Propolis.
Propolis is een soort gomachtige hars, roodachtig bruin gekleurd. Het wordt door de bijen verzameld van de knoppen van sommige boomen (populier, kastanje en van naaldhout). Deze zelfstandigheid, die aan de lucht blootgesteld hard, en bij verwarming week wordt en de eigenschap heeft tot draden te kunnen worden uitgerekt, wordt evenals de pollen, in de korfjes der achterpooten thuis gebracht. De massa der pollen is dof, die van propolis glimmend.
M. Astor heeft de aandacht gevestigd op het feit dat de bijen, die met propolis beladen den korf binnen komen, de achterpooten dicht bij elkaar houden, om zoodoende weinig plaats in te nemen, en hun metgezellen niet te besmetten met deze kleverige stof.
Propolis wordt door bijen voor verschillende doeleinden gebruikt. Het dient om openingen in haar woning dicht te maken, doode dieren, die zij niet uit kunnen dragen, te omhullen en zoo te conserveeren. Vermengd met was, dient het om de vliegopening te vernauwen.
M. Huber zag bijen propolis uitrekken tot draden en daarvan een soort stokjes maken, welke werden aangebracht in de hoeken der cellen aan de laterale zijden der raten, om deze een grootere stevigheid te geven. Wordt zoo'n gedeelte van een raat in kokend water gebracht, dan smelt het was, de versterking der cellen door propolis echter niet. Deze laatste blijven in hun verband en geven den vorm der cellen nog aan. Dezelfde waarnemer merkte bovendien op dat, wanneer door omstandigheden de bouw der raten tijdelijk wordt gestaakt, de werkbijen de onafgewerkte cellen met een rand van propolis omzoomen om vormverandering te voorkomen. Staat de ratenbouw in een zomer dikwijls stil, dan kan men het aantal daarvan vaststellen door de ringen van propolis.
Sommige streken leveren zooveel propolis op, dat de deklaag op de raampjes zoo stevig wordt vastgekleefd, dat een hefboom noodig is om de verbinding los te maken. Wij hebben nog geen middelen gevonden om dit te voorkomen, vooral als er veel dennen bij den bijenstal staan, kan die soliede hechting lastig zijn. Soms ziet men bijen het vernis van pas geverfde voorwerpen weghalen; is toevallig een doodkist in dezen toestand onder hun bereik, dan kunnen zij daar ook op af komen. Hierop berust de meening, dat de bijen de lijkkist van hun gestorven meester, komen bezoeken. Dit is mogelijk, als deze pas gevernist is en de bijen toegang vinden.
Propolis is een kleverige stof en kan als grondstof voor bijen worden gebruikt. Gezuiverd en onder zachte verwarming (het mag niet koken), vermengd met was en lijnolie (½ deel was, 1 deel propolis, 2 deelen lijnolie), geeft het een uitstekend vernis, dat duurzaam is.
Eertijds werd het zelfs als geneesmiddel gebruikt bij open wonden. Knoppen van den populier, in slaolie gelegd, waren vroeger een huismiddel bij verwondingen. Feitelijk is dat een imitatie van perubalsum, tegenwoordig het middel om te verbinden.
WATER.
Er wordt heel wat water door een bijenvolk gebruikt, het is onmisbaar voor 't maken van 't voedsel voor 't broed, voor de bijen zelf en voor 't weer vloeibaar maken van gekristalliseerden honig.
Volgens een berekening van M. Leijens met een daarvoor ingericht waterreservoir verbruikten van 10 April tot 31 Juli veertig volken 187 L. water.
M. Aster noteerde het waterverbruik bij 50 volken in 8 maanden en vond voor Januari 5, Februari 55, Maart 60, April 97, Mei 86, Juni 65, Juli 56, Augustus 40 L., te zamen 464 L.; hieronder is niet begrepen, wat de bijen aan water buiten het reservoir hebben opgenomen.
Zooals wij zien, is het verbruik 't grootst in Maart, April en Mei, als er veel broed is; het wordt kleiner als er veel dracht is en de koningin minder eieren gaat leggen.
's Winters vinden de bijen in den korf door den neerslag van haar ademhaling en uitzweeting het noodige water.
De jonge bijen, die voor 't eerst uitgaan, worden belast met 't halen van water. Is het slecht weer, dan komen er vele om. M. Laijens vond een verlies van 3000 tot 3500 bijen op één dag bij een krachtig volk, alleen door deze oorzaak.
Het is daarom van praktisch belang water in den korf zelf beschikbaar te stellen, bijv. met een ballon. Desnoods kan in de onmiddellijke nabijheid wat honig worden neergelegd om de bijen te lokken. Hierdoor worden de gevaarvolle reizen naar buiten zooveel mogelijk voorkomen. Wij zien in het vroege voorjaar, ook als het guur en koud is, meerdere bijen uitvliegen en zonder zichtbare oogst weer thuiskomen; dat zijn de waterdragers.
De bijenmaatschappij kent gelukkig geen voorschriften voor arbeidstijden, die doen haar werk ten bate van haar gemeenschap, ook al eischt dit meer dan 8 uren arbeid. Het aantal reizen, noodig om 1 L. water aan te voeren in den korf, wordt geschat op 25000. Een liter = 1000 gram, iedere reis geeft dus 1/25 gram. De vroegere medici rekende 15 druppels voor een gram gewicht, dus ieder reis brengt ongeveer een halve druppel op. Het is een reuzenarbeid een L. vol te krijgen, door er telkens ½ druppel in te laten vallen. Het gaat in werkelijkheid ongemerkt.
Bij zoogdieren wordt de urine druppelsgewijze door de nieren afgescheiden en opgevangen in de waterblaas. Ik herinner mij, dat op een bivak een merrie niet wilde wateren - en daardoor doodsbenauwd werd; ten einde raad werd de merrie in den stal op stroo geplaatst en ziet, nauwelijks voelde zij de blijkbaar aangename aanraking van de stroohalmen, of daar kwam de boel los, de stal overstroomde haast. Hier was de massa toch ook druppelsgewijze bij elkaar gekomen, omdat wij daar niets van zien valt het niet op.
Het waterverbruik staat verder in nauw verband met de dracht; is er veel nectar te halen, en is deze sterk waterhoudend, dan wordt de behoefte aan water in natura vanzelf kleiner, omgekeerd neemt de behoefte aan water toe, als er weinig dracht is of de nectar geconcentreerd, dus minder waterhoudend is.
ZOUTEN.
Eerste klasse imkers zeggen: de bijen hebben zout noodig; (het doet denken aan het klipzout in de ruif van paarden, op raad van een vakman), want het bewijs daarvoor is gelegen in het feit, dat bijen bij voorkeur gaan drinken aan 't vuile water van een mestvaalt. Het is echter zeer goed mogelijk, dat die voorkeur alleen ontstaat, omdat dit vuile water stikstofhoudend is. Stikstof is onmisbaar in 't voedsel voor het broed; ontbreekt voor bijen de gelegenheid het elders te krijgen, dan maken zij van den nood een deugd; want 't aftreksel van mest bevat stikstof. Nimmer is aangetoond, dat bijen aan 't strand der zee kwamen drinken, daarentegen wel, dat zij den voorrang gaven aan zoet - boven brak water. Overigens is het niet per see verkeerd een weinig zout in 't drinkwater op te lossen. M. Dadant geeft aan een handvol op 4 L. -water (zooiets als een halve emmer).
Wageningen, 12 Mei 1920.
L.J. VAN RHIJN.