Het zelf vervaardigen van een doelmatige bijenwoning.
Er bestaan verschillende modellen van bijenkasten, bij handelaars verkrijgbaar, waarmee men uitstekende resultaten kan verkrijgen en waarop ik dan ook — althans in dit opstel — niets wensch af te dingen. Maar niet ieder schikt het ongeveer twee tientjes neer te leggen voor elke bijenwoning die men noodig heeft. En daarom gaat menigeen, die over wat hout en over eenige vrije winterdagen of -avonden kan beschikken, zelf aan het timmeren.
De resultaten, die ik in den loop der jaren van dit geknutsel zag, waren soms verre van schitterend. De lust en de liefde waren er wel, doch de voorlichting ontbrak; er ontstond een vrijwel onbruikbare bijenwoning, waarin het imkeren half of geheel mislukte en...... de liefhebberij werd gedood.
Een jaar of vijftien geleden beschreef ik daarom eens in het tijdschrift „De levende natuur", hoe men zelf een bijenkast kan vervaardigen en hoe men er mee imkeren kan. Wat later vatte ik deze artikelen samen in een handleiding voor den bijenliefhebber, getiteld „Imkeren", uitgegeven bij W. Versluijs te Amsterdam. Dit boekje heeft velen aan 't timmeren gezet en aan 't imkeren gebracht. Ook in ons maandschrift, jaarg. 1917, is er al eens meer of minder waardeerend over gesproken. Vaak krijg ik zelf nog brieven van personen, die er uit hebben geput en die nog nadere inlichtingen wenschen.
Natuurlijk is genoemd werkje thans wat verouderd geworden. Ik heb aan mijn zelf getimmerde kasten een en ander gewijzigd, verbeteringen aangebracht, door de praktijk zelf mij geleerd. Ook weet ik, dat menigeen nog graag een of meer bijenwoningen zelf zou willen vervaardigen, als hij maar voorlichting had en daarom is 't wellicht ook velen lezers van ons maandblad niet ondienstig eens te vertellen, hoe ik mijn kasten bouw, waar ik al een twintig jaar succes mee heb.
Vooraf wil ik zeggen, dat ik slechts liefhebber ben, geen handelaar; ik heb er dus totaal geen belang bij, of iemand mijn kast mooi of leelijk vindt, hem nabouwt of niet. Ik schrijf dit alleen voor hem, die uit zuinigheid zelf een goede bijenwoning wil gaan timmeren of deze zijn kinderen op de schoolles wil laten vervaardigen. Ook zal men mij toegeven, dat het veel prettiger is te imkeren met zelf gebouwde, dan gekochte kasten.
In de benedenverdieping mijner kast, het broedruim, hangen tien ramen, ongeveer van de Engelsche normaalmaat. Daar de afstand van twee ramen, hart tot hart, 37 millimeter wezen moet, is het broedruim 37 centim. binnenwerks wijd. Ik neem deze wijdte zoowel in de breedte als in de lengte. Mijn broedruim wordt dus een vierkante bak. Dit heeft het voordeel, dat ik zoowel „warmen bouw" als „kouden bouw" kan toepassen. Dit wil zeggen: ik kan mijn tien ramen even goed evenwijdig aan den voorkant als evenwijdig aan de zijkanten hangen.
Als binnenbekleeding van 't broedruim bezig ik vertikale plankjes, dikte zoogenaamd driekwartiers, plm. anderhalve c.M., en 22 centimeter hoog. Deze plankjes spijker ik binnen tegen twee vierkante ramen van lathout, 4X4 c.M. metend. De ramen omsluiten een vierkant van 40 X 40 centimeter. Het onderste raam komt gelijk met de onderkanten der plankjes van onze binnenbekleeding. Het bovenste raam steekt 2 centimeter boven de bovenkanten dezer plankjes uit, zoodat ik door de kopeinden der plankjes rondom een lijst krijg, waarop ik de nokken mijner tien broedramen kan laten rusten.

Is men bang dat de nokken te stevig worden vastgekit met voorwas, dan brengt men tegen den binnenwand van 't broedruim een strookje blik aan, waarop de raampjes rusten. Verder kan men natuurlijk ook raampjes gebruiken met grootere nokken en van andere afmetingen, mits men dan de opgegeven maten iets wijzigt. Al arbeidende, ziet de man van eenige ervaring zelf wel in, wat hij nog verbeteren wil.
Nu komt de buitenbekleding van 't broedruim. Ik timmer deze vast aan de buitenkanten der hoofdramen, die ook de binnenbekleeding dragen. Men moet hierbij nog op het volgende letten; de buitenbekleeding komt van boven rondom, evenals de binnenbekleeding, 2 c.M. lager dan de bovenkant der hoofdramen, zoodat deze er boven uitsteken. De voorkant van de buitenbekleeding wordt 22 centimeter hoog en reikt dus van onderen juist tot aan den onderkant van het hoofdraam. De twee zijkanten en den achterkant der buitenbekleeding maken we anderhalve centimeter langer van onderen. Zoo ontstaat aan drie zijden een uitstekende rand, waarin we den bodem kunnen schuiven, die van voren naar verkiezing van 3 tot 10 centimeter buiten de buitenbekleeding uitsteekt en aldus een meer of minder breede vliegplank vormt.
Mijn vierkante broedruim vormt dus één bak met vaste binnen- en buitenbekleeding. Ik vind dit een groot voordeel boven de gebruikelijke losse binnen- en buitenbakken. Mijn broedruim tocht nooit. De ruimte van 4 c.M. tusschen binnen- en buitenbekleeding vul ik op met droog stroo. Dit zit dus voorgoed opgesloten en ik heb nooit de tusschenruimte op te vullen tegen den winter, ik behoef nooit te morsen met zaagsel of boekweitdoppen. Ik overwinter al meer dan een dozijn jaren zonder scheidingsplankje en had nooit last van sterven door kou of loop.
En de zwaarte valt heusch mee: de soliditeit heeft erdoor gewonnen. Bij mij staan kasten van over twaalf jaar oud, die er nog „als nieuw" uitzien! En dat in alle weer en wind, zoo maar zonder stal in den tuin.
Wat nu de tien broedraampjes betreft, ieder kan de grootte daarvan zelf precies uitrekenen, als men erop let dat er aan de zijkanten een ruimte van plm. drievierde c.M. moet blijven, om de bijen te laten passeeren buitenom en dat de onderlat circa anderhalve c.M. vrij van den bodem blijven mag.
Ik gebruik voor die broedraampjes zoogenaamde duivenlatjes, plm. l c.M. dik en 2 c.M. breed. Als toplat ervoor neem ik er twee die ik met de platte kanten tegen elkaar bevestig. Er tusschen kan ik dan onwrikbaar een vel kunstraat vastklemmen; de spijkertjes, die de helften van de toplat samenhouden, gaan dwars door de kunstraat heen. Van uitzakken had ik nooit last, hoewel ik geen draadspanning gebruik. Wel zorg ik dat ieder vel kunstraat aan alle drie de kanten minstens anderhalve c.M. vrij blijft van de binnenzijde van 't raampje. Dan wordt de kunstraat mooi vlak uitgebouwd en bevestigd. De nokken der raampjes worden tot een dikte van l centimeter afgebeiteld.
Nu maken we aan den voorkant, vlak boven den bodem, dus in den onderkant van 't broedruim, een vlieggat, door dezen onderkant over een breedte van 20 centimeter hoogstens, l centimeter diep weg te beitelen.
Zijn we zoover, dan gaan we ons eerst de vraag stellen: wat is ons doel met de bijenwoning? Moet ze een vaste plaats houden in onzen tuin het heele jaar door, dan moet ze daar ook tot sieraad wezen, een mooien vorm dus hebben en ze mag gerust wat zwaar wezen van bouw en wat uitstekende deelen vertoonen, want ze behoeft toch niet verplaatst. Of willen we wellicht reizen met onze kast in sommige tijden van 't jaar naar streken met betere honigdracht dan in de buurt onzer woning is te vinden? Dan dient onze kast zoo handig mogelijk van formaat te worden, zonder uitstekende deelen en ook zoo licht als 't kan.
We komen dus óf tot een „tuinkast" of tot een „reiskast". Beginnen we met de laatste.
Ons broedruim was klaar, de losse bodem eronder ook. Begrijpelijkerwijze laten we deze van voren nu maar weinig uitsteken: een vliegplank van 3 centimeter is nu voldoende en gemakkelijker bij 't vervoer dan een verder uitstekenden bodem. Onder de reis houden we den bodem gemakkelijk op zijn plaats door een paar schroeven, die door den onderkant van de buitenbekleeding van ons broedruim in den bodem grijpen en deze dus vastzetten.
We beginnen nu aan de bovenverdieping van ons bijenhuis. Deze bestaat uit een "opzet" met honigraten en een daar omheen grijpenden lossen „opzetrand".
Voor opzetrand timmeren we een kistje zonder bodem of deksel, wat lengte en breedte betreft precies en wat hoogte betreft, ongeveer gelijk aam de overeenkomstige afmetingen van de buitenbekleeding van ons broedruim. Dat we om indringen van regenwater te voorkomen, onder- en bovenrand van opzetrand en buitenbekleding schuin naar buiten afhellend kunnen schaven, ziet elke timmerman vanzelf al wel.
Bij het beginnen aan de opzet of honigkamer, die binnen den opzetrand op ons broedruim moet staan, doet zich de vraag voor: zullen we een hooge of een lage broedkamer timmeren? Ik raad u aan: beide. De hooge opzet kan dienst doen bij flinke honigdracht; ook kunnen we er de omhangmethode mee toepassen; zelfs de separatormethode. Een lage opzet komt o.a. te pas bij matigen honigoogst en bij het winnen van raathonig. Ik gebruik vaak twee lage opzetten, boven elkaar dan.
De hooge opzet is weer een kistje zonder deksel of bodem, precies gelijk aan de binnenbekleeding van ons broedruim. Er komen nog een paar latjes buitenom van onder en van boven. En dan passen alle tien onze broedramen ook in die hooge opzet. We maken er dus nog tien even groote honigramen voor.
Om een separator te maken, slaan we tegen den onderkant van zoo'n hooge opzet een latje van l decimeter dik, behalve aan den voorkant. Hier wordt dus een nieuw vlieggat gevormd, als we de opzet plaatsen bovenop de broedkamer, hiervan gescheiden door een plank. Zoolang het bovenvlieggat noodig is, verwijderen we den opzetrand van onze kast.
Een of twee lage honigkamers, die ik vooral aan beginners aanraad, maken we gelijk van vorm als de hooge, welke ik beschreef; alleen nemen we de hoogte, maar de helft ongeveer van die der hooge honigkamer zooeven beschreven. Natuurlijk hooren hier dan ook lagere honigramen in.
Nu komt er nog een dak op onze reiskast. Dit heeft één plat dak, eenigszins naar achteren hellend en niet buiten den kastromp uitstekend, behalve een paar centimeter aan den voorkant. Het bovenvlak van 't dak rust op een houten rand, ongeveer een handbreed hoog, die rust op den bovenkant van onzen opzetrand. Het dak wordt hierop vastgehouden door een paar in de binnenhoeken der daklijst bevestigde en er eenige centimeters uitstekende latjes, welke in de binnenhoeken van den opzetrand grijpen.
Kunnen we de naden van het dak goed dicht krijgen, dan is schilderen voldoende; anders moet er asphaltpapier op.
Zoo hebt ge een reiskast, van één hooge of twee lage honigkamers voorzien, met een gemakkelijk te bevestigen en af te nemen bodem, geheel recht op en neer van buitenwand en zonder uitsteeksels, behoudens 't eenige centimeters overstekende dak en de even smalle vliegplank. De kast is dus gemakkelijk in 't vervoer. De vorm is echter zonder eenige versiering. Daarom willen we onze „tuinkast" wat mooier uitwendige gedaante geven. Het binnenwerk blijft onveranderd.
Vooreerst laten we bij de tuinkast den bodem van voren circa 10 centimeter uitsteken, dat staat vlugger. Dan bevestigen we buiten aan het broedruim, de benedenverdieping, drie pooten van ongeveer 20 centimeter hoogte. Eén poot komt in 't midden van den achterwand, de andere aan de zijwanden, heel vooraan. Nu kunnen we onze kast op iederen oneffen bodem gemakkelijk in 't lood plaatsen.
Doch daar de kast nu niet meer op z'n bodemplank rust, zou deze uit haar lijst op den grond vallen. We houden den bodem daarom met een paar werveltjes tegen den onderkant onzer kast vast. Zoo is de bodemplank ieder oogenblik te verwijderen.
Ook staat het wat vlugger, als de buitenrand van onzen opzetrand niet gelijk loopt met de buitenbekleeding van ons broedruim, maar iets inspringt. We laten den opzetrand dus hier steunen op het hoofdraam van ons broedruim en omgeven den onderkant van den opzetrand met latten, die op de buitenbekleeding van het broedruim rusten.
Het dak laten we OM den bovenkant van den opzetrand heengrijpen. Verder geven we het van boven niet één plat vlak, maar maken twee schuine kanten links en rechts, die flink oversteken, als bij een Zwitsersch huis. Goed gebouwd, zal de bijenwoning een sieraad vormen in uw tuin.
Wie nog meer bizonderheden wil weten over deze kast en het werken, ermee, kan ik de lezing aanraden van mijne artikelen daarover in het tijdschrift "Buiten", jaargang 1907 en 1908. Deze zijn in iedere leeszaal in te zien; ook komen er talrijke afbeeldingen bij voor, die den bouw der kast beter doen begrijpen, dan door een dorre beschrijving mogelijk is. En indien verder nog iets niet helder mocht wezen, ben ik gaarne tot nadere inlichtingen bereid.
Ik wensch den lezers veel genot én bij het zelf vervaardigen van hun kast én bij het imkeren ermee.
CHR.H.J. RAAD, Hilversum, November 1919.