Kijkjes in en om den Bijenstand.
AUGUSTUS.
Augustus kan regenachtig zijn. De temperatuur ligt dan beneden het normale, en er is weinig groeikracht. Het weer wordt dan herfstachtig.
Oogstmaand kan ook warm zijn en de natuur ontwikkelt zich nog zoo krachtig, dat ze eenigszins met de Meimaand is te vergelijken. 't Is de laatste krachtige uiting van 't zomerleven. Bij hitte zwoegen de maaiers op de graanvelden. De oogsttijd is gekomen.
Bij 't korten der dagen kan men een langzame afneming van 't leven waarnemen. De vogels hoort men niet meer en vele maken zich gereed om naar 't Zuiden te vertrekken. In de geheele natuur worden aanstalten gemaakt om den aanstaanden winter te kunnen doorstaan.
Ook het bijenleven neemt steeds af. De zwermdrift is, op enkele uitzonderingen na, voorbij, en het broednest krijgt al minder omvang, terwijl de honigmagazijnen steeds worden uitgebreid.
Sedert eenige eeuwen is het bij de imkers de gewoonte geweest om met Sint-Laurens (10 Aug.) te drijven. Dan is het gewin op de boekweit geëindigd en begint de heide te bloeien.
Dan worden de bijen uit haar honigrijke korven getrommeld, de spijlen uitgetrokken en de raten uitgenomen.
Het sorteeren en behandelen van den honig vereischt kennis en zorg.
De honigoogst bij den ronden korf vordert nog al tijd. Het grootste nadeel schuilt in het vernielen van zooveel broedraten, waarvan men bij imkers met uitgebreide stallen, groote stapels ziet liggen. Deze „broedmoord" op groote schaal, is bij het bedrijf met den lossen bouw geheel voorkomen en hierin schuilt een der grootste voordeelen van den mobielbouw.
Het oogsten mag niet te vroeg geschieden; er moet gewacht worden tot het grootste deel van den honig rijp is. Dan eerst verzegelen de bijen de gevulde cellen. Het proces van 't onttrekken van water aan den nectar en de omzetting in bepaalde suikerstoffen, de toevoeging van mierenzuur enz., moet eerst voorbij zijn. Dan hebben we het sterk geconcentreerde product, hetwelk we honig noemen. De bijen weten door haar instinct den juisten tijd, wanneer de honig rijp is en sluiten dan de cel met een wasdeksel af.
Onrijpe honig heeft minder geur, bevat nog te veel water en laat zich niet zoo goed bewaren. Voor het rijpen en 't verzegelen van den honig is in de bijenwoning een bepaalde warmte noodig. De raten, welke het dichtst bij het broednest staan, zijn het eerste rijp. In de honigkamer, welke boven de broedkamer staat, begint het verzegelen van boven naar beneden.
Het is van belang, dat men bij den honigoogst de raten zoo vlug mogelijk uit die honigkamer neemt en zoo weinig mogelijk rook gebruikt. Werkt men langzaam, zoo knagen de bijen heel wat wasdekseltjes stuk om den honig weer uit de cellen op te nemen. Dit mag vooral bij het winnen van raathonig niet gebeuren. Veel rook doet schade aan de kleur van de raat en aan den geur en den smaak van den honig. Men kan de honigkamer met zijn inhoud ineens afnemen en de bijen, door voorzichtig stooten er uit verwijderen. Het beste is, dat men 's avonds tusschen broed en honigkamer een „bijenuitlaat" legt, waardoor de bijen 's nachts wel naar beneden, doch niet naar boven in de honigkamer kunnen gaan. Zoo'n uitlaat is practisch en niet duur.
Bij het slingeren moet men vooral in het begin voorzichtig draaien. Zware raten worden eerst half geledigd en dan weer eens omgekeerd enz.; anders vernielt men de raten.
Na den honigoogst maakt men de toebereidselen voor de reis naar de heide. Zwakke volken mag men niet meenemen, daar deze de moeiten en kosten van het reizen niet loonen. Men moet dus vereenigen. Moederlooze volken worden leeggeroofd, wanneer men ze naar de heide brengt. Het kan zijn, dat de bijen de eerste dagen na de reis niets winnen. Men heeft daarom te zorgen, dat ze met eenigen voorraad op reis gaan.
Verder zorge de imker:
lo. dat alle raampjes vast aaneensluiten, want tusschen bewegende raten worden bijen gedood en wordt het geheele volk onrustig;
2o. dat alle onderdeden van de bijenwoning buiten- en binnenbakken, bodem enz. vast aan elkander worden bevestigd;
3o. dat de luchtverversching tijdens de reis voldoende zij;
4o. dat zoo wordt geladen, dat de raten evenwijdig loopen met de assen van den wagen.
Het is van belang, vooral bij eenigszins warm weer, om 's nachts te reizen.
Bij aankomst op de heide is het aardig te zien, hoe de bijen onstuimig naar buiten komen en in al grooter wordende kringen rondvliegen om zich te oriënteeren. Is er gewin, dan komen al spoedig enkele thuis met stuifmeel of honig. Kort vóór den honigoogst waren de bijen bij het sterk afnemende boekweitgewin traag, doch thans beginnen ze bij 't ontluiken van de heide weer krachtig op te leven. De broednesten worden weer uitgebreid en nieuwe raten worden gebouwd van mooi wit was. Voor het kweeken van broed zijn de cellen normaal, doch voor het bergen van honig bouwt men dikwijls de groote darrencellen, wat soms zoo haastig gaat, dat de cellen onder een merkbaar scherperen hoek komen, dan de normale met hun stand van 15 graden, op de middenwand.
Toch heeft die krachtige opleving spoedig zijn hoogtepunt bereikt. Dagelijks komen veel meer cellen in 't broednest ledig, dan er van eitjes worden voorzien. De honigmagazijnen worden sterker naar het centrum samengetrokken en merkbaar nemen de korven en kasten in gewicht toe.
Toch is menig imker teleurgesteld, wanneer hij geen honig ziet in de bovenkamer. Men moet niet vergeten, dat de toestand op de heide met de kleine broednesten anders is dan bij het gewin op koolzaad, linde, klaver en boekweit. Daar waren de broednesten groot en zagen de bijen zich genoodzaakt den grooten honigvoorraad boven den rooster in de honigkamer te bergen.
Wie op de heide honig in de honigkamer wil hebben, moet zorgen voor zeer sterke volken, vooral wanneer hij sectiehonig wil oogsten. Men kan dan broedraten bijhangen, of de broedkamer door de scheidingsplank op 7 of 8 raten brengen en zoo de bijen noodzaken om boven den rooster den honig te brengen. Op de heide sterven veel van de oudere draagbijen, welke afgeleefd zijn en bovendien komen er nog al in spinnewebben om. Het is dan ook te begrijpen, dat men op de heide niet laat moet komen. Het eerste gewin is het beste.
Wespen kunnen het de bijen zeer lastig maken op de heide. Mieren zoeken in de woningen soms een warm plaatsje.
In begin Augustus ziet men de bijen op de boekweit en later op de struikheide. Ook vliegen ze op thijm, cichorij, andijvie, zomerkoolzaad, bernagie, salie, phacelia, reseda, sneeuwbes, slangenkruid, enz.
T.C. HOOTSEN.