De Vereeniging en de Afd. Handel.
In de omgeving van Wageningen wonende en daardoor in staat persoonlijk op 't Bijenhuis te komen om mijne bestellingen te doen, ben ik in de gelegenheid het bedrijf der Afdeeling Handel zelf te aanschouwen.
Daar men in den laatsten tijd vooral deze Afd. nogal afkamt, heb ik mijne oogen en ooren terdege den kost gegeven en heb daardoor een oordeel kunnen vormen, welk oordeel ik me gelukkig acht te kunnen verkondigen, hopende de Afdeeling en daardoor de Vereeniging te helpen in haar streven.
In plaats van het verslag af te wachten, dat uitgebracht moet worden door de Commissie over de Afd. Handel, waartoe op de laatste Algemeene Vergadering besloten is, gaat men door de Afd. Handel bij de leden verdacht te maken.
Deze beweging, welke misschien nog ongeorganiseerd is, gaat in hoofdzaak uit van den heer H.A. Beil te Dwingelo.
Dat de heer B. de afdeeling Handel ducht is best te begrijpen. De heer B. toch had, voordat deze afdeeling bestond, vrijwel het monopolie in imkersgereedschap, want iedereen betrok bij hem het materieel, zoo ook de houders van andere bijenparken, die het op hun beurt wederom verkochten. De heer B. bepaalde dus de prijzen voor de verschillende artikelen.
Dat hij den strijd voert tegen de afdeeling Handel is best te begrijpen en ook juist uit koopmansoogpunt. Waar echter den heer B. vermoedelijk wel duidelijk zal zijn, dat hij in deze het onderspit moet delven, is hij begonnen met de Afd. H. verdacht te maken en heeft dus het pad van den eerlijken concurrentiestrijd verlaten. Wat doet toch de heer B?
Neemt men voor zich de bijvoegsels van „De Practische Imker" van April en Mei j.l., dan moet dit reeds iedereen duidelijk zijn.
In 't April-no. zegt de heer B. o.a.: „De Afdeeling Handel is geen coöperatie, zooals voorheen de „Handelskamer", maar een SPECULATIE-ONDERNEMING VAN DE VEREENIGING. Velen zien den toestand van Afdeeling Handel niet zoo gunstig in als men zulks laat voorkomen. Had zij niet de beschikking over toevallige baten der Vereeniging, dan zou dit meer in 't oog vallen. Dat de Afdeeling Handel den HONIGHANDEL in 't afgeloopen jaar echter geheel en al verwaarloosd en ten slotte gestaakt heeft, heeft aan de coöperatieve zeemerijen en leden der Vereeniging groot nadeel berokkend."
Ik zou gaarne den heer B. willen vragen: waarom is deze instelling speculatief? Welke zijn de toevallige baten? Kan hij bewijzen, dat de Afdeeling Handel den honinghandel geheel en al verwaarloosd en gestaakt heeft en welk nadeel is er aan de coöperatieve zeemerijen en aan de leden berokkend?
Wil de heer B. den strijd tegen de Afdeeling Handel eerlijk voeren, dan moet hij met feiten komen, maar niet zooals hierboven is aangegeven, gaten in de lucht, doch raak slaan!
Het afgeloopen jaar heeft zich gekenmerkt door een groote malaise op ieder gebied, dus ook op 't gebied van „Honighandel". Pleit dit tegen de Afdeeling Handel?
De heer B. echter lacht in z'n vuistje, want hij krijgt versterking. Dit blijkt wel in het bijvoegsel van Mei van de P.I.
Het ingezonden stuk echter buiten beschouwing latend, geeft de heer B. in zijn naschrift hierop wederom een staaltje van zijn concurrentiestrijd.
Wederom wordt de afdeeling Handel eene speculatieve instelling genoemd, doch nu wordt er bijgevoegd, dat als 't ware alle afdeelingen en leden der Vereeniging geacht worden lid hiervan te zijn — nolens volens — doch tevens wordt door den heer B. de Afdeeling Handel gesplitst in de Afdeeling Handel, de Afd. Suikerlevering en de Afd. Verzekering.
Dit nu is onjuist en dat weet de heer B. heel goed. De Vereeniging is gesplitst in de Afd. Vereeniging, de Afd. Suikerlevering, de Afd. Handel en de Afd. Verzekering die alle werken ten voordeele van de leden der Vereeniging (dus niet zooals de heer B. zegt).
Deze Afdeelingen worden afzonderlijk beheerd en hebben niets met elkaar te maken, hoewel ze gezamelljk toch één geheel zijn.
Ook wordt door den heer B. de overgang van de Handelskamer naar de Afdeling Handel niet juist geschetst, want feitelijk bestaat de Handelskamer nog en beide instellingen hebben niets met elkaar te maken en de Afdeeling Handel heeft dus niet den faillieten boedel gered van de Handelskamer.
Verder schrijft de heer B. dat de Afdeeling Handel hoofdzakelijk is opgericht voor den honighandel en dat deze den handel geheel gestaakt heeft en zich getracht heeft te redden door andere transacties, waarbij voor haar meer te verdienen viel, o.a. werd haar door het H.B. ook de suikerlevering opgedragen.
Hier nu slaat genoemde heer den plank geheel mis.
De Afd. Handel werd opgericht doordat er groote vraag was naar GOEDKOOPER imkersmateriaal, omdat de prijzen hiervan veel en veel te hoog waren en bovendien voor den verkoop van de verschillende producten en ik geloof niet (den tijd in aanmerking nemende) zonder succes. De suikerlevering wordt haar niet opgedragen, want de Afd. H. en de Afdeeling Suikerlevering zijn totaal van elkaar gescheiden.
En nu komt de hoofdzaak: „De tegenwoordige Afd. Handel (zegt de heer B.) beschikt inderdaad over het geheele vermogen der Vereeniging, hetzij dan direct of indirect."
Doordat de Afdeeling Handel een onderdeel is van de Vereeniging, is het crediet wat haar geopend kan worden, zeer groot en kan zij, indien noodig, tijdelijk geld leenen van de andere Afdeelingen, wat volkomen correct is. Dus totaal iets anders dan door den heer B. gezegd wordt.
Dit nu is den heer B. een doorn in 't oog. Hierdoor (door dit groote crediet) kan natuurlijk de Afd. Handel in grootere hoeveelheden en goedkooper inkoopen en dus goedkooper verkoopen dan de heer B., doch hierop kom ik nog terug.
De heer B. gaat echter nog verder en haalt opzettelijk of doordat hij niet goed op de hoogte is, wat ik me niet kan voorstellen, de Afdeeling Suikerlevering erbij en wel door het geliefkoosde suikerpotje er bij te betrekken. Hoe het „wonderding" ontstond weet de heer B. als lid van de „Commissie tot nazien der rekening en verantwoording betreffende de Suikerlevenng" heel goed en tevens, dat hierin niets onbehoorlijks gelegen is, doch alles is hem welkom in den strijd tegen de Afdeeling Handel.
Ook betrekt hij hierin het H.B. door dit verdacht te maken. De heer B. schrijft namelijk in meergenoemd naschrift: „Zooals ons weer op de jongste Alg. Verg. te Utrecht gebleken is, begrijpen de meeste afdeelingen en leden der Vereeniging voor Bijenteelt nog niet, welke zonderlinge toestanden zich onder leiding van de meerderheid van het Hoofdbestuur langzamerhand in den boezem der Vereeniging voor Bijenteelt gevormd hebben, enz."
Hoe komt het dan, dat bij de laatste verkiezing twee der leden van het H.B. met verpletterende meerderheid herkozen zijn? Het slot van het naschrift is in denzelfden trant. Dat er leden zijn die zeggen, dat als er geen accijnsvrije suiker te verkrijgen zou zijn, zou ik geen lid der Vereeniging zijn, is treurig genoeg, doch te zeggen, dat de Afdeeling Suikerlevering in 1919 de kurk was, waarop de Afdeeling Handel dreef, is meer dan eene onwaarheid.
En waarom dient de vraag: „Wat moet de suiker in 1920 kosten." De heer B. weet toch heel goed dat de suiker uitsluitend tegen den kostenden prijs berekend en dat de prijs in centen naar boven afgerond wordt.
De heer B. heeft echter belang bij het niet blijven voortbestaan van de Afd. Handel. Hierboven is reeds gezegd, dat door het groote crediet der Vereeniging de Afdeeling Handel goedkooper kan verkoopen dan de heer B., doordat zij bij grootere hoeveelheden én dus goedkooper kan inkoopen én langer crediet kan krijgen.
Nemen we bijvoorbeeld het artikel handschoenen. De heer B. kan bijvoorbeeld een 100 paar koopen, de Afdeeling Handel 1000. Wie betrekt ze nu goedkooper en wie levert het goedkoopst?
De Afdeeling Handel behoeft alleen haar personeel te betalen, de heer B. moet buiten zijn personeel er zelf aan verdienen. Wie kan dus het goedkoopst leveren?
Dat de Afdeeling Handel is opgericht heeft ten slotte de heer B. aan zich zelf te danken, want indien hij indertijd de prijzen niet te hoog gesteld had, was de Afd. misschien niet opgericht geworden. En dat zij uitstekend werkt, blijkt wel uit de opvolgende prijscouranten van de Afdeeling Handel en den heer B. en zien we de heer B. noodgedwongen de prijzen van de Afdeeling handel volgen. En nu gaat het niet aan, dat men bijvoorbeeld zou zeggen, wat heeft men aan de Afdeling Handel en dus aan de Vereeniging, als hare prijzen gelijk zijn aan die van den heer B., doch men moet haar dankbaar zijn dat zij de prijzen drukt en moet het zoover komen (de heer B. heeft het aan zich zelf te wijten), dat alleen de Vereeniging, dus de Afdeeling Handel alle materieel enz., het imkersbedrijf betreffende, koopt en verkoopt.
Ik ben het geheel en al eens met den heer Stienstra in zijn „Afscheid" in het Mei-nummer der Vereeniging, doch wil nog verder gaan dan hij, namelijk dat de Afdeeling Handel nooit sterk genoeg gemaakt kan worden, niet alleen voornamelijk voor den honingverkoop, doch voor alles het imkersbedrijf betreffende.
De Vereeniging dient tot bevordering der bijenteelt in Nederland. Dit moet niet alleen erin bestaan de producten zoo duur mogelijk te verkoopen voor de leden, doch ze moet haar taak zoodanig uitstrekken, dat ze ook alle benoodigdheden zoo goedkoop mogelijk aan beroeps- en amateursimkers verstrekt, want dan eerst bevordert ze met recht de bijenteelt. Iedereen moest dus de Afdeeling Handel der Vereeniging steunen, want deze Afdeeling is tenslotte de belangrijkste, belangrijker nog dan de Afd. Suikerlevering.
De Afdeeling Handel, zooals ze nu werkt, is nog niet wat ze zijn moet, doch wat niet is, kan en moet worden. Hoe ze moet worden hoop ik eens in een ander artikel te bespreken.
In het Mei-nummer van 't Maandschrift der Vereeniging wordt door J.C.J. Baudet voorgesteld eene coöperatieve vereeniging, waarvan ieder lid en Afdeeling zonder verplichting lid en deelnemer kunnen zijn, in plaats der Afd. Handel.
Goed, maar waar moet het bedrijfskapitaal vandaan komen: kan deze instelling dan goedkooper en beter leveren dan de Vereeniging? Het is eene coöperatie, eene instelling dus, die naast het goedkoope leveren aan de leden, rente op moet brengen aan de aandeelhouders, plus natuurlijk een zekere overwinst, want anders is men niet tevreden. En wie is aansprakelijk voor mogelijk verlies? Werkt dit mee tot het goedkoop houden der prijzen?
Neen en nogmaals neen.
De aangewezen weg is, alle imkersmateriëel en producten moeten door de Afdeeling Handel, dus door de Vereeniging verhandeld worden, dan eerst kan men overtuigd zijn, dat men met de minimum-kosten de maximum-opbrengst verkrijgt en de Vereeniging met recht is de „Vereeniging tot bevordering der bijenteelt in Nederland."
R.W. DAHMEN VON BUCHHOLZ, Mei, 1920.