Teelt van nieuwe koninginnen.

Wil een volk van zich zelf nieuwe koninginnen voortbrengen, dan bouwt het koninginnecellen of hulpcellen. In de eerste worden, wat we zouden kunnen noemen, zwermkoninginnen opgekweekt, d.w.z. de koningin legt een ei in een dop, de moerdop, die later tot moercel of koninginnecel wordt uitgebouwd. Uit dit ei ontstaat een made, die van meetaan de opvoeding krijgt, welke een koningin tot resultaat geeft. Deze moercellen vinden we aan den rand der raten, ze verschijnen vanaf half Mei, in de periode van 't natuurzwermen.
Hulpcellen worden gevormd uit nooddwang, wanneer een koningin verloren gaat of ongeschikt geworden is voor de instandhouding van 't volk te zorgen. Hulpcellen worden op de raten aangetroffen. Ze ontstaan uit werkbij cellen, die in moercellen worden omgewerkt rondom een eitje of made, oorspronkelijk bestemd om werkbij te worden, maar nu uit nooddwang aangewezen om koningin te worden.

We zouden koninginnen in wording daarom kunnen onderscheiden in zwermkoninginnen en noodkoninginnen. Dat zulks mogelijk is vloeit uit 't feit voort, dat koninginne-eitjes en werkbijeitjes gelijkwaardig zijn zelfs gaat dit door tot larven, die niet ouder zijn dan drie dagen. Ieder eitje en elke larve uit een werkbijcel kan dus wanneer te rechtertijd de verpleging is als die voor koningin, tot koningin worden.
Aangenomen wordt, dat larven van drie dagen nog wel tot koningin kunnen worden opgevoed, maar dat men beste koninginnen slechts kan bekomen, als de larve niet ouder is dan 6 à 12 uren die een lengte bezitten van 1 tot 1.5 m.M. Noodkoninginnen hieruit voortgekomen, zijn evengoed als zwermkoninginnen. Komen ze uit oudere larven voort, dan gaan ze in waarde als koningin achteruit.
Daar een volk, dat zwermen wil, bijna steeds een groot aantal koninginnecellen of zwermcellen bouwt, kunnen we daarvan een gemakkelijk gebruik maken om reserve-koninginnen te kweeken. Zulke reserve-koninginnen moeten afkomstig zijn van volken met uitstekende eigenschappen en daar een der gewenschte eigenschappen vaak geringe zwermlust zal zijn, stuiten we hier op een bezwaar om langs dezen weg tot het gewenschte resultaat te komen.

Waar echter de ijmkerij in ons land nog lang niet staat op 't hier veronderstelde hooge peil zal het verkrijgen van reserve-koninginnen uit volken, die natuurlijk willen zwermen, nog lang de methode kunnen zijn om tot reservekoninginnen toekomen.
Wil men tot een goed resultaat komen, dan is ook deze methode nog werkzamer en moeilijker dan de meeste ijmkers geneigd zijn aan de bijenteelt te geven. Daarmede willen we echter hier geen rekening houden en zullen alleen een beschrijving trachten te geven van de wijze van werken, die er toe voeren kan om uit één volk vele koninginnen voort te brengen.

We stuiten hier op de moeilijkheid, dit zonder teekening te moeten doen, daar cliché's voor onze vereeniging te kostbaar zijn; ik ben benieuwd of ik er in zal slagen een zoodanige beschrijving te geven, dat de bedoeling begrepen wordt.

Als reeds gemeld, gaan we uit van een uitstekend volk. Zoo noodig wordt zoo'n volk door 't dagelijks toedienen van vloeibaar voedsel, liefst stuifmeelrijken honig, gedwongen om zich op zwermen toe te leggen. Is de voorzwerm afgevlogen, dan wacht men nog een dag of vijf, zes, om dan alles zorgvuldig na te zien. In ieder geval moet het gebeuren vóór de nazwerm komt. De gedekselde zwermcellen worden alle uitgesneden en daarna in een kooitje geplaatst om ze vervolgens aan 't volk terug te geven. Dit zal tengevolge hebben, dat alle jonge koninginnen kunnen uitloopen, zonder dat er een tweede, zwerm afgaat en zonder dat er kans bestaat, dat de eerst uitgeloopen koningin de andere, nog in dop, gaat vernietigen. De cellen, die bij 't eerste nazien nog niet gedekseld zijn, worden bij een tweede gelegenheid in de bedoelde kooitjes opgesloten.

Hoe ziet er nu zoo'n kooitje uit?
Zoo'n kooitje kan vervaardigd worden uit een stukje linden- of populieren hout, balkvormig, ongeveer 2 c.M. dik. 4 centimeter breed en 4.5 centimeter hoog. Hierin wordt een opening geboord met een middellijn van 3 centimeter. De eene kant wordt met fijn kopergaas gesloten, de andere met doorzichtig celluloid of andere soortgelijke stof, bijvoorbeeld mica. De onderkant heeft een opening met een middellijn van één en de bovenkant een opening met een middellijn van 1.5 centimeter. De onderste opening wordt door een blikken schuifje gesloten. In de bovenste opening past een kegelvormige houten prop, die 2 centimeter hoog is (de prop is dus kurkvormig, boven met een grooter middellijn dan beneden). De dunste (onder) kant van de prop is uitgehold. De prop mag slechts weinig tot in het kooitje doordringen, opdat de koninginnecel die eraan bevestigd wordt, voldoende ruimte overhoudt. De uitholling van den prop wordt met vloeibaar was gevuld en dit was moet dienen om de koninginnecel vast te kleven. Zoodra dit gebeurd is, wordt de cel in 't kooitje geplaatst, natuurlijk zorgt men ervoor, dat de cel in haar natuurlijken stand wordt gehouden.

Begrijpelijk is er voor dit werk nog al wat tijd noodig en bij eenigszins koud weer zou de koninginnelarven de cel veel te veel afkoelen. Dit voorkomt men door de afgesneden cellen in vooraf verwarmd zaagmeel te doen en den noodigen arbeid binnen te verrichten. Nog zal 't noodig zijn in 't kooitje wat voeder mee te geven, opdat de uitgeloopen koningin, direct iets vindt om zich te voeden, wanneer de bijen haar dit niet mochten aanbieden. Dit voeder moet niet vloeibaar zijn en die koningin moet er zich niet mee kunnen bemorsen, of beter het voer moet niet aan 't lichaam der koningin kunnen kleven. Hoe zal men deze twee fouten vermijden, en 't toch zoo maken, dat de koningin 't noodige kan vinden?

Het voedsel zelve moet suikerdeeg zijn. Dit maakt men van fijn gestampte suiker, meelsuiker, met een weinig honig, die flink dooreen gewerkt, gekneed, worden, zoo mogelijk wordt er wat voederbrei uit koninginnecellen door gemengd. Van was wordt vervolgens een bekertje gemaakt, dat voor de helft met dit voederdeeg wordt gevuld. Het bekertje plaatst men in de onderste opening van 't kooitje, dat beneden door het blikschuifje gesloten is zoodat 't er niet uit rollen kan. Boven wordt 't was van 't bekertje wat naar binnen gedrukt, waardoor de koningin bij 't gaan over 't voer er niet mee besmeurd wordt.
Zoo'n bekertje kan men maken met behulp van een stokje in den vorm van een penhouder, beneden wat afgerond. Men heeft wat vloeibaar was staan. Het stokje steekt men eerst in water, dan in 't vloeibare was, dat om 't stokje stolt. Het indompelen in was wordt eenige keeren herhaald. Daarna drukt men, alvorens het stolt, het was op een vochtig plaatje, daardoor wordt het grondvlak van 't bekertje vlak waardoor men het neer kan zetten zonder om te vallen, vervolgens zal men het nu gestolde was van het stokje aftrekken, na eerst met een mesje zooveel weggesneden te hebben, dat de verlangde hoogte er is. Is het voederbekertje voor de helft ongeveer met het deeg gevuld, dan wordt, als reeds gezegd; de rand wat naar binnen gedrukt om een kleiner opening te maken, met de bedoeling, dat de koningin bij 't zich bewegen over het bekertje, niet met voer wordt besmeurd, waarop ook al weinig kans is, daar 't bekertje in de opening op 't schuifblikje is geplaatst. Deze en soortgelijke kooitjes kan men in den handel bekomen.

Na moet nog worden opgehelderd, hoe deze kooitjes in 't volk worden overgebracht.
Daarvoor kan men een apart raampje nemen zonder bouw. In 't raampje brengt men over de lengte twee lijsten aan, die gemakshalve draaibaar zon. De kooitjes moeten hierop geplaatst kunnen worden en voldoende vastzitten.
Op één raampje zijn zóó wel 20 kooitjes aan te brengen. De twintig koninginnen kunnen hierin uitloopen en eenige dagen opgesloten worden gehouden, zonder gevaar dat ze zullen omkomen. Wat men er verder mee doet, behandelen we later.
(Wordt vervolgd.)