Afscheid.
Hiermede neemt ondergeteekende als Red. afscheid van zijn lezeressen en lezers, leden der Vereeniging voor Bijenteelt. Gedurende 12½ jaar heeft ondergeteekende getracht tot genoegen der leden werkzaam te zijn en zoodanigen tekst te leveren, dat de Vereeniging er door vooruit zou kunnen komen.
Het oorspronkelijke doel van ondergeteekende was, om den oeconomischen toestand der bijenhouderij vooruit te brengen. Dit was ook de aanleiding, waarom hij indertijd het redacteurschap aanvaardde.
Ondergeteekende was toen en ook thans nog betrokken in de zeemerij der afd. Steenwijkerwold. Het kwam hem voor, dat de geldelijke voordeelen der ijmkerij gering waren en nam zich toen voor het mogelijke te doen om daarin verbetering te brengen.
Van toen af heeft hij er steeds op aangedrongen om den honig tot consumptie-artikel te krijgen, moge er nu ook eenige vooruitgang zijn te constateeren, het eigenlijke doel is nog lang niet bereikt.
Ondergeteekende meent, dat dit doel alleen maar te bereiken is door een stevig instituut in de Vereeniging, dat thans aanwezig is in de afd. Handel.
Zal er van oeconomischen vooruitgang sprake wezen, dan kan afd. Handel nooit sterk genoeg gemaakt worden, maar in den zin voornamelijk van den honigverkoop. Daardoor ontstond ook ’t voorstel Steenwijkerwold om een flink bedrag uit te trekken om reclame voor den honig te maken als consumptie-artikel.
De ondervinding, die ondergeteekende dit jaar met de zeemerij opdeed is van dien aard, dat hij meent, dat zonder dien weg op te gaan, de ijmkerij nooit tot bloei zal geraken. Het spijt hem nu maar, dat hij dat punt niet zal kunnen verdedigen, daartoe was hij gaarne in staat gesteld geweest.
Afd. Handel zal trouwens nog veel kunnen doen door te zorgen voor éénheid. Éénheid in korven en kasten, maar bovenal éénheid in de verzendingsmiddelen van den honig, door 't in den handel brengen van gewaarmerkte tonnen, blikken enz.
Ook in den handel van onze bijen naar 't buitenland moet krachtig worden opgetreden, omdat wij 't voorrecht hebben gezonde volken te bezitten, wat in 't buitenland lang niet 't geval is.
Deze zaken te bevorderen, en zoo de ijmkerij tot hoogeren bloei te brengen is steeds 't doel geweest van 't werken van ondergeteekende en natuurlijk ook, door 't aanbrengen van nieuwere begrippen, de noodige wetenschap aan te brengen om volgens de nieuwere methoden tot meer geldswaardige opbrengsten te komen.
Zeer veel is er voor onze Vereeniging nog te doen. Gelukkig mag de Ver. thans genoemd worden in 't bezit te zijn van een krachtig Voorzitter, die volgens vaste beginselen de Vereeniging vooruit brengt.
In den loop der 12½ jaar mocht 't Maanschrift in uiterlijk en innerlijk voorkomen eerst aardig vooruitgaan. Langzamerhand werd 't uitgebreid en verlicht met figuren. De oorlog heeft daaraan veel schade gedaan en soms scheen het alsof 't Maandschrift geheel zou moeten wijken. In die dagen kwam bij ondergeteekende wel eens de lust op er maar mee op te houden, maar hij wilde in deze kwade dagen het redacteurschap niet vaarwel zeggen.
Thans is er weer een betere tijd aangebroken en nu het Hoofdbestuur een gelukkige keuze heeft kunnen doen, door als redacteur den heer Hootsen te kiezen, is er kans dat 't Maandschrift in belangrijkheid zal winnen en kunnen voldoen aan de vele en uiteenloopende behoeften der lezers.
Ondergeteekende wil thans eindigen en dankt in de eerste plaats het Hoofdbestuur, waarmede hij steeds in goede harmonie kon werken.
Ook brengt hij hier zijn dank aan de weinige medewerkers, die hem hielpen om 't Maandschrift van den noodigen tekst te voorzien, vooral die van den laatsten tijd, omdat zoo vaak de Red. genoodzaakt was om hen teleur te stellen, als de ruimte ontbrak hun stukken op te nemen.
Bijzonderen dank brengt ondergeteekende aan den drukker van ‘t Maandschrift, de N.V. Koninklijke drukkerij Floralia te Assen, de samenwerking daarmede is bij uitstek gunstig geweest.
Op 't eind van zijn taak brengt ondergeteekende hierbij zijn saluut aan de leden der Vereeniging, die hij door zijn werk heeft willen dienen en zulks, omdat de liefde voor de bijenteelt hem daarbij stuurde.
H. STIENSTRA, Frederiksoord, 27 April 1920.
Bij het heengaan.
De heer Stienstra verlaat ons. Om gezondheidsredenen was hij genoodzaakt als Redacteur te bedanken. Gedurende 12½ jaar is hij trouw op zijn post geweest en de lezers weten, dat hij voortdurend heeft gearbeid. Hij heeft dan ook een groot aandeel gehad in den groei en den bloei onzer Vereeniging. Hij was de leeraar met het geschreven woord, die de bijenteelt onderwees niet alleen aan bijenhouders in de afgelegen woningen onzer heidevelden, maar ook aan de imkers in en bij de centra's der beschaving.
Hij heeft ook de richting aangegeven, waarin duizenden zochten en streefden. De heer Stienstra behoorde tot de arbeiders, die zich steeds bewust zijn, dat de bijenteelt in ons land weer tot bloei is te brengen. Onverdroten en met vaste hand heeft hij steeds gewerkt en nimmer zijn ideaal uit het oog verloren. Moeilijkheden en teleurstellingen deden hem met nog meer vaste hand het roer omklemmen van 't scheepke, dat hij stuurde.
Hij heeft van voormannen op 't gebied der Bijenteelt niet altijd dien steun en medewerking gehad, welke hem moesten geschonken worden. Toch is hij geslaagd en het Maandschrift heeft een goed figuur gemaakt, ook vergeleken met de buitenlandsche tijdschriften op dit gebied. Daarom laat de Vereeniging hem noode gaan en hoopt zij, dat de heer Stienstra zich niet geheel zal terugtrekken, doch zooveel mogelijk zal blijven medewerken.
Bij het komen.
Thans heeft het Hoofdbestuur de taak op mij overgedragen en eenigszins huiverend heb ik die aanvaard. Het zal mij moeilijk vallen den arbeid van den heer Stienstra te evenaren, te meer, daar ik mij moet inwerken in de huidige toestanden onzer Ver. Het is ook niet gemakkelijk om de uiteenloopende wenschen en behoeften onzer duizenden imkers te bevredigen.
De Bijenteelt is in ons land in een eigenaardig stadium. Naast de vele voorstanders van den vasten bouw, vindt men tal van imkers, die aan het bedrijf met den lossen bouw voorkeur geven. Eenerzijds is er nog weinig studie gemaakt van het leven der bijen en de nieuwere methoden, welke daarop berusten. Anderzijds is men goed op de hoogte en wordt het bedrijf intensief beoefend. Wij roepen daarom de welwillendheid in van u allen en noodigen onze intellectueele imkers uit mede te werken in dit tijdschrift, om te zamen in breede kringen kennis te verspreiden, op te wekken tot studie, tot waarnemen, tot rationeele behandeling der bijen.
Waar op velerlei gebied de „voorteekenen" zijn waar te nemen van een ontplooiing der krachten in nieuwe banen, daar voelt men, dat ook onze Bijenteelt aan het begin van een nieuw tijdperk staat van krachtig opbloeien. Niet alleen omdat de bijen voor den steeds vooruitgaanden land- en tuinbouw onmisbaar zijn, maar ook, omdat de Bijenteelt als bedrijf meer naar voren zal komen en daarmede een grootere en vastere basis zal vormen voor de neven-bedrijven, honig- en wasbereiding, kasten- en korven-fabricatie enz.
Als gevolg zal de handel zich meer uitbreiden.
Ook mogen we niet vergeten, dat de Bijenteelt steeds meer en meer een mooi en krachtig middel zal worden voor onze volksopvoeding.
Overtuigd van uwe medewerking, verzekerd, dat een mooie toekomst ons wacht, aanvaard ik dezen arbeid.
T.C. HOOTSEN