Huiswaarts.

De heide heeft niet gegeven, wat ervan verwacht mocht worden; begin Augustus stond ze reeds prachtig, lange loten bezet met talrijke knoppen deden het beste verwachten.
Ook de bijen stonden er hier in 't Oosten goed voor; wel misten de korven voorraad van zomerhonig, doch „volk" was er genoeg in, en dat is het, waarmee we op de heide moeten zijn.

Daarom waren we begin Augustus zeer hoopvol gestemd, en zeiden: „als het weer maar wat meewerkt, dan worden ze goed van 't jaar; laat dan de suiker maar duur zijn, we zullen het zonder wel redden."
Voor de zooveelste maal werd alles derhalve voor de reis naar de heide in gereedheid gebracht, en werd eenige keeren achter elkaar de nachtelijke tocht naar 't veld gemaakt. Wel wat werk gehad, maar 't zou dan dit jaar toch ook wel wat worden.

De eerste dagen vielen niet mee, doch toen kwam het heihonigweer: heete, bijna windstille dagen, mistige, dampige nachten, en 't was geweldig, wat de bijtjes deden. Sommige volken wonnen 4 à 5 pond per dag, wat voor een korf schitterend is; druk waren we met unster en potlood in de weer, om gewichtstoename te constateeren en aan te teekenen.

En dan naar moeder de vrouw terug 's avonds: „vrouw, ze doen het kolossaal, die korf zooveel pond en die zooveel." Waarop reeds het antwoord: „Och, 'k moet het eerst nog zien; jullie imkers redeneert je 's zomers rijk, en van den herfst heb je geen honig."
Wel een bewijs, hoe optimistisch wij bijenhouders zijn, en hoezeer de laatste jaren de honigoogst tegenviel.

Ook nu weer bleek 't vrouwelijk deel gelijk te hebben, want de oogst valt in deze omgeving al bijzonder tegen. 't Kon ook niet anders: de aanhoudende, koude regens deden de hei geen goed; groote waterplassen werden gevormd, waarin tal onzer nijvere haalsters een te vroegen dood zullen gevonden hebben, want toen 't weer beter werd, doch de dracht voorbij was, bleken onze korven zeer in volk te zijn verminderd.

Voorbij de heidedracht 1920, voldongen het feit, dat 1920 voor de korfimkers in deze omgeving een zeer slecht jaar is. Gelaten haalden we dus onze volken weer huiswaarts, en zochten de meest geschikte opzetters uit, die zich zonder herfstvoer kunnen redden.
We vermoeden, dat er dezen winter nog wel eens een oude moer opgezet wordt in plaats van een jonge, omdat tal van middelzwermen den kost niet hebben: 20, 24, 25 pond, en dat is eigenlijk licht genoeg. Andere jaren kregen dergelijke bijen maar wat suiker, zoodat ze prachtig overwinterden, maar die is nu te duur.

Menig mooi bijtje gaat op de zwavel, nu de suikerprijs buitensporig hoog en honigoogst gruwelijk slecht is, en tal van imkers zijn genoodzaakt minder volken op te zetten, dan ze gewoon waren. Wij zijn bezig onze opzetters, die een gewicht van pl.m. 35 pond hebben, te versterken met afgesalpeterde bijen. Verkoopen zullen we onzen honig maar niet, doch er stamphonig van maken voor 't volgend voorjaar. Doch de winst, en daar gaat het bij veel kleine imkers maar om, blijft dit jaar uit.

Heeft 1920 ons dan niets geleerd?
Zeker wel, n.l. dat de korfimkerij, zooals die hier totnogtoe gedreven werd, niet loonend meer is. Van één opzetter kreeg men hier algemeen één voor- en één middelzwerm; we kwamen van één op drie te staan, en dat is m.i. in de tegenwoordige jaren niet de manier.
Sterke volken houden door zwermverhinderen, dat lijkt ons beter, want de weinige kasten, die we hebben, en waarmee werd gesepareerd gaven een goede honigopbrengst. Zoo is 't de laatste jaren hier steeds geweest: van de korven een groot aantal lichte volken, van de kasten een zwaar honigvolk.

Jammer, dat de losse bouw bij de korfimkers in deze omgeving nog zoo slecht staat aangeschreven. M.i. komt dit, doordat verscheidene korfimkers wel eens een kast hebben gehad, maar niet de kennis bezaten, om er oordeelkundig mee te werken. En dit zijn over 't algemeen juist de menschen, die 't hardst op den lossen bouw afgeven.

v.d. M,
Oudleusen (Overijsel), 18 Sept. 1920.