INGEZONDEN.

Utrecht, 23 Sept. 1920.
M. de R.!

Met voldoening las ik in het laatst verschenen Maandblad het ingezonden stuk van den heer Leenmans; en weet U waarom?
Twee jaar heb ik dezelfde resultaten gehad als deze heer. Aan onvoldoende practische kennis gaf ik de schuld, doch nu ik verneem, dat anderen het ook niet tot de gewenschte resultaten, n.l. geen zwermen en 100 K.G. honig (ik had maar op 100 pond gerekend), konden brengen, ben ik in mijn oogen weer eenige sporten gestegen op de imkerladder.

Zie hier de resultaten, die ik verkregen heb.
Ik heb in 1919 geimkerd met 2 eenigszins gewijzigde O.-B.-kasten, ook in „De Wonderen van het Bijenvolk" beschreven.
Broedraam b.w. 34½ x 23 c.M.
Honigraam b.w. 34½ x 11 c.M.

KAST 1, laag vlieggat en gewone behandeling. Verlangd werd 1 zwerm en zoo mogelijk honig.
12 Juni gezwermd. Moederstok verplaatst en zwerm op de warme plaats. Kast l gaf geen nazwerm en 20 pond honig.
Reizen naar de heide doe ik niet.

KAST 2, hoog vlieggat.
1 Mei 1e h.k. opgezet. 23 Mei 2e h.k. daaronder gezet. 10 Juni 3e h.k. daaronder gezet. 15 Juni, 3 dagen na mijn 1sten zwerm, gaf kast 2 een reuzenzwerm. Tijdens mijn afwezigheid had mijn vrouw hem in een korf geschept.

Na uit de 40 raampjes de koninginnedoppem op één na weggebroken te hebben, wilde ik den zwerm zonder moer teruggeven.
Ik stortte den zwerm op een laken en ging vol moed aan het zoeken. Na een uur vruchteloos zoeken, gaf ik het op en heb den zwerm toen maar opgezet.
Kast 2 zwermde niet meer en gaf ongeveer 30 pond honig. De 4e honigkamer heb ik na het zwermen maar achterwege gelaten.

De honigkamerramen had ik gedeeltelijk met kunstraat gevuld, in 't midden heele vellen en aan de kanten smaller wordende reepjes. Ze waren alle mooi volgebouwd en de beide volken waren sterker dan de beide volken van kast 1.

In het loopende jaar gaf de hoogvlieggat-kast al spoedig een sterk volk, zoodat ik 15 April reeds een uitgebouwde h.k. opzette. In Mei was hier de dracht slecht, zoodat ik in 't laatst van Mei voederde. 15 Juni kreeg ik mijn 1e zwerm uit een kast met laag vlieggat. 18 Juni, dus weer 3 dagen later, den zwerm uit mijn hooge kast.

Zooals ik reeds zeide, was het volk verbazend sterk, doch had betrekkelijk weinig voorraad. Trouwens al mijn volken. Ik keek de 50 raampjes na (een heel werk) en sneed een 12-tal moerdoppen weg; na een week keek ik ze nog eens na en bevond de eenigste moerdop nog niet uitgeloopen.

29 Juni vloog er uit een kast een zwerm en viel in een klein bessenboompje. Ik zette een korf er bij en 's avonds zaten ze alle daarin. Ik plaatste den zwerm op de oude plaats, en zette den moederstok met een scheidingsplank boven den zwerm.
Den volgenden dag vond ik 1 M. van het bessenboompje de moer dood met een handjevol bijen. 30 Juli, om 4 uur, zwermde tot mijn venbazing de hooge kast weer en viel zoowaar op de vliegplank van den moerlooze zwerm. Wat een bijen, wat een bijen, als hagel vielen ze uit de lucht. Voorwaar een mooi gezicht.
Maar — was nu de hooge kast zonder koningin? Een maand nadien bleek gesloten broed aanwezig. Blijkbaar had ik een moerdop niet opgemerkt.

De honigoogst was bij mij slecht. De hooge kast gaf uit zijn 4 honigkamers slechts 10 pond honig. De andere 3 volken bij elkaar ook 10 pond, en ze hebben nagenoeg geen voorraad. Dezen keer had ik uitgebouwde honigkamers opgezet.
Ik heb nu de schuld gegeven aan de slechte dracht en aan het feit, dat in de hoogvlieggat-kast oranjegeringde bijen gekomen waren. Blijkbaar had de jonge koningin het vorige jaar een Italiaansche huwelijksreis gemaakt.

Thans ben ik mijn goudrokjes weer kwijt. Nu zijn bij mij in de omgeving nog al wat volken gekomen 't laatste jaar. Zoover ik weet een 20 kasten en een 60 korven. Zou ik daaraan mijn slechte honigresultaten te wijten hebben?

In 't kort is dus de uitkomst van het hooge vlieggat bij mij in 2 jaar geweest:
1e. sterk volk.
2e. zwerm 3 dagen tegengehouden.
3e. honigopbrengst 1/3 grooter.
Een nadeel is het nazien. Of ik 10 of 50 raampjes moet nakijken is een groot verschil.
Daarom wilde ik het volgend jaar de separatie of de omhangmethode toepassen. Maar aangezien mijn maandbladen met Februari 1919 beginnen, kan ik daar niets in vinden.
Beleefd verzoek ik daarom zoo mogelijk in een van de winternummers daar en beschrijving van. O.m. ook de beste tijd voor het omhangen.

Tenslotte nog een vraag. Dicht bij mijn bijenstand is een gemeentelijke barak geplaatst voor daklooze gezinnen. Deze werd dezen zomer nogal eens ontsmet met lysol en dan is de omgeving verpest. Naar mijn meening waren de bijen die dagen wat suf. Zou dat waar kunnen zijn of is dat een vooroordeel van mij?

Bij voorbaat dankend, verblijf ik met imkersgroet,
Hoogachtend,
R. JONKER, Vossegatschedijk 44, Utrecht.



Bijschrift.
In het volgend nummer hopen we uw vraag te beantwoorden en in een der winternummers zullen we de omhang- en ook de separatie-methode behandelen. De laatste met een vijftal variaties. Naar aanleiding van het schrijven van den heer Leenmans hadden we reeds een artikel geschreven over „De beteekenis van 't zwermen en de zwermverhindering", ook om aan te toonen, dat de „methode Richard", geen methode is. Door gebrek aan ruimte konden we dit thans niet plaatsen. We meenden, dat uw stuk eerst moest voorgaan.
DE RED.