volk zorgvuldig de wiegen uit. Boven is nu alles nieuwe raat, weer gedeeltelijk van broed en eitjes voorzien. In 't zeer gunstige jaar 1918 kreeg ik door toepassing van deze methode de geheele bovenste broedkamer gevuld met raathonig. Van het vervliegen van de bovenste koningin waarover de heer Hootsen in 't vorige no. schreef, heb ik nooit iets gemerkt. Ik breng daar steeds een niet te klein blauw geverfd vliegplankje aan. En wat betreft de moeilijkheid om de oude koningin te vinden, die is voor een deel te ondervangen door met de geheele broedkamer een eind weg te gaan; op de oude plaats komt dan zoolang een leege broedkamer, waar 't bovenste volk dan weer op geplaatst wordt. Dit houdt dan zijn gewone vlucht, terwijl de vliegbijen beneden zich zoolang wel redden. Van 't meegenomen volk vliegen dan wel zooveel bijen af, dat 't vinden van de oude koningin (heel wat gemakkelijker kenbaar dan een jonge) me nooit erg moeilijk is gevallen.

Een kast, die begin Sept. niet geheel vol en ook onvoldoende verzegeld was, heb ik kunstmatig weten te helpen door een leege honigkamer onder ’t volk te plaatsen en daarin te voeren met een paar kilo honig uit een uitgbroken korf.
De bijtjes haalden den honig uit de stukken bruine raat en hebben het netjes in de bovenste broedkamer gezolderd en verzegeld.

Nu moet ik ten slotte opmerken, dat deze methode prachtig gelukte in een uitstekend honigjaar als 1918. Maar daar valt lang niet altijd op te rekenen. In de vorige jaren bereikte ik zoo'n resultaat niet. In gemiddelde jaren (en daar moet onze methode toch eigenlijk op gericht zijn) is werkelijk de ruimte van 2 broedkamers te groot en de honig in de broedkamer is dan ook gewoonlijk onvoldoende verzegeld. Daarom lijkt het mij voor streken als hier aangewezen (twee honigkamers zijn weer te klein, vooral als die voor broedkamer moet dienen) om een kast is construeeren, waar wel broed- en honigkamer gelijk zijn, maar samen een inhoud hebber van een Simplex-broedkamer + honigkamer. We krijgen dan raampjes die 't gemiddelde hebben van onze tegenwoordige broed- en honigraampjes. Ik nam hiermee nog geen proef, heb dus nog geen ervaring. Als ik er tijd voor vind, hoop ik dit voorjaar een paar zulke kasten te maken. Het komt mij voor dat de grens, die de bijen zelf maken tusschen honig en broed, dan vrijwel samenvalt met den rooster, — wat we juist wenschen.

Frederiksoord.
C. KUNST.