Het zwermen als levensverrichting.

Over het zwermen zelve zal ik hier niet behoeven te spreken. Wij allen kennen het in zijn uiting. Als de bijen op korf of kast een baard vormen, dan weten we dat het aanstaande is. Het heele voorjaar heeft zich de bevolking uitgebreid. Thans is de woning overvol. Lui, blijven ze om 't vlieggat het moment afwachten. Dan is in enkele oogenblikken het feit begonnen. De voorhangende bijen loopen nog even naar binnen om den honigmaag te vullen. Nu verheffen ze zich in de lucht, beschrijven groote kringen. Een wolk van bijen. Ze trekken lijnen door de lucht, want ze vliegen met een gang, dat een bij een streep gelijkt. De kring wordt nauwer, de wolk kleiner, maar dichter: ze zetten zich neer en vormen een kluwen, eindelijk is de kluwen opgewonden en is er een tros ontstaan, met een punt naar beneden gericht. Is de zwermakte buiten den ijmker omgegaan, dan merkt hij bij zijn komst weinig van wat er zooeven is afgespeeld.

Voor 't vlieggat is alles weer rustig. De baard is er niet meer maar die verdween ook wel door andere omstandigheden. IJmkers oog waart echter toch rond, of hij tusschen de heesters of in de boomen, die zijn stand omringen niet iets waarneemt en zijn oog gewend om zelfs in de verte een bij te zien vliegen, merkt er enkele, die daar niets te maken hebben. Hij komt nader en vindt den zwerm, dien hij spoedig inrekent. Mocht de zwerm ongemerkt blijven, dan zal deze zich na enkele uren oplossen, opnieuw de lucht intrekken, want de speurbijen vonden een geschikte plaats waarheen de zwerm zich nu pijlsnel verplaatst, hoog in de lucht met niet te volgen snelheid vliegt hij doelbewust in rechte lijn.

Dit alles kennen we alleen uit ervaring, maar wat is nu de eigenlijke beteekenis van 't zwermen?
Een volk bestaat uit een gezelschap van 30 tot 40 duizend individuen, soms zelfs wel het dubbele daarvan. Eén dezer individuen is een volkomen ontwikkeld wijfje, de koningin of moederbij, kortweg moer genoemd. Ze onderscheidt zich van de andere uitwendig door haar lengte, die ongeveer 20 millimeter bedraagt. De vleugelspitsen rijken tot ongeveer halverwege het achterlijf, dat slank gebouwd is, kegelvormig, aan den basis iets verbreed; door de sterk ontwikkelde eierstokken. Haar levensduur is ongeveer 3 jaar, ofschoon ze ook wel ouder kan worden. De rest zijn onvolkomen ontwikkelde vrouwelijke wezens. Haar lengte bedraagt pl.m. 15 milimeter; 't achterlijf is veel minder slank, de vleugels komen tot bijna het uiteinde van 't achterlijf. Het zijn de werkbijen. De levensduur is slechts 6 a 8 weken, alleen zij, die op 't eind van den zomer worden geboren, worden evenveel maanden oud als de eerste weken.
In Mei komen in den bijenstand ook nog eenige darren voor later eenige honderden 't zijn veel zwaarder gebouwde wezens. Ze hebben de lengte eener koningin. Het achterlijf is plomp. De groote oogen zijn opvallend. De vleugels reiken tot over het stomp eindigende achterlijf. Het zijn de mannelijke wezens, die in Augustus gewoonlijk weer verdwijnen.
Vanaf September tot Mei is de bijenkolonie een volkomen feministische gemeenschap, een vrouwenstaat.

Is de lichaamsbouw verschillend grooter is nog 't verschil in arbeid.
Koningin en darren verrichten in den eigenlijken zin van 't woord geen arbeid noch in, noch buiten de woning. Zelfs kunnen ze zich zelf op den duur niet voeden, al ziet men ze wel eens wat honig opnemen. Het noodzakelijke eiwit ontvangen ze als een soort melk uit bepaalde klieren, dat hun door de werkbijen wordt aangeboden. Daar staat tegenover, dat ze zorgen voor de voortplanting, voor de instandhouding der soort.

Vooral in Mei en Juni legt de koningin per dag meer dan duizend eitjes. Beweerd wordt, dat dit aantal soms wel tot over de drieduidend stijgt. Wanneer we nu weten, dat 1500 dezer eitjes, die een lengte hebben van 1,5 milimeter, een gewicht vertegenwoordigen van 0,23 gram, wat het gemiddeld gewicht eener koningin is, dan blijkt daaruit wel, welk een geweldige prestatie er in den zomer van de koningin uitgaat. Deze eitjes worden voor verreweg het grootste deel bevrucht, en nu is 't verder een kwestie van voeding of zoo'n eitje tot een koningin of een werkbij wordt. De niet-bevruchte eitjes leveren de darren. De dar ontstaat dus uit een onbevrucht ei, dit verschijnsel, dat bij meerdere dieren in de natuur voorkomt, wordt wetenschappelijk met parthenogenese aangeduid. Van de dar is gezegd, dat hij geen vader heeft en geen zoon kan voortbrengen.

De bevruchting der koningin door één dar geschiedt, zooals algemeen aangenomen wordt, buiten de woning. Van uit de verte kon ik dit eens gadeslaan. Ik was buiten in den tuin met iets bezig, toen opeens een geluid werd gehoord als van een zwerm, die er vandoor ging. Ik zag een kleine groep bijen, die in wilde vlucht op geringe hoogte over mij heentrok en plotseling een diepe zwenking naar beneden maakte.

Dat ook bij deze bevruchting iets buitengewoons gebeurt, zooals in de natuur zooveel is aan te wijzen, blijkt hieruit dat tijdens de bevruchting door den dar omstreeks 200 miljoen zaaddraden, in een streng samengevlochten worden afgegeven, die in de 1.5 millimeter lange zaadblaas worden opgeborgen. Dit groote aantal zaaddraden maakt, dat de koningin slechts eenmaal in haar leven behoeft te worden bevrucht om steeds in staat te wezen bevruchte eitjes af te geven. Toch kan daaraan een eind komen, want het komt voor, dat een koningin door ouderdom darrenbroedig wordt en dus slechts onbevruchte eitjes voortbrengt.

De werkbijen kunnen onder bepaalde omstandigheden ook eitjes afgeven, maar daaruit worden slechts darren, die voor de instandhouding waardeloos zijn. Daarentegen verrichten zij allen arbeid, scheiden was af, bouwen daarmede de cellen als wieg voor de werkbijen en opslagplaats voor honig en stuifmeel, de grootere darrencellen en de zijwaarts afhangende koninginnecellen of moerdoppen. Zij verplegen het broed, dat na drie dagen uit 't ei sluipt om vervolgens gedurende 5 a 6 dagen te worden gevoerd waarna ze de cellen van een wasdeksel voorzien en onderhouden in het broednest een temperatuur van 32 a 34 graden C.
De ontwikkelingstijden van koningin, werkbij en dar worden in 't volgende staatje aangegeven:
Ontwikkelingstijd in dagen voor
. . . . . . . Koningin - Werkbij - Dar

Ei . . . . . . . . 3 . . . . . 3 . . . . . 3
Larve . . . . . 5½-6 . . 5½-6 . . 5½-6
Pop . . . . . . 6-8 . . . . 12 . . . . 15-17
Totaal . . . . 15-17 . . . 21 . . . . 24—26

De werkbij zorgt verder voor luchtverversching, door voor 't vlieggat in heftige vleugelbeweging een luchtstroom op te wekken, die versche lucht in de woning drijft, waardoor de bedorven lucht wordt uitgedreven met het overtollige vocht van den rijpenden honig. Zij verzamelen het noodzakelijke voedsel: den bloemennectar, stuifmeel en water, bevorderen daarbij de kruisbevruchting, die van zoo hooge waarde voor de vruchtvoortbrenging der gewassen is het verzamelde en door de speekselklieren tot pollen geworden eiwitvoedsel wordt in de cellen gestampt. Den nectar in honig omgezet en eveneens in cellen opgelegd om na te rijpen en zoodra deze processen zijn afgeloopen, wordt alles van de lucht door een wasdeksel afgesloten om welbewaard als reservevoorraad er den winter mede in te gaan of dienst te doen voor de hernieuwde ontwikkeling in 't volgende voorjaar.

Uit een en ander blijkt, dat de waarde van een volk in de werkbij zit. Hoe arbeidzamer deze zijn, des te grooter de voortbrenging. Zij kunnen echter haar goede eigenschappen niet doen vererven. Dit is enkel en alleen overgelaten aan koningin en dar. Zelf tot geen arbeid in staat, sluimert in hen de werklust der toekomst. Bij de bevruchting gaf de bevruchtende dar zijn in hem sluimerende eigenschappen van verzorging verzamelen, strijdlust en zooveel meer af, die zich mengden met soortgelijke eigenschappen in de bevruchte koningin aanwezig, en dit mengsel van eigenschappen zal straks de waarde van het bijenvolk bepalen, dat als gevolg der bevruchting uit de koningin voortkomt; de voedselopname daarvoor noodig, speelt bij die eigenschappen een ondergeschikte rol. Het komt alles op de eigenschappen aan die in koningin en bevruchtende dar wonen.

De jonge koningin wordt bevrucht binnen de eerste 14 dagen na haar uitsluipen uit de cel nadat ze vooraf korte uitvluchten maakte om zich te oriënteeren d.w.z. haar woning te kunnen herkennen. Indien ze binnen dien tijd niet bevrucht wordt, legt ze enkel onbevruchte eieren, ze is darrenbroedig. Elke cel dient dan als darrencel en daar deze voor de darren te klein zijn, wordt er een stuk opgebouwd en zoo ontstaat het bultig broed.

Uit het voorafgaande volgt de noodzakelijkheid van 't zwermen, maar 't zwermen heeft als gevolg een vermindering in honigopbrengst. Met elken zwerm verdwijnt voor 't volk een stuk arbeidskracht. Bij de tegenwoordige werkwijze moet daarom het zwermen worden onderdrukt, te meer omdat de nazwerm met jonge koningin uittrekt, die bevrucht kan worden door een dar, welke bezitter is van minder goede eigenschappen, waardoor een volk ontstaat, dat veel minder presteert.
Het zwermen levert ons nieuwe koninginnen. Dit moet dus door iets anders worden vervangen en dat kan niet anders zijn, dan door de kunstmatige teelt van koninginnen.
S.