Een „multiplex"-kast.

In vele boeken over bijenteelt kan men lezen, dat in zeldzame gevallen twee koninginnen, althans gedurende eenigen tijd, vreedzaam in een en dezelfde kast huizen. Wijl geloofwaardige imkers het feit geconstateerd hebben, valt er niet aan te twijfelen. Toch mag het wel beschouwd worden als iets heel buitengewoons. Wat wij echter mogen houden voor iets heel gewoons is dit: wanneer men bij vereeniging van twee volken er voor zorgt, dat de twee koninginnen genoegzaam van elkander gescheiden blijven, dan heeft het vereenigde volk er niet op tegen de twee koninginnen met ieder haar broednest in het leven te laten.

Op dit oogenblik zou een ieder zich van de waarheid dezer bewering kunnen overtuigen op mijn bijenstal, waar drie Thüringer honigkamers op elkaar gestapeld zijn. In de onderste en de bovenste zit een natuurlijk niet al te groot volk met ieder zijn eigen broednest, en deze twee volken hebben als gezamenlijke honigkamer de middelste kast. Bij vereeniging der volken werd eenvoudig een koninginnerooster gelegd tusschen bovenste en middelste kast en verder een koninginnerooster plus een courant tusschen de onderste en middelste kast, en daags daarna was zonder eenige vechtpartij de vereeniging tot stand gebracht.

Omdat de beide volken aan hun eigen vlieggat gewoon waren, liet ik hun dit behouden. Het onderste volk blijft onder invliegen en het bovenste vliegt in door de honigkamer in het midden. Wijl de bijtjes met stuifmeel beladen steeds door den koninginnerooster moeten, is aan het vlieggat in de middelste kast zeker een bezwaar verbonden. Doch dit is bijzaak met het oog op het idee, dat mij bij het beschouwen van mijn twee-koninginnen-kolonie plotseling door het hoofd schoot. Ik stelde mij natuurlijk de vraag: wat nadeelen en wat voordeelen zouden er aan verbonden zijn. Indien men voortbouwend op voornoemd vaststaand feit, eens een reuzenkast bouwde, waarin verschillende volken schiedlich friedlich, d.i. gescheiden en toch ook met elkander vereenigd, hun onderkomen zonden vinden? Naar mijn bescheiden meening zouden als goede hoedanigheden van zulk een kast (laten we ze maar in tegenstelling van de „Simplex" (d.i. eenvoudige), de „Multiplex" (d.i. veelvoudige) noemen), de volgende aan te merken zijn.

1. Voor de vervaardiging van zulk een kast (laag raam in kouden bouw), welke bijv. vijf normale volken zou kunnen bevatten, zal men iets minder hout noodig hebben dan voor 5 geheel zelfstandige kasten.

2. Veronderstellen wij, dat wij in onze kast, die vanzelf iets van den vorm van een doodkist hebben zal, drie volken overwinteren, dan zal er iets vóór zijn, dat wij hun een plaats geven in het midden. Door dunne tusschenschotten van elkaar gescheiden zullen ze van elkanders warmte profiteeren. Zijn voor- en achterwand van de kast van niet al te dun hout, dan zal men zoo goed als geen andere winterverpakking behoeven aan te wenden.

3. In het voorjaar zien we, of de drie koninginnen in orde zijn en houden er verder het oog op of de broedruimte voor onze volken voldoende is. Komt het middelste volk ruimte te kort, dan schuiven we de twee, hetzelve flankeerende, volken wat op. Wijl ik het vlieggat der middelste kast in het midden heb aangebracht en die der andere volken zoo ver mogelijk van dit middelpunt verwijderd, bestaat bij verhanging der raampjes van dien kant geen bezwaar. Is een volk moerloos geworden, dan kunnen we dit volk al heel gemakkelijk met het andere of de andere vereenigen. Doch dit alles zijn nog slechts betrekkelijk kleine voordeelen in vergelijking met de volgende.

4. Komt langzamerhand het tijdstip, waarop door drijfvoedering of rijke dracht de zwermdrift al grooter en grooter wordt. Het geven van nieuwe ruimte helpt niet meer om het zwermen te verhinderen. Wat zal ik nu doen?
Wil ik absoluut in deze kast jonge koninginnen telen, dan schuif ik de beide zijdevolken ieder aan het uiterste einde van de kast, geef hun een nieuw vlieggat, en de eerste dagen wat water en laat het raampje met koningin, en genoegzaam andere liefst uitgebouwde raten als nummer twee, en zitten de volken van elkaar gescheiden door goed sluitend tusschenschot.
Nu heb ik vijf volken in mijn kast. Nummer één en vijf belet ik te zwermen, door bij het tuten der eerst uitgeloopen koningin, alle koninginnecellen te vernielen. In nummer twee en vier mogen de twee oude koninginnen zooang blijven leven, tot de jonge naburen bevrucht zijn en dan worden de oude gedood en kast twee en vier dienen als honigkamer; nummer twee als honigkamer voor een en drie en nummer vier als honigkamer voor drie en vijf.
Wat betreft de middelste kast: met haar handelt men naar omstandigheden. Zouden we door tijdige beperking van het broednest den zwermlust van dit volk geheel in bedwang kunnen houden, dan zou daardoor m.i. een groot voordeel bereikt worden. Waarschijnlijk zal wel geen enkel imker het in twijfel trekken dat in de kast, zooals ik mij die in mijn verbeelding denk, de omhangmethode en tevens de separatiemethode zeer gemakkelijk uitgevoerd kunnen worden. Indien bij de hoofddracht mijne drie volken, respectievelijk door koninginneroosters en een honigkamer van elkander gescheiden, zich flink ontwikkeld hebben, dan zal er in de hionigkamers heel wat nectar opgeborgen worden.
Doch, zoo hoor ik al een of anderen lezer inbrengen: ditzelfde kan ik ook bereiken in mijn Simplex met dubbele broedkamer en daarom wil ik even de aandacht vestigen op een voordeel, dat volgens mijne meening op geen andere wijze is te bereiken.

5. In al de appartementen van mijn Multiplex moet van lieverlede ondanks de drie koninginnen,een gemeenschappelijke nestreuk heerschen. Maar als dat zoo is, dan moet het verhangen van raampjes van de eene afdeeling in de andere al heel gemakkelijk zijn. Hoe dikwijls is het in den zomer raadzaam, dat de zwakkere volken door broedramen uit andere kasten versterken. Dit is nu juist niet zoo'n aangenaam werk. Niet alleen stoort men de bijen daardoor erg in haar werk, maar zelfs kan de koningin en menig bijtje door de geweldige beroering in het gedrang komen en door het afvegen der raten kan men niet zooveel bijen transporteeren als men gaarne zou willen.

In bovengenoemde kast zou het op gelijkmatige sterkte houden der volken door broedramen te verhangen, zeer gemakkelijk zijn. Als de geheele kolonie denzelfden nestreuk heeft, dan behoeven geen bijen meer afgeveegd te worden en heeft men er slechts op te letten, dat men de koningin niet mede verplaatst. Dat de individueele reuk van elke koningin in zulk een kast ook zoodanig gemodificeerd zal worden, dat men zelfs deze zonder eenige voorzorgsmaatregelen zal kunnen verwisselen, zou ik niet durven beweren, zonder eerst deugdelijke proeven te hebben genomen. Vermoedelijk zal dit in een periode van sterken broedaanzet niet mogelijk blijken. Maar het verwisselen der koninginnen zelf zal ook wel zelden noodzakelijk zijn.

Dat eene kast, zooals boven beschreven werd, door een geroutineerd imker niet zonder succes zou gebruikt worden valt, dunkt me, niet te betwijfelen. Dat zij hare nadeelen heeft, ontveins ik mij niet. Om er mee te reizen zijn ze ongeschikt, of men zou voor het transport daarvan een soort lorriewagen disponibel moeten hebben.

Over de constructie van genoemde kast wil ik verder niet uitweiden. Het ligt voor de hand, dat over de geheele lengte de vlieggaten verplaatsbaar moeten zijn. In de bodemplank moeten op afstanden kleine gaten met afsluitingen aangebracht worden om desnoods van onder te kunnen voederen. Behoeft boven geen plaats te zijn voor voedertoestellen, dan zal het dak op de kast, dat men het best zoo maakt, dat het opgeklapt kan wonden, betrekkelijk zeer licht kunnen zijn.

Vraagt men mij, welke raampjesvorm zich het best zou leenen voor de „Multiplex", dan moet ik daarop het antwoord schuldig blijven. Zooals er tot nu toe geen korven of kasten of raampjes zijn uitgevonden, die in alle opzichten voldoen, zoo zou ook het gewone Simplexraam zijn voor- en nadeelen hebben. Persoonlijk voel ik veel voor dit raampje, omdat in de praktijk gebleken is, dat het bij alle manipulaties gemakkelijk te behandelen is. Meer „dem Bien genehm", d.i. meer overeenkomend met de werkwijze der bijen, zou allicht een raampje zijn, dat iets hooger is dan het Simplexraam, maar van dit raam zou daarbij niet kunnen gezegd worden, dat het evenzoo „dem Imker bequem" d.i. gemakkelijker voor den imker als het eerste is. Als de honig geslingerd moet worden, zijn kleine raampjes volgens mijne meening veruit het gemakkelijkst.

Doch hierover genoeg; dit alles valt eigenlijk buiten het kader van dit artikel, dat slechts ten doel heeft het idee van een Multiplex-kast, zooals ik mij die in den geest heb voorgespiegeld, eens ter ernstige overweging voor te leggen aan de lezers van dit Maandschrift, onder wie buiten kijf menig in de imkerij vergrijsde bijenman is, die op het gebied van bijenwoningen meer theoretische kennis en ervaring heeft dan ondergeteekende. In al de boeken over bijenteelt, die mij ter beschikking stonden, vond ik geen gewag gemaakt van een reuzenkast, zooals ik mij die voorstel. Misschien geldt het echter ook hier, dat er niets nieuws onder de zon is, en dat een Multiplex in een of ander hoekje van de wereld reeds lang gebruikt is geworden en dat er reeds voldoende proeven mee genomen zijn. Door mededeelingen hieromtrent en verder door kritische beschouwingen in onze bijenteelt-tijdschriften-correspondentie, zal mij een ieder ten zeerste verplichten. Zou dan werkelijk blijken, dat de kast deugdelijk en practisch is, dan is aan de bijenteelt een dienst bewezen; blijkt ze ondeugdelijk en onpractisch (wat niet licht het geval zal zijn, daar men ze desnoods altijd nog als aparte kasten kan gebruiken), dan zullen we dra onze „doodkist" zonder eenig praalvertoon ten grave dragen.

Met imkersgroet,
J. v.d. VEN, Groesbeek, A 170.