Hoe de uitgeloopen koninginnen verder worden behandeld.
De uitgeloopen koninginnen worden allereerst nagezien of de uitwendige kenmerken goed zijn. De goedgekeurde koninginnen worden vervolgens geteekend. Daarvoor is een sneldrogende verf noodig, die gemaakt kan worden uit schellak en zuiveren spiritus, tot een dikvloeibare oplossing, waaraan een kleurstof wordt toegevoegd. Liefst een met klein soortelijk gewicht, dus geen lood- of zinkwit, maar bijvoorbeeld lytophonewit. Men neemt voor de verschillende jaargangen verschillende kleuren, liefst wit, geel en blauw. Men legt het geopende kooitje op de tafel, met het gras naar boven, de koningin loopt meestal spoedig hierop, dan wordt ze tusschen duim en vinger met de linkerhand aan de borst vastgegrepen en met een penseel wordt de kleurstof op het gewelfde deel van het borststuk aan de rugzijde overgebracht. Elke koningin kan een bijzonder teeken worden gegeven. Als de koningin geteekend is, laat men ze in haar kooitje terug loopen.
Het moeilijke werk komt nu nog aan. De koninginnen moeten worden bevrucht, zoolang ze dat niet zijn, hebben ze geen waarde.
Om de bevruchting tot stand te brengen, heeft men bevruchtingskastjes uitgedacht.
Het bevruchtingskastje van Zander is ongeveer als volgt ingericht. Het is een kastje voor één raam. Dat raam is de helft van de ramen, die hij gebruikt voor de door hem gebouwde woning. De lichtruimte is daarom 18,5 X 18.5 c.M. Behalve de ruimte voor 't raam, heeft 't kastje daarboven nog twee ruimten. De kleinste ruimte dient om er het koninginnekooitje in te plaatsen, de andere ruimte dient om gevuld te worden met één pond voederdeeg, dat hij maakt door fijn gemalen suikerpoeder met één derde a één vierde keer de hoeveelheid daarvan aan honig van 40 graden C. te kneeden, zooals de bakker het deeg kneedt. Het suikerdeeg moet ten slotte een tamelijk droge massa worden als marsepein. Het kistje is dus in drie ruimten verdeeld, beneden de ruimte voor de bijen, boven achter elkander een ruimte om de koningin in 't volkje te brengen en een ongeveer 3 X zoo groote voederruimte. De twee laatste ruimten staan door een voederopening met elkander in verbinding. Willen de bijen zich met het suikerdeeg voeden, dan moeten ze door de ruimte, waarin het kooitje met koningin wordt geplaatst, vervolgens door de voederopening. Aan den smallen voorkant is 't vlieggat, en beneden is een door gaas afgesloten opening, waardoor lucht kan worden ingevoerd, terwijl die opening door een schuif kan worden geopend en geheel of gedeeltelijk gesloten. De breede zijkanten worden door glas gesloten, waardoor 't mogelijk is 't doen en laten der bijen gade te slaan.
Twee van deze kastjes kunnen in een beschuttingskistje door karton van elkander gescheiden, zoo geplaatst worden, dat 't één geheel vormt, waarbij de plaatsing dan aldus is, dat de twee vlieggaten aan de tegenovergestelde kanten zich bevinden. Deze twee kanten worden met schelle kleuren bestreken. De eene kant bijvoorbeeld wit, de andere kant blauw. Geel, wit en blauw zijn de meest geschikte kleuren, ook kan men ze met bloemen of bloemdeelen beschilderen, maar in ieder geval met kleuren, die zeer opvallend zijn en vooral met enkel geel, wit of blauw, waardoor de koningin gemakkelijk haar verblijfplaats zal weten terug te vinden. De ruimte, waarin het suikerdeeg, is met een glasschijf bedekt en daarboven ligt een houten dekseltje.
Het gereedmaken om de bijen in ontvangst te nemen, volgt nu. Allereerst wordt een raampje in 't kastje geplaatst. Het raampje krijgt een breede strook kunstraat mede, door twee veeren aan den bovenkant wordt 't zoo bevestigd dat men 't kastje gerust schuim kan houden, zonder dat het verschuift. De voederruimte wordt met suikerdeeg gevuld, maar zóó, dat tusschen het deeg en de voederopening eenige ruimte overblijft. De voederopening zelve wordt zoolang gesloten, evenals ook het vlieggat, dat met een propje watten of iets dergelijks wordt gesloten. Nu moeten de kastjes met jonge bijen worden gevuld. In de allereerste plaats kunnen daarvoor de bijen van 't verpleegvolk dienst doen. Welke bijen men er ook voor neemt, op den voorgrond staat, dat 't jonge bijen zijn, maar bovenal dat er geen darren onder voorkomen. Voor ieder kastje heeft men plm. een vierde liter bijen noodig. Om de bijen zonder darren te krijgen, heeft men een inrichting uitgedacht, die eenvoudig uit een kistje bestaat, waarin men langzaam een koninginnerooster kan laten zakken. De darren blijven beneden den rooster. Is de rooster nagenoeg beneden, dan plaatst men het kastje zoo diep in water als de rooster is, de darren worden zoo nat, dat ze niet meer vliegen en gemakkelijk zijn weg te vangen. Men kan deze scheiding nog wel anders bewerken, door bijvoorbeeld de bijen van de raten te vegen in een broedruimte, daarboven een koniginnerooster te plaatsen met een ruimte, waarin de raten, waarvan de bijen werden afgeveegd. Doet men dit 's avonds, dan zullen den volgenden morgen de bijen zich door den rooster hebben gewerkt en de darren beneden zijn gebleven, daarbij is 't zoo in te richten, dat ook de uitgeloopen koninginnen in 't verpleegvolk uit de bijen zijn verwijderd.
De bijen, die in de bevruchtingskooitjes moeten, worden flink nat gespoten en met een lepel over de verschillende kastjes verdeeld. Men vult de kastjes door een der glazen zijkanten weg te nemen, vervolgens doet men er de nat gespoten bijen in en sluit het kastje. Het schuifje aan den onderkant wordt opengezet om een luchtstroom in te voeren, waardoor de bijen sneller drogen. Zijn ze droog, dan kan men al spoedig onrust bemerken en dan is de tijd gekomen om ze een koningin te geven.
Men neemt doorvoor een der kooitjes met geteekende koningin en vervangt de stop der groote opening van 't kooitje door suikerdeeg. Het kooitje wordt nu in de ruimte gebracht, die voor 't bijzetten der koningin afzonderlijk in 't kastje aanwezig is en wel zoo, dat 't gaas van 't kooitje naar de voederruimte is gekeerd. De bijen gaan al spoedig naar boven en verorberen het suikerdeeg van 't koninginnekooitje, waardoor deze wordt bevrijd en zich onder het volkje beweegt. Dit speelt zich in 12 à 24 uren af, de bijen zitten in een klompje om de raat en nu kan het kooitje worden weggenomen.
Tot zoover heeft men het geheele verloop in de hand gehad, wanneer men nu echter het vlieggat opent, dan zal de koningin al spoedig ter bruiloftsvlucht gaan en daarop kan geen invloed worden uitgeoefend, tenzij buitengewone maatregelen worden genomen, die nog niet zoo gemakkelijk zijn, als zich dat laat aanzien. Pijnlijk nauwgezet moet daarbij worden gehandeld en wel om de volgende redenen.
De slechtste volken geven de mooiste darren, indien de bevruchting daarmede geschiedt, is al 't werk te vergeefsch geweest, want de bevruchtende dar heeft al evenveel invloed op de nakomelingschap als de bevruchte koningin. Nu vliegen de darren op warme dagen wel 2 tot 3 kilometer en verder van hun woning rondom andere standen, om zoo mogelijk daar hun slag te slaan. Deze darren worden vaak in andere volken toegelaten, zoodat een volk, waarvan men overtuigd is, dat 't uitstekend is en darren heeft, die men voor de bevruchting zou wenschen te gebruiken, het toch nog niet zeker is, dat de bevruchting plaats heeft door een dar, die in dat volk werd geboren. Wil men zeker werken, dan moet dit als volgt gebeuren. We hebben hier verondersteld, dat geweten wordt, dat de bevruchting buiten de woning in de lucht plaats grijpt. Wil men nu zeker zijn, dat de bevruchting der geteelde koningin plaats heeft door een dar van goeden huize, dus afkomstig uit een volk, waarvan de afstamming der koningin bekend is, of als men nog niet zoover is, van een volk met goede eigenschappen, dan wordt dit volk, vóór zich op den stand darren vertoonden, dus reeds eind April, begin Mei, naar een streek gebracht minstens 4 kilometer verwijdend van een bijenstand. De koningin van zoo'n volk moet tweejarig zijn, wil men over de eigenschappen ervan een oordeel bezitten. Door 't plaatsen van darrenraat en door voedering wordt zoo'n volk ertoe gebracht om darren te gaan telen. Vanaf Juni zullen dan wel voldoende darren aanwezig zijn. Het darrenraampje wordt dan boven de koninginnerooster gehangen en vervangen door een raampje met werksterraat.
Hierheen worden nu de bevruchtingskastjes gebracht. Deze bevruchtingsstations werden allereerst in Zwitserland opgericht. In navolging daarvan kwamen er ook elders.
Dat te Erlangen behoort aan de indertijd Königliche Amstalt voor Bijenteelt in een opene plaats van 't Reichswald. Het station is ingesloten door een 2 meter hooge puntdraadomheining en onderscheidt zich van de omgeving door een scherpgekleurden ondergrond, te midden der groene omgeving van 't bosch, uitgevlogen koninginnen zullen daardoor gemakkelijker den weg terugvinden. Binnen de omheining staan meterhooge palen op anderhalven a 2 meter afstand, waarop de bevruchtingskastjes worden geplaatst; 50 koninginnen vinden er gelijktijdig een plaats. Hier staat ook het volk dat de darren voor de bevruchting moet leveren. Op deze wijze kan men dus invloed uitoefenen op de bevruchting zelve. Of de plaats geschikt is kan vooraf onderzocht worden, door er een volkje te plaatsen met onbevruchte koningin zonder darren. Indien de koningin onbevrucht blijft, heeft men zekerheid, dat darren van elders niet tot die plaats komen en heeft men een in dat opzicht geschikte plaats gevonden als bevruchtingsstatioin.
De bevruchtingskastjes veronderstellen we nu met onbevruchte koninginnen op het station geplaatst. De koninginnen zullen eerst enkele dagen uitvliegen om daarna ter bruiloftsvlucht uit te trekken. Komen ze bij die uitvluchten niet om, dan zullen ze na eenigen tijd wel bevrucht wezen. Men zal gelegenheid hebben dit waar te nemen en wel enkele koninginnen terug zien komen met het als gevolg der bevruchting meegenomen bevruchtingsteeken, een deel van 't bevruchtingsorgaan van den dar. De gevulde zaadblaas doet 't achterlijf zwellen, waardoor nu nog beter dan vroeger is na te gaan of de koningin zuiver van bloed is. Vertoonen zich nu nog helder gekleurde streepen, dan is dit een bewijs, dat er in de koningin nog overblijfselen zijn van vroegere kruisingen, daar dit niet de bedoeling is, kan men zulk een koningin niet als een eerste klasse aanmerken. Een paar dagen na de bevruchting begint de eierlage. Nu neemt men de koningin nog niet direct weg, maar wacht tot 't broed gedekseld is. Men heeft nu spoedig een teeken om iets aangaande de waarde der koningin te kunnen beoordeelen. Het broed eener goede koningin zal aaneengesloten wezen. Is 't zoover, dan moet de koningin, uit 't bevruchtingskastje, want daar heeft ze veel te weinig plaats voor haar eitjes. Voorloopig kan nu het een en ander der koningin in het teeltboek worden genoteerd, bijvoorbeeld naar volgend model:
