Teelt van noodkoninginnen.
Waar de zwermen uitblijven en ook om andere redenen, moet men wel gebruik maken van de eigenschap der bijen om hulpcellen te bouwen. We zullen zoo vrij zijn den naam van NOODCELLEN in te voeren.
Heeft men weinig koninginnen noodig, dan kan men op de volgende manier hierbij te werk gaan.
Eind April, begin Mei hangt men tusschen twee raampjes met gedekseld broed een raampje met kunstraat of uitgebouwde raat. Eenentwintig dagen daarna, als het raampje opnieuw voorzien is van eitjes, neemt men het uit 't volk en plaatst het met de aanhangende bijen in een koninginne-bevruchtingskastje en veegt er zoo noodig nog wat bijen mede in. Het vlieggat wordt gesloten en het volkje een paar dagen in een kelder geplaatst. Daarna gaat 't weer naar buiten en wordt vrij opgesteld. Het vlieggat wordt geopend en de bijen vliegen uit. Spoedig zullen ze moerdoppen (noodcellen) aanzetten, waarmede men, als reeds is besproken, kan handelen.
Zal er resultaat worden verkregen, dan moet het volk waaruit koninginnen worden geteeld en dat we daarom TEELTVOLK willen noemen, aan bepaalde eischen voldoen. Het volk moet uitmunten door 't verzamelen van nectar en dus meer dan de andere volken een opbrengst geven. Vooral ook moet op zwermlust worden gelet. Die moet gering zijn en 't moet geneigd wezen om gaarne te bouwen en te verkitten. Het broednest behoort aaneengesloten te zijn, hierom een krans van cellen met stuifmeel en daarom weer de honig-gordel. Verder moet men zeer acht geven of 't volk al of niet darrencellen tusschen de werkbijcellen wil bouwen, het laatste moet 't geval zijn. Als 't broedraampje gedekseld is, moet 't zoo weinig mogelijk nog geopende cellen vertoonen.
Op het uitzien der koningin zelve behoort ook te worden gelet. Liefst moet ze raszuiver zijn en daarom een slank, over de geheele lengte zwart gekleurd achterlijf hebben. Een dik achterlijf wijst op zwermlust. Helder gele ringen om 't achterlijf geeft vreemd bloed aan. Het achterlijf der darren moet zwart zijn met sterke grijze haarbosjes aan 't uiteinde, maar overigens geen lichtgekleurde teekeningen. Het achterlijf der werkbijen moet eveneens donker van kleur zijn en hoogstens omringd door drie geelbruin gekleurde, smalle banden. Natuurlijk zijn meerdere dezer kenmerken eerst bij volken met oude koninginnen op te merken. Reden, waarom de teeltvolken uit die volken worden gekozen, waarvan de koningin minstens twee jaar is.
De koninginnen moeten als eitje dus afkomstig zijn uit 't teeltvolk. Dit eitje wordt tot koningin opgevoed, verpleegd, in een VERPLEEGVOLK. Men meent aan zoo'n volk geen bijzondere eischen te moeten stellen. De eigenschappen der aanstaande koningin zijn in 't eitje aanwezig, de verdere verpleging zou daarop van geen invloed zijn.
Het verpleegvolk moet in den toestand zijn en blijven van een volk, dat zwermdrift bezit. Voor 't gelukken der koninginneteelt is 't daarom noodzakelijk het verpleegvolk door voedering met pollen- of stuifmeelrijken honig in dien toestand te brengen en erin te houden. Een volk dat gaarne broed maakt is in dezen noodzakelijken toestand en daarvan kan dus als verpleegvolk gebruik worden gemaakt. Reeds in den herfst kan er een volk voor uitgekozen worden, namelijk een met rijken honig- en stuifmeelvoorraad en ouderen koningin. Van zoo'n volk wordt de zwermdrift door drijfvoederen opgewekt. Begin Mei moet 't reeds vol volk zijn, want de beste tijd voor de voortplanting en 't zwermen valt van half Mei tot half Juni.
Wanneer de voorbereidende maatregelen goed genomen zijn, baart de eigenlijke teelt weinig moeilijkheden. Hoofdzaak bij alle handelingen is, dat rekening wordt gehouden met het hoog ontwikkelde reukvermogen der bijen. Geur, die handen of teeltgereedschap aankleeft, kan het werk doen mislukken. De handen moeten vooraf goed worden gewasschen. Slechts spaarzaam moet van rook gebruik gemaakt worden. Aanbeveling verdient het den rook door 't besprenkelen met water te vervangen. Het gereedschap, waarvan bij de teelt gebruik wordt gemaakt, moet goed gezuiverd zijn en een tijdlang in aanraking zijn geweest met den nestreuk. Ook moet alles van te voren goed overdacht en berekend zijn, zoodat na 't volvoeren van den arbeid niet opnieuw het volk behoeft te worden nagezien en verontrust. De betekeningen zijn gegrond op 't lijstje, waarin de ontwikkelingsstadiën van ei tot bij zijn aangegeven.
Het verpleegvolk ontneemt men begin Mei de koningin.
De bijen zullen nu spoedig noodcellen aanleggen. Gesteld, dat op den dag, dat 't volk moerloos gemaakt wordt, nog eitjes zijn gelegd, dan wacht men tot den zevenden a achtsten dag om 't volk na te zien. Dit nazien moet met pijnlijke nauwgezetheid gebeuren. De raampjes zullen dus één voor één van bijen afgeschud worden om daarna alle aanwezige noodcellen te verwijlderen. Het moet 't volk onmogelijk worden gemaakt van eigen broed koninginnen te telen! De voederbrei uit de nog open cellen wordt zorgvuldig verzameld, na vooraf de erop zwemmende larve verwijdert te hebben.
Nu ontneemt men aan het teeltvolk een stuk raat met versch gelegde eieren. Dit stuk raat moet in een broedraat van het verpleegvolk worden overgebracht. Daar 't verpleegvolk nu nog slechts één weg openstaat om weer in 't bezit eener koningin te komen, maken ze rondom eitjes van 't ingevoegde stuk raat noodcellen. Acht dagen daarna zullen de larven haar volkomen ontwikkeling hebben bereikt en gedekseld worden, nog weer een dag of vijf later worden de gedekselde cellen met een verwarmd mesje verwijderd en behandeld, zooals zulks is vermeld met gebruikmaking van een kooitje en raampje voor de verdere verpleging van 't volk 16 dagen na 't inplaatsen van de raat uit 't teeltvolk in het verpleegvolk, heeft men dus jonge koninginnen in de kooitjes te midden van het verpleegvolk.
Men kan bij 't inplaatsen der raat uit 't teeltvolk nog als volgt te werk gaan. Het stuk raat dat met een scherp mes uitgesneden wordt, neemt men ongeveer drie centimeter breed en verwijdert om de andere cel het aanwezige eitje. Daarmede voorkomt men, dat de noodcellen al te dicht op elkander worden gebouwd, zoodat het later moeilijk gaat de moerdoppen afzonderlijk te krijgen, zonder beschadiging te veroorzaken en in staat te wezen ze met weinig moeite aan de proppen der kooitjes te bevestigen. Toch heeft de practische toepassing dezer methode nog zooveel bezwaren opgeleverd, dat men met voordeel er toe overgaat tot het maken van kunstmatige moercellen om daarin vervolgens voederbrei aan te brengen en een larve.
Natuurlijk is voor dit alles een vaste hand noodig, snelheid van werken, een geschikt vertrek.
Ieder, die wil zal dit werk echter kunnen verrichten, vastheid van hand vooropgesteld en in 't bezit der noodige werktuigjes, die men zelf desnoods kan vervaardigen en ook in den handel bekomen kan. We kunnen hierbij een voorstelling geven van die werktuigjes en gedeeltelijk ook van de handelingen zelve door middel van een cliché, dat in jaargang 1913 voorkomt. Wel zijn sedert al weer verbeteringen aangebracht, die we zullen trachten met behulp der teekeningen voldoende duidelijk te beschrijven.
De eerste handeling, waarin men zich te oefenen heeft, wil men op deze schaal koninginneteelt toepassen, is 't maken van kunstmatige moercellen. Daarvoor maakt men gebruik van een vormstaafje, zooals figuur 3 aangeeft. Dit staafje kan 15 centimeter lang zijn en in 't dunne gedeelte een middellijn; hebben van 1 centimeter, terwijl 't uiteinde afgerond is, zooals de teekening dat wel aangeeft. Het vormstaafje behoeft niet plotseling van dun in dik over te gaan, als er maar een deel van genoegzame lengte aan voorkomt, waarvan de middellijn 1 centimeter is. Inplaats van hout kan het vormstaafje ook van glas worden genomen. Men dompelt nu het staafje in water, droogt het zachtje met een vochtigen doek af en dompelt het eventjes in vloeibaar was, vervolgens dompelt men het opnieuw eventjes in was, doet zulks drie à vier keer; telkens wat minder diep. Dan dompelt men het met was bekleede vormstaafje in koud water. De wasbekleeding geeft men een ringsnede op bepaalde hoogte en nu laat de kunstcel zich gemakkelijk van 't staafje nemen. We hebben nu een kunstcel, beter is 't te spreken van een KUNSTDOP. Deze dop heeft een inwendige opening, waarvan de doorsnede 1 centimeter is. De wand heeft een dikte van ongeveer 1 millimeter. De hoogte van den dop is ongeveer 0.8 centimeter. Men moet ervoor zorgen, dat al de doppen dezelfde hoogte hebben en de snijvlakte moet zuiver zijn. Deze doppen worden nu aan den hollen kant der houten proppen bevestigd, die we vroeger bij de kooitjes noemden. Figuur 1 geeft aan, wat daarvoor ook wel wordt gebruikt. Deze houten doppen, worden later op een lijst, als figuur 6 aangeeft, bevestigd en te midden van het verpleegvolk geplaatst om ze later, nadat ze gedekseld zijn. in de kooitjes te plaatsen. Het is duidelijk, dat de proppen; waarvan hier meermalen werd gesproken, kunnen worden vervangen door de doppen, zooals die in figuur 1 zijn voorgesteld.
Het bevestigen der kunstdoppen aan de proppen geschiedt met behulp van een druppeltje vloeibaar, niet te warm was. Men kan dit zeer goed doen door middel van een pipet of glazen buisje, dat men in de vloeibare was steekt om daarna vervolgens één druppeltje in de uitholling van de prop te brengen, waarna de kunstdop erin wordt geplaatst, deze zit nu spoedig voldoende vast.

De proppen met kunstdoppen worden nu over een TEELTLATJE verdeeld, zooals figuur 5 dit aangeeft om 't vervolgens op 't TEELTRAAMPJE, als in figuur 6, over te brengen. Om dit gemakkelijker te kunnen doen wordt het teeltlatje zoo in 't teeltraampje aangebracht, dat 't eerste draaibaar is. Men kan dan het raampje op de tafel leggen, de proppen gemakkelijk met was op 't latje bevestigen, om 't vervolgens in den stand te draaien, die het in het volk, moet innemen. Ook zal men slechts twee teeltlatjes in één raampje aanbrengen. Boven 't hoogst geplaatste latje is raat niet kort te voren gelegde eitjes van 't teeltvolk.
Het teeltraampje ziet er dus als volgt uit: tegen 't bovenste latje bevindt zich een omstreeks 3 centimeter breed stuk raat met eitjes, liefst van één dag, over de geheele breedte van het raam. Deze raat wordt door een er onder geplaatst latje op haar plaats gehouden. Iets lager volgt een teeltlatje met 12 a 13 kunstdoppen en daaronder nog een zelfde latje met een gelijk aantal doppen. Natuurlijk is alles zoo behandeld, dat mogelijke afkoeling wordt vermeden Het teeltraampje wordt nu in het verpleegvolk geplaatst, dat nog steeds drijfvoeder ontvangt en dus steeds in den toestand van zwermdrift verkeert. Het verpleegvolk zal nu direct aanstalten maken om in de raat noodcellen te bouwen en de nooddoppen der proppen worden er ook voor uitgebouwd. Het volk voert voedselbrei aan. Den derden dag na 't inhangen van het teeltraampje wordt dit uit 't broednest verwijderd. Zoo weinig mogelijk wordt van rook gebruik gemaakt, de bijen worden zeer voorzichtig met een ganzeveer van het teeltraampje verwijderd. Dit wordt naar binnen gebracht in een goed verlicht en warm vertrek en nu moet het moeilijkste werk van de kunstmatige koninginneteelt beginnen
We moeten, daarvan eerst nog een beschrijving geven van het gereedschap, dat voor het omlarven noodig is. Door OMLARVEN verstaan we, dat een larve uit een cel wordt genomen en overgebracht in één andere cel. We zullen dat gereedschap den naam geven van OMLARFLEPELTJE, zie figuur 4; eigenlijk zijn er meerdere noodig. die men zelf van hout kan vervaardigen.
Het omlarflepeltje kan ook van metaal zijn. Het eene uiteinde is vlak, het andere haakvormig omgebogen. Nog is een SPATEL noodig met een 5 millimeter breed afgerond uiteinde, dat een hoek van ongeveer 160 graden met den steel vormt.
Men zorgt ervoor zijn handen goed te hebben gewasschen, alvorens aan den arbeid te gaan. Men plaatst zich nu met den rug naar 't venster, drukt het teeltraampje tegen de borst, zoodat het licht er goed opvalt. Het teeltlatje wordt omgedraaid, waardoor de doppen naar boven zijn gekeerd. Allereerst worden met een scherp mesje de cellen van de ingezette raatstukken tot op ongeveer eenderde der lengte ingekort. Daarvoor kan men een mesje gebruiken, waarvan het lemmet ongeveer een hoek van 160 graden vormt met het handvat. Bij 't gebruik dompelt men het lemmet eerst in warm water, waarna het staal gemakkelijker door de cellen gaat. De larven ziet men nu beter liggen, ook komt de reeds aangebrachte voedselbrei nu beter te voorschijn Deze brei wordt met den schuinen kant van het omlarflepeltje uit de cellen genomen en over de kunstdoppen gelijkmatig verdeeld. Iedere dop behoeft niet meer te ontvangen dan een hoeveelheid, waarvan het volume overeenstemt met een speldskop. Men zorgt geen brei op den rand der cellen achter te laten Is er geen voldoende spijsbrei, dan maakt men gebruik van de brei, die drie dagen te voren uit 't verpleegvolk verzameld werd. Deze brei wordt verdeeld met de zooeven genoemde spatel.
Zoodra alle doppen van spijsbrei (melk) zijn voorzien, begint 't omlarven. Men kiest zooveel mogelijk larven, die in 't zelfde stadium van ontwikkeling zijn. Het rechte deel van 't omlarflepeltje wordt in warm water gedompeld, nu wordt 't lepeltje zoo in de kromming gestoken, die de larve vormt, dat de uiteinden over den rand reiken en met een geschikte en vlugge beweging wordt de larve op de brei gelegd, die in de doppen zoo pas werd aangebracht Twijfelt men of de larve goed overgekomen is dan neemt men daarvoor een nieuwe. Zijn al de doppen van larven voorzien, dan laat men de nog overgebleven in het stuk raat boven de teeltlatjes, en plaatst het teeltraampje in het verpleegvolk. De bijen daarvan zullen nu de doppen verder uitbouwen en het broed verzorgen, ook zullen ze op het raatstuk noodcellen om de achtergebleven larven bouwen. Men ziet er nu uit nieuwsgierigheid niet weer naar om, maar wacht rustig zijn tijd af om de noodige verdere werkzaamheden te verrichten. Vijf à vijf en een halve dag later zullen de larven volwassen zijn, de cellen worden nu van een deksel voorzien en men kan zich vluchtig van; den toestand overtuigen. Na het dekselen begint de 7 a 8 dagen rusttoestand van pop en nu moet niet meer worden gevoerd.
Op den 10den dag na 't omlarven kan het teeltraampie uit 't verpleegvolk worden genomen en de bijen worden afgeveegd. De verzegelde cellen worden nu op de vroeger beschreven wijze in de teeltkooitjes overgebracht met wat suikerdeeg en in 't verpleegvolk teruggezet. Drie dagen later zullen reeds enkele koninginnen uitgeloopen zijn. Deze koninginnen moeten nu worden verwijderd, waardoor 't teeltvolk telkens moet worden verontrust. Daarom wordt gebruik gemaakt van een kunstmatige broedinrichting, als ook gebruikt worden voor de reincultuur van bacteriën, men zou 't ook kunnen vergelijken met de broedmachine voor 't uitbroeden van hoendereieren. Uit zulk een inrichting zijn de uitgeloopen koninginnen gemakkelijk te verwijderen. De temperatuur van 't broedapparaat moet ruim 34 graden zijn en de vochtigheidstoestand 75 procent; ook moet voor luchtverversching worden gezorgd. Om beschadiging der uitgeloopen koninginnen te voorkomen, wordt zoo spoedig mogelijk de koninginnecel van de prop afgebroken en verwijderd.
Zander geeft in zijn boek „Zucht und Pflege der Bienenkönigin" van de geheele handeling het volgende schema:
Duur der geheele teelt 23 dagen.
15 April. Drijfvoedering van het verpleegvolk.
5 Mei. Het verpleegvolk wordt moerloos gemaakt.
13 Mei. Het verwijderen der noodcellen uit 't verpleegvolk en het inbrengen van het teeltraam met eieren uit 't teeltvolk en kunstdoppen.
15/16 Mei. Het overbrengen van de uit 't ei gebroken larven in de uitgebouwde en van voedersap (melk) voorziene kunstdoppen.
21 Mei. Het drijfvoederen houdt op.
25 Mei. Het plaatsen der gedekselde koninginnecellen in de kooitjes.
28 Mei. De koninginnen beginnen uit te loopen.
S.