INGEZONDEN.
Van een ijmker uit Z.-W- Drenthe.
Geachte Redakteur!
Met genoegen voldoe ik aan uw verzoek iets mede te deelen over de bijenteelt in den Zuidwesthoek van Drenthe.
Laat ik beginnen met te vertellen, dat het hier een goed bijenland is. Hier is bosch met veel vuilboom en waterwilg, weiland, bouwland (in de laatste jaren veel boekweit) en weide, dus vroege en late dracht, de late is natuurlijk de beste. Verleden jaar vlogen de bijen hier juist 10 dagen op de heide en de honigoogst was bevredigend.
De meeste imkers in deze omgeving zijn als van ouds korfimkers; lossen bouw vindt men hier weinig.
Dat vindt zeker oorzaak daarin, dat een Drenthenaar niet spoedig nieuwe wegen bewandelt, doch ook hierin, dat losse bouw meer arbeid en veel grootere oplettendheid eischt, dan de vaste bouw in ronde korven. In den tijd, dat de bijen toezicht noodig hebben, is 't voor den boer hier zeer druk; eerst vraagt het bouwland al zijn aandacht en later komt de overdrukke hooitijd. Meer dan eens hoorde ik van imkers, dat ze in den hooitijd, vooral bij wisselvallig weer, geen tijd hebben een zwerm overdag te scheppen. Stel u voor, dat het hooi een week in den regen ligt, dan komt er een mooie zonnige dag, de hooiboer komt handen te kort en de bijen gaan dan ook juist zwermen; ze hebben lang naar de zon uitgezien, evenals de boer.
De boer komt met een voer hooi thuis; „er hangt een zwerm", zegt de vrouw; "laat maar hangen tot vanavond", is 't antwoord, 'k moet direct weer hooi halen, en als de avond is gekomen, is de zwerm vaak gevlogen.
Des avonds is er dan nog tijd de korven eens na te zien, dat kan gauw genoeg geschieden, maar stel u voor, dat zoo'n imker een stuk of tien kasten heeft staan. Op een Zondagmiddag kan hij er eens een uurtje aan spandeeren, maar dat is in den zwermtijd niet voldoende, vooral hier niet, waar de bijen zoo graag zwermen, 5 of 6 zwermen van een groot volk is niet zoo'n wonder, dan de brom- of voorzwermen, ze doen voor den moederstok niet onder, ja, een goede nazwerm doet 't hier ook nog wel graag.
U vraagt mij iets te vertellen van mijn ervaringen en hoe ik tot imkeren kwam.
In 1910 was 't een puik honigjaar, zooals ieder imker, die toen bijen had, weet. Mijn overbuurman had 4 korven overwinterd, hij zette er dat najaar 5 op, streek ƒ 50 op voor verkochten honig en behield den mooisten korf voor eigen gebruik.
ƒ 50 was toen veel geld; de prijzen waren, als ik mij niet vergis, zooiets als 15 cts. per pond uitgebroken in het vat. Bij een goed vriend zag ik een kast, een boogkorf en een gewonen ronden korf; dat interesseerde me, ik hoorde veel lof over de bijen en besloot er ook eens mee te beginnen. Ik heb er nooit berouw van gehad en heb alleen maar spijt, dat ik er niet eerder mee begonnen ben.
In den zomer van 1911 kocht ik van een goed imker een besten bromzwerm voor ƒ 4.— en had veel hoop, daarvan nog een paar zwermen te scheppen, hoe meer hoe liever, ik was beginneling nietwaar; maar 1911 was een heel droge zomer met weinig gewin; in September woog mijn korf slechts 18 pond, dien ik opvoerde tot 25 pond; een goeden opzetter alzoo. In den herfst kocht ik nog een nazwerm voor ƒ 4 en in 't voorjaar 1912 een voor ƒ 5.
Bij Kelting kocht ik twee complete simplex-kasten, bouwde een stalletje en verheugde mij in 't vooruitzicht, dien zomer veel raathonig etc. te oogsten. Wat viel me dat tegen, wat een tegenslag had ik. In kast 1 kwam een voorzwerm, in kast 2 een nazwerm; kast 1 zwermde en stelde mij zeer teleur, kast 1 bleef traag en mager en in den herfst maakte ik er één van, dien ik duchtig voerde, met de korven was ik iets gelukkiger.
Ik gaf den moed niet op en heb in den loop der jaren veel wijsheid opgedaan én door te lezen én door de praktijk, maar dit heb ik ook ervaren, dat men in dit vak nooit volleerd is, altijd weer vindt men iets nieuws en elk jaar merkt men iets op, dat men vroeger niet ondervond.
Den meesten last heb ik altijd gehad met het zwermen, of liever met de kwestie, hoe houd ik veel bijen in één kast als er goede dracht is. Wat heb ik al een middelen toegepast. Ik herinner mij gelezen te hebben, dat een koningen niet zwermt in het jaar, dat ze geboren is.
Naar aanleiding daarvan legde ik mij toe op koninginneteelt; ik maakte nu mijn kasten zelf en vervaardigde verscheidene teeltkastjes, meest met drie raampjes van Simplex-model.
Alle oude koninginnen ving ik uit en deed er jonge voor in de plaats, bevruchte en soms ook onbevruchte. Dat lukte meestal goed, er ging wel eens een enkele verloren, maar gewoonlijk werden ze, na 2 X 24 uur in het kooitje gezeten te hebben, aangenomen.
Wie schetst echter mijn verbazing, toen mijn kasten ongeveer alle zwermden of er de neiging toe toonden. Nu weet ik wel, dat 't aan 't weer zal gelegen hebben; men kan geen vasten regel geven en ons soort bijen is zeer zwermlustig. Een volgend jaar volgde ik een andere methode. Ik richtte mijn kasten in, zoo, dat ze twee volken, een boven en een beneden, konden herbergen.
De voorzwerm liet ik afvliegen en plaatste die in de bovenste woning, meestal een honigkamer met eigen vlieggat; die werd dan vlug uitgebouwd; als de koningin floot (beneden) sneed ik alle moerdoppen weg en zoodra ze bevrucht was, doodde ik de oude moer (boven) en vereenigde de beide volken, na ze den nacht door een gaasraam elkaars lucht te hebben laten ruiken, dan kwam er een rooster tusschenbeide; nog een dag of vijf oppassen op doppen in de bovenverdieping, en 't zaakje was in orde.
Zoo kan 't, en vrij zeker komt er geen zwerm meer af, maar soms toch weer wel, 't weer kan mee- en tegenwerken. Eerste-klas raathonig verkrijgt men op die wijze niet en men doodt een koningin, die nog een zeer talrijk kroost had kunnen hebben; dat is ook een schaduwzijde.
Tegenwoordig pas ik verschillende methoden toe, wat mij wel het beste toe lijkt.
Met een of twee kasten pas ik de omhangmethode toe en plaats dan twee broedkamers op elkaar, als 't een goed honigjaar is bevalt mij dat goed, maar bij weinig gewin geeft het niet veel; ook kan ik het zwermen er niet door verhinderen, wel uitstellen.
Bij andere kasten laat ik den voorzwerm er eenvoudig afvliegen, doe die in een ledige kast of korf en zorg, dat er geen nazwerm meer afvliegt; dit bevalt mij goed, maar nog ben ik dan niet zeker, dat 't zwermen uit is. Verleden jaar, in 't laatst van Augustus, kwamen van twee kasten, aldus behandeld, nog van ieder een zwerm. Men is in dezen wel geheel afhankelijk van het weer. Dit wisselvallige verhoogt bij mij steeds de ambitie voor de bijenteelt. Men kan niet of zeer weinig naar bepaalde regels handelen, steeds houde men rekening met allerlei omstandigheden.
In 1918 maakte ik een paar kasten, gelijk de heer C. Kunst (Februari-nummer) het van plan is te doen. Ik heb nu broed- en honigkamer van gelijke grootte, samen den inhoud van broed- en honigkamer der Simplex-kast uitmakende; daarmee had ik een goed resultaat. Ik schepte in Augustus een tweetal goede zwermen, die ik een week lang boven elkaar plaatste, met ieder een apart vlieggat, elk in zoo'n nieuwe broed- of honigkamer. Daarna liet ik de beste koningin leven en vereenigde die volken zoo, dat alle het broed beneden kwam en de honigraten boven, het rooster tusschenbeide.
Ik heb er een partijtjes prima raathonig van geoogst.
Hieronder laat ik volgen mijn rekening van inkomsten en uitgaven en de geleidelijke uitbreiding van mijn stalletje.
1911: uitgaven ƒ 8; inkomsten nihil; opgezet 2 korven.
1912: uitgaven ƒ 79.07; inkomsten ƒ 5; opgezet 1 kast, 5 korven.
1913: uitgaven ƒ 77.52: inkomsten ƒ 57.50; opgezet 3 kasten, 5 korven.
1914: uitgaven ƒ 68.41; inkomsten ƒ 101.41; opgezet 5 kasten, 5 korven.
1915: uitgaven ƒ 41.79; inkomsten ƒ 92.44; opgezet 9 kasten, 4 korven.
1916: uitgaven ƒ 51.06; inkomsten ƒ 184.57; opgezet 14 kasten, 6 korven.
1917: uitgaven ƒ 135.27: inkomsten ƒ 228.34: opgezet 20 kasten, 3 korven.
1918: uitgaven ƒ 213.91; inkomsten ƒ 814.02; opgezet 25 kasten, 5 korven.
U ziet uit bovenstaande rekening, dat ik er mee uit kan, dat mijn stal nu al mooi bezet is.
Hiermee hoop ik aan uw verzoek voldaan te hebben.
Een Amateur-Imker uit Drenthe.