Imkerij in het Buitenland.

Is de Hollandsche plattelands-imker wel zoo oer-conservatief als hij meestal wordt geteekend?
Wanneer je zijn kinderen naar een groote stad verplaatst, verbaast men zich, hoe vlug ze door het nieuwe worden aangetrokken. Als boertjes komen ze en na een paar maanden ziet men ze met trench-coats, beige deukhoeden, bruine laarzen met gekleurde dassen, zakdoeken, kousen enz. De vrouwelijke telgen van de plattelandsbevolking nemen ook binnen bijzonder korten tijd de lage halzen, à Jour kousen, hooge hakken van de stadsdames over. Hier dus geen conservatisme, maar een bedenkelijk spoedig overnemen van het bedenkelijke.

Ik vraag me wel eens af of het niet onze actie is, waarop zoo conservatief wordt gereageerd en dat dit wel zou veranderen, wanneer wij de kwestie anders aanpakten.
Het zijn echter heusch niet alleen de plattelandsimkers, wien het verwijt van conservatisme treft, ook die der steden vertoonen dikwijls een heilige vrees voor het nieuwe. Vertelt men hun bijv., dat men het een of ander in een buitenlandsch tijdschrift heeft gelezen, dan heet het dadelijk: Ja, dat is goed voor daar, maar dat kun je hier toch niet toepassen, het klimaat is te ongedurig, het honigt hier te kort, enz. Het zijn argumenten, maar ze klinken me wel eens als dooddoeners in de ooren.

Met uw goedvinden, geachte redactie, stel ik me voor, zoo nu en dan eens een greep te doen in buitenlandsche tijdschriften en boeken; mocht het naar voren gebrachte reeds zijn toegepast, dan hoop ik, dat men tot leering van mij en anderen, zijn ervaring zal mededeelen.

1o. Wij hebben allen meer of minder last van het vastzitten van raampjes, afstandsblikjes e.d. De bekende Iersche imker Rev. J.G. Digges, M.A. Webster en o.m. ook W.B. Webster, bevelen hiertegen aan het hout en het blik met vaseline te bestrijken door middel b.v. van een ouden tandenborstel. Daar mijn bijen reeds zijn ingewinterd, kan ik het huismiddeltje thans nog niet beproeven, het volgend jaar probeer ik het zeker.

2o. Voor het bedwingen der bijen bevelen bovengenoemde heeren en ook Dr. Enoch Zander aan met Carbol (ruwe, roode) gedrenkte doeken te gebruiken. Een vijf procent vermenging met water, voor het gebruik goed geschud, wordt op een doek gesprenkeld. Een aan twee kanten overlangs doorboorde kurk vergemakkelijkt het gelijkmatig bevochtigen. Wordt de doek over de ramen getrokken, dan gaan de bijen naar beneden. De kans, dat bijen of de koningin bij het opzetten van honigkamers, het opleggen van roosters worden beschadigd of gedood, wordt hierdoor tot een minimum teruggebracht. Wil men het middenraam (een proefraam, waarover ik het later hoop te hebben) raadplegen, dan trekt men het Carbolkleed over de ramen, tegelijkertijd met het lostrekken van het gewone dekkleedje. Behalve het eene raampje, dat men wil uitlichten, blijft de geheele broedkamer dus gesloten. Van opbruisen of overkoken der bijen heeft men geen last, vooral ook niet, wanneer men een in het Carbolmengsel gedrenkt veertje in het vlieggat stopt. Voor later gebruik bewaart men de carboldoeken in een gesloten bus.

3o. In de Hollandsche Bijenliteratuur verzekert men steeds, dat tweejarige koninginnen de meeste eieren leggen. Schrijft men elkaar na of berust die uitspraak op eigen ervaring? De kortelings gestorven Duitsche imker Emil Preuss, een man, die ook herhaaldelijk in zijn boeken klaagt over wispelturigheid van het weer bij Potsdam, en ook over de karige honigweide aldaar, beweert, dat éénjarige koninginnen het meest leggen. Ziehier zijn cijfers:

In 1894 leverden 8 volken met een tweejarige koningin gemiddeld 40.5 pond honig.
In 1894 leverden 26 volken met een éénjarige koningin gemiddeld 43.01 pond honig.
In 1895 leverden 9 volken met een tweejarige koningin gemiddeld 43 pond honig.
In 1895 leverden 22 volken met een éénjarige koningin gemiddeld 49.5 pond honig.
In 1896 leverden 5 volken met een tweejarige koningin gemiddeld 35 pond honig.
In 1896 leverden 26 volken met een éénjarige koningin gemiddeld 43.7 pond honig.
In 1898 leverden 12 volken met een tweejarige koningin gemiddeld 41.6 pond honig.
In 1898 leverden 23 volken met een éénjarige koningin gemiddeld 42.6 pond honig.

Alleen 1897 gaf in tegenstelling met de andere, hierboven genoemde jaren een vermindering van 8 pond. Preuss vertelt niet, waaraan hij dit meende te moeten toeschrijven. Bovenstaande verschillen, t.w.: 2.6, 6.5, 8.7 en 1 pond moeten onze boekhoudende imkers toch wel aansporen de cijfers van vader Preus te controleeren.

Vreezend dezen keer te veel ruimte van uw blad in beslag te nemen, zal ik mijn strooptocht thans staken. Wanneer gij, geachte redactie en de lezers, er belang in stellen, wil ik in een der volgende nummers vertellen, hoe Amerikaansche imkers door een veranderde wijze van draadspannen in de raampjes de broedruimte met 20 pct. vermeerderen, hoe daar in het gure voorjaar het volk belet wordt uit te vliegen en daardoor voorkwam het verkleumen van l½ pond bijen per kast, hoe . . . . maar laat ik er niet op vooruit loopen.

F.J. VAN PAASSCHEN,
's Gravenhage, October 1920.