Overwintering van bijen onder den grond.

Hierover schrijft mij de heer B. Bijker te Uffelte het volgende:
De heer B. had 12 ronde goedbevolkte korven, die hij nummerde van 1 tot 3 en van 1 tot 9. De nos. 1—3 bleven in den stand; no. 1 enkel op suiker, 2 en 3 op honig. De nummers 1—9 kwamen in den grond. Hiervan hadden 1 tot en met 7 honig, die met suiker op een gewicht waren gebracht, dat ze voor den winter voldoende hadden; de nos. 8 en 9 hadden enkel honig.
Op 19 November 1918 werden de volken secuur gewogen en later bij 't uitwinteren op 24 Maart 1919 opnieuw.
Ziehier de uitkomsten:

Hieruit blijkt, dat het gewichtsverlies gedurende den winter boven en in de grond niet zooveel verschilt.
De proefnemer stelt zich voor, dat de verschillen bij zwakke volken grooter zullen wezen.
Gedurende de overwintering in den grond, bleven de volken roervrij. Alleen no. 8 was aan den buitenkant van 't vlieggat iets bevuild. Hieruit blijkt, dat bij volkomen rust de bijen het zeer lang zonder reinigingsvlucht kunnen doen.

De overwinteringsinrichting was als volgt:
Een kuil werd gegraven, ter diepte, dat 't grondwater geen last kan veroorzaken. De breedte wordt zoo genomen, dat aan elken kant op planken één rij korven kan staan met een flinke gang er tusschen om ze te kunnen nazien, bijvoorbeeld tegen muizen; hiervan had men tijdens de proefneming geen last.
Het dak helt aan weerszijden schuin af en van lekkage mag geen sprake zijn.

De proefnemer trekt uit zijn proef het volgende bestuit:
Sterke volken kan men gerust in den stal laten staan, ze teren iets meer in, verliezen bij warmen zonneschijn en sneeuwdek en door vroege broedzetting om water te halen, wat meer volk dan bij overwintering in den grond.

Voor zooverre mij bekend, is deze proefneming met overwintering van bijen in den grond de eenïgste, die met haar uitkomsten werd gepubliceerd. De heer Bijker moet zijn proef dit jaar voltooien, door na te gaan welk resultaat men krijgt met 't overwinteren van lichte volken onder den grond. S.