Over de „Taal der Bijen".

(Vervolg van Sept.).
Bij deze gelegenheid kon ik ontelbare malen het volgende opmerken:
Aan het einde van iedere voederingsperiode zwermen misschien wel 50 - 100 bijen om de plaats en verdringen zich om het leege schaaltje. Maar reeds na eenige minuten neemt dit getal merkbaar af, langzamerhand vervliegen ze meer en meer en ten slotte is de plaats bijna geheel verlaten, slechts af en toe komt eene bij aangevlogen, als om na te zien, of er weer niet wat te halen is. Vindt ze niets, dan keert ze na kort zoeken in de woning terug. Zoodra men echter suikerwater geeft en de eerste bijen met gevulde honigmaag in de woning terugkeeren, komen ook de andere aangevlogen en reeds na eenige minuten is bijna de geheele bijenschaar, die op de onderzoekingsplaats was gemobiliseerd.

Hebben de eerste bijen, die het schaaltje gevuld vonden, het den anderen verteld dat er weder voeder was? Naar v. Buttel-Reepen moest men aannemen, dat de bijzondere vliegtoon van de haastig naar het voeder terugziende dieren de andere tot navliegen genoodzaakt zou hebben. Maar het probleem is ingewikkelder dan het op den eersten blik wel schijnt. Een volk van gemiddelde sterkte bestaat uit circa 30,000 bijen. Duizenden van deze zijn op mooie dagen bezig nektar en stuifmeel te verzamelen. Slechts een klein deel van hen vormt de circa 100 dieren, die naar onze voederplaats komen. Waarom blijft deze gedurende de voederpauze onaangeroerd door de duizenden, die doorloopend van bloemenbezoek thuis komen, en waarom komen zij in beweging, zoodra slechts een of twee tot hare groep behoorende, met gevulde honigmaag thuiskomen? Ik zag geene andere mogelijkheid dan aan te nemen, dat de aan eene bepaalde voederplaats komende bijen in de woning met elkaar in nauwe betrekking blijven, en elkaar tot op zekere hoogte kennen. Daarin heb ik me bepaald vergist.

Van verdere onderzoekingen op de voederplaats was niet veel te verwachten. Men moest zien wat in de woning gebeurt. Voor dit doel liet ik een bijenkast vervaardigen, waarin de raten niet, zooals gewoonlijk, achter en boven elkaar aangebracht waren, doch alle naast elkaar, zoodat men door de glasvensters beide zijden van alle raten en alle bijen in de kast kon zien. Door kleine kunstgrepen in den bouw der kast was het den onderzoeker mogelijk vanuit zijn post die helft van het inwendige van de woning, waar dat gebeurde wat het meeste van belang was, en tegelijkertijd ook alle het vlieggat passeerende bijen en de op 2 M. afstand van de vliegplank verwijderde voederplaats, te overzien.

Alle bij het onderzoek te gebruiken bijen werden volgens een eenvoudig systeem genummerd, zoodat ieder enkel dier op de voederplaats, zoowel als in het inwendige van de kast, gemakkelijk te herkennen en met geen der andere bijen uit dit volk verwisseld kon worden. Er werden meestal slechts circa 20 bijen tot de voederplaats toegelaten én genummerd. Alle nieuwe (ongenummerde) dieren, die er later nog bijkwamen werden dadelijk gedood.
Weliswaar is die toename van de aanvliegende bijen, zoodra na een langere pauze weer suikerwater gegeven werd, veel opmerkelijker, als een grooter aantal de voederplaats kent. Om het overzicht niet te verliezen, was deze beperking echter noodig. Dat het natuurverschijnsel ook zoo duidelijk is, diene een voorbeeld.

In den morgen van 25 Juli 1919 liet ik een nieuwe groep van 24 bijen op de voederplaats komen en nummerde ze. Om 12 uur 15 min. n.m. verwijderde ik het voederschaaltje en plaatste het weer om 2 uur 34 min, n.m. Na deze meer dan 2-urige pauze schenen de dieren het zoeken naar het suikerwater geheel opgegeven te hebben, het duurde een vol half uur, tot eindelijk om 3 uur 5 min. de eerste bij en wel no. 24. naar het schaaltje kwam vliegen. Ze zoog zich vol en keerde om 3 uur 9 min. in de kast terug. Na 2 minuten, om 3 uur 11 min., kwamen no. 5 en no. 16 naar het voederschaaltje, om 3 uur 12 min. no. 17, een halve minuut later no. 6 en om 3 uur 13 keerde no. 24 van de woning naar het schaaltje terug, na 1 minuut door no. 2 gevolgd, zoodat reeds nu, 5 minuten na den eersten terugkeer van no. 24, nog vijf bijen naast haar aan het schaaltje zaten, wier komen klaarblijkelijk door haar veroorzaakt was. En terwijl zich voordien dertig minuten lang geen enkele bij op de voederplaats vertoond had, vinden we een half uurtje later driekwart van de bijengroep van 's morgens druk bezig met het inzamelen van suikerwater.

Doordat wij bij deze proef de dieren genummerd hadden, vernemen we iets nieuws. Men zou kunnen denken, dat de eerste beladen thuiskomende bij, bij haar terugkeer naar het voedsel, andere met zich meebrengt. In de juist besproken proef waren echter, na thuiskomst van de eerste, vier bijen naar het suikerwater gekomen, nog voordat die de woning weer verlaten had. Bijna lijkt het alsof zij door de eerste door een of ander teeken gestuurd worden. En dat zooiets dergelijks plaats vindt, daar kunnen we ons het beste van overtuigen als we letten op wat er gebeurt op de raten.

Gedurende een voederpauze zitten de genummerde bijen niets doende op de raten, over het algemeen niet ver van het vlieggat verwijderd. Af en toe komt er leven in een van haar. Zie wordt onrustig, begint rond te scharrelen gaat langzaam benedenwaarts in beweging, verlaat de kast en vliegt naar de voederplaats. Vindt ze daar geen suikerwater, zoo keert ze weer terug, loopt langzaam over de raten omhoog en komt hier of daar tot rust, zonder iets opvallends te toonen.

Geheel anders, als intusschen het voedingsschaaltje gevuld geworden was. Dan vult ze haar honigmaag, vliegt de kast in, en nu loopt zij, alsof ze koortsachtig opgewonden is, langs de raten omhoog, houdt af en toe stil, om suikerwater aan andere bijen, die daarop schijnen te wachten, af te geven, en dan gebeuren er tooneeltjes, zoo bekorend en boeiend, dat men ze niet in droge woorden schilderen kan.

Ze begint een dans, een „Werfdans", kan men zeggen, die haar naaste omgeving zichtbaar in opwinding brengt. De dans bestaat daarin, dat zij met groote snelheid in een kring rondtrippelt, daarbij echter dikwijls 180 graden van richting verandert, zoodat de richting doorloopend wisselt. De kringen zijn klein, in hun midden ligt meestal een cel, op de 6 aangrenzende cellen loopt de bij rond, beschrijft een tot twee kringen in ééne richting; dikwijls ook slechts een halven of driekwart kringboog, om dan plotseling keert te maken en zich in tegenovergestelde richting verder te draaien. Zoo doet zij het op dezelfde plaats 3, 5, 10 seconden, ja dikwijls een halve minuut lang. Dan gaat ze een stukje verder, om op een andere plaats het spel te herhalen, of ze breekt reeds nu de dans plotseling af, gaat in groote haast naar het vlieggat en keert op de voederplaats terug.

Evenzoo karakteristiek als dit bedrag is, is de reactie, die het bij de andere opwekt. Zoodra de bij den dans begint, keeren degene, die het dichtst bij haar zitten, en met haar in directe aanraking komen, haar de kopjes toe, probeeren de uitgestrekte voelsprieten aan haar achterlichaam te houden en trippelen zoo achter haar aan, de vlugge kringen met haar mede makende.

(Wordt vervolgd)

K. von Frisch