Was.
Wij weten allen, dat de raten gebouwd zijn van was. Deze zelfstandigheid is een taaie massa, geel of meer of minder donker gekleurd. Zuiver was mag niet aan de vingers blijven kleven, gekauwel niet aan de tanden blijven zitten en nagenoeg geen smaak hebben. Bij verbranding mag er bijna geen asch overblijven.
Chemisch bestaat het uit 65 procent cérine, myricine 30 procent en 5 procent céroleïne.
Was is een vetsoort, dat overeenkomt met het vet, zooals wij dat bij zoogdieren (varkens, runderen) kennen. Het ontstaat door omzetting in het bijenlichaam uit suiker.
A. de Productie van was.
Het is van groot belang te weten, welke verhouding er bestaat tusschen de opname van nectar (suiker) en was, met andere woorden hoeveel honig een werkbij noodig heeft om l gram was te kunnen voortbrengen. Het vraagstuk is niet eenvoudig om op te lossen, want meerdere uitwendige omstandigheden hebben invloed op de wasproductie. Houdt men daarmede geen rekening, dan zullen de resultaten van het onderzoek groote verschillen aangeven.
B. Op de wasproductie heeft invloed:
1e. de voeding der bijen.
Het spreekt van zelf, dat de bijen over veel voedsel moeten kunnen beschikken om was in eenige hoeveelheid te kunnen voortbrengen. Honig of suiker alleen is hiervoor niet voldoende, er moeten ook pollen (stuifmeel) beschikbaar zijn. De laatste bevatten eiwit, een organische stof, die voor alle dierlijk leven onmisbaar is. Er moeten daarom veel bloemen in de omgeving der bijenwoningen zijn, wanneer zij behoefte hebben om raten te bouwen; ontbreken deze, is er door welke oorzaak ook daaraan gebrek, dan vermindert de wasafscheiding en kan zelfs in de beste maanden van het jaar tijdelijk bijna geheel stilstaan. Krachtige voeding is dus een noodzakelijke eisch.
2e. de temperatuur.
Wanneer buiten de temperatuur laag is, dan is er bijna geen wasvorming. Zij begint zich op natuurlijke wijze te ontwikkelen, wanneer de luchttemperatuur ongeveer 20 graden C. is. Bestaat er gebrek in de bijenwoning aan wascellen, bijv. in het voorjaar bij een volk, dat op 5 raten overwinterd is, dan kan bij lage temperatuur wel was gevormd worden, maar alleen door een sterk verbruik van honig, dat dan dienst doet als warmtebron (een grootere stofwisseling doet de temperatuur stijgen, o.a. bij koorts).
De onmiddellijke omgeving van een dicht opeen gehoopte bijenverzameling in den korf kan een temperatuur van 21 graden, bij een buiten-temperatuur van 9 graden, van 20 — 33 graden, bij een luchttemperatuur van 15 - 17 graden bereiken. H. Sylviae vond op 12 Mei 1901 en volgende dagen, dat bij een temperatuur van 27 graden in den korf, de bouw der raten langzaam was; bij 32 graden en een matige dracht werd er door een goed volk in 24 uur 2 vierk. d.M. bijgebouwd; bij 36 graden prachtig weer en zeer goede dracht was er sterke ratenbouw. Hoogere temperaturen dan 36 graden zijn niet voordeelig; het was wordt dan week en is moeilijk te verwerken. Het kan ook zijn, dat hoogere temperaturen voor het leven der bijen kritiek worden, zelfs de mensch is niet bestand tegen een inwendigen warmtegraad van 42 graden.
3e. Het leggen van eieren door de koningin.
De raten worden niet alleen voor voorraadkamers voor voedsel gebouwd, maar ook voor ontvangkamers van het broed. Het laat zich goed verklaren, dat de cellenbouw des te sneller zal gaan, naarmate er een grootere behoefte is aan eicellen.
Een leege korf door een nieuwen zwerm betrokken, heeft dringend behoefte aan wascellen voor het opnemen der eieren van werkbijen, want hieruit moeten de arbeidskrachten voortkomen, die het volk in stand moeten houden. Daarom ziet men daar den snelsten ratenbouw.
4e. De ouderdom der bijen.
De werkbij moet 10 - 15 dagen volwassen zijn voor zij wasplaatjes kan voortbrengen, dit vermogen vermindert op den duur en houdt geheel op tegen het einde van haar leven.
Een volk van 20.000 bijen zal 18.000 werkbijen bevatten, hiervan vallen 3.000 af die nog te jong zijn om merkbaren invloed te hebben op de wasproductie en 7.500, die te oud zijn en geen was meer produceeren, zoodat er van de 20.000 slechts 7.500 overblijven om den bouw der raten te volbrengen.
5e. Het jaargetijde.
In 't vroege voorjaar, Maart, April, is 't buiten nog te koud: er zijn nog weinig jonge bijen, de oogst is nog schraal en de koningin legt nog niet zooveel eieren. Al deze omstandigheden maken, dat de wasproductie niet groot is. Einde Mei en in Juni bereikt zij haar hoogtepunt. Dan zijn er veel jonge bijen, is er overvloedig voedsel voor de bijen te vinden, worden er veel eieren gelegd is de temperatuur buiten hoog. Dit zijn alle gunstige omstandigheden.
Wij mogen aannemen, dat in deze periode nog het opleggen van een overschot aan honig zeer goed mogelijk is. Buiten dit tijdperk, dus zonder veel dracht, kan alleen was worden gevormd, doordat de reserve aan honing in den korf wordt aangesproken en wij moeten niet vergeten, dat 20 à 30 kilogram noodig zijn voor de productie van l kilogram was. Wasvorming is een natuurlijk verschijnsel, alleen de bijen zelf moeten behoefte hebben aan uitbreiding van de raten.
Nadert het najaar, dan kunnen wij wel suiker of honing bijvoeren, maar mogen niet verwachten, dat dit voor nieuwen bouw wordt opgenomen als er genoeg cellen in den korf zijn. De bijen weten zeer goed, dat de koningin dan spoedig ophoudt eieren te leggen. Zij nemen het bijvoer wel aan, maar leggen het als voorraad op voor de winterprovisie, was wordt er niet van gemaakt.
Totale stilstand in 't voortbrengen van wasplaatjes is er niet. In minimale hoeveelheid geschiedt het zelfs nog in den winter. Enkele goed gevoede bijen, die een warm plaatsje opzoeken, doen dit. Bij nauwkeurig onderzoek kan men deze plaatsen verspreid op den bodem van de bijenkast terugvinden.
Wordt vervolgd. (juli ’20)
L.J. van Rhijn, Wageningen.