Het reizen met bijenvolken.

Wie dit van te voren nooit deed, zal daarvoor leiding noodig hebben, daarom hier eenige wenken door iemand, die sinds jaren vanuit Drenthe naar de Groninger koolzaadvelden reist.
Allereerst dient er voor gezorgd, dat een standplaats wordt gekozen die niet te kort bij den openbaren weg ligt en beschutting biedt tegen N.W., N,, en N.O. winden. Is zulks niet 't geval, dan is 't noodig beschutting aan te brengen door rietmatten. Laagstam vruchtboomen in de nabijheid verdient aanbeveling. Met den eigenaar der standplaats zal een accoord getroffen moeten worden over kost- en inwoning tijdens het verblijf en natuurlijk over de plaats, die men inneemt. Dit in orde zijnde, begint men met de toebereidselen voor 't reizen. De volken, voor ze op reis gaan, moeten een voldoenden voorraad voedsel hebben, zoodat ze bij aankomst daarvan nog eenige dagen gebruik kunnen maken.

Als een volk reist wordt er gemiddeld 1 kilogram voorraad gebruikt. Het bevalt 't best 5 a 8 dagen vóór 't reizen flinke hoeveelheden suiker te voeren, bij volken die weinig voorraad hebben. Honig noch suiker mogen een paar dagen te voren worden gevoerd. Bij aankomst vervliegen zulke volken soms zoo sterk, dat de korven nagenoeg ontvolkt worden. Oorzaak is, dat kort voor 't reizen gevoerd werd. De volken, waarmede gereisd wordt, moeten broedvast zijn.

Reist men per spoor, dan wordt 3 a 4 dagen, te voren een wagen aangevraagd en dan liefst voor een honderd volken in gemeenschap, omdat voor 50 of 100 volken evenveel wordt betaald. (Verzendt men volken per spoor, dan is 't meest voordeelig bij 't gewicht te bevrachten. Red.). Na genoemde werkzaamheden voorziet men de volken van een niet te dichten bijendoek en bij kasten wordt de stroomat door 't reisraam vervangen. Verder bij het op den wagen laden, moeten de raten van de korven in gelijke richting liggen, als de assen van den wagen. (In den spoorwagen moeten de smalle zijden der raten naar de locomotief zijn gericht. Red.). Verder maakt men gebruik van zoogenaamde bijenplaggen, om 't stooten van den wagen op te vangen, later dienen deze tot dekking der korven.
Bij 't laden in den spoorwagen moet met krammen alles goed worden vastgemaakt, anders heeft men kans, dat bij aankomst, alles door elkaar is getuimeld. Aangekomen, moet een voerman gereed staan, de bijen ter plaatse te brengen. De korven plaatst men op droog stroo, maar beter op planken, om te voorkomen, dat mollen klei in de korven opwroeten. Bij gunstig weer worden de vlieggaten geopend, bij ruw weer wacht men tot 's avonds.

Sommige ijmkers korten bij aankomst de raten in; ik vind dit niet aan te bevelen, omdat men zoodoende bij groote dracht bergplaats voor den honig aan de bijen ontneemt. Wel krijgt men dan nieuwe raat ten koste van honig, en bovendien meestal grof werk.

Wanneer het koolzaad in vollen bloei staat moet ervoor gezorgd worden, dat er voldoende ruimte in de korven is om raat te bouwen, wil men ontijdig zwermen voorkomen. Bij gunstig weer wordt veel honig opgehaald. De broedaanzet komt dan ten achter, want alle cellen worden met honig gevuld. Bij lossen bouw kan de honig worden geslingerd, dat is zeer verkieselijk. (Koolzaadreizigers wordt dus losse bouwijmkers. Red ). Tusschen 4 en 12 Juli wordt gewoonlijk teruggereisd. Het aantal volken is nu meestal verdubbeld. Het is nu 't best eerst de zwermen en de niet afgezwermde volken te vervoeren, wanneer alles niet op een keer kan. Het reizen met bijen over groote afstanden is in Juli gevaarlijk. Vroeger ging dit per spoor zeer goed, maar nu er zoo weinig treinen loopen, is men te lang onderweg, door te slechte aansluiting. (Het is noodig dat er bijentreinen loopen, daarvoor is organisatie noodig en een organisator en wel om drie redenen: 1e. om 't voordeel der ijmkers; 2e. opdat al de honig, die 't koolzaad levert, wordt gewonnen; 3e. voor een volkomener bevruchting van 't koolzaad, en daardoor meer zaadopbrengst. Red.).
W.