Over de „Taal" der Bijen.
(vervolg, deel 3)
Zijn de bijen, wier opmerkzaamheid op deze wijze opgewekt wordt, ongenummerde dieren, dus die, welke tot onze voederplaats geen betrekking hebben, zoo laten zij meestal de wervende bij varen, zonder dat wat volgt. Komt deze echter bij haar dans toevallig met eene genummerde bij in aanraking, die de voederplaats kent en nu gedurende de pauze niets doende op de raat zat, zoo reageert zij allereerst op de boven beschreven manier, dan echter haast ze zich, zonder zich verder om hare wervende collega te bekommeren, dadelijk naar het vlieggat en naar de voederingsplaats. Komt ze dan volgezogen in de woning terug, zoo gedraagt ze zich als de eerste bij, daar de dieren zich evenzoo na verdere uitvluchten gedragen, en daar verder, zooals reeds medegedeeld is, de tot de voederplaats behoorende bijen zich niet al te ver van het vlieggat bevinden, en de thuiskomende in deze buurt hare dansen uitvoeren, duurt het niet heel lang, of de geheele schaar of toch een groot gedeelte is gealarmeerd.
We zien dus een directe kennisgeving, maar niet voor het gehoor bestemd, niet door geluid, want de wervende bijen kunnen in de onmiddellijke nabijheid van andere hare dansen uitvoeren - zoolang ze niet met haar in aanraking komen, toont zich geen uitwerking.
Hoe komt het nu, dat bij het samenkomen met de wervende bijen juist de tot dezelfde groep behoorende bijen - zoo schijnt het toch - genoodzaakt worden zich dadelijk naar de voederplaats te haasten? Herkennen ze misschien de tot haar groepje behoorende collega aan den reuk, of aan een bijzonder soort van teeken?
In de eerste plaats wilde ik weten, of dit werkelijk het geval is, of dus de dieren tusschen de leden van hare groep en die van op andere plaatsen verzamelende bijen, duidelijk onderscheid maken. Om dit te weten te komen, vormde ik uit de bijen van de observatiekast twee groepen van ongeveer gelijke sterkte, die op twee verschillende plaatsen gevoederd werden, zoodat de eene groep slechts de eene en de andere groep de andere voederplaats kende en bezocht. Wederom werden alle dieren genummerd en om de twee groepen goed uit elkaar te kunnen houden, kregen de leden van de eene groep eene witte en die van de andere eene gele vlek op het achterlijf. Ik wil ze eenvoudig als de „witte" en „gele" bijen aanduiden.
Nadat beide groepen voldoende ingevlogen zijn, nemen we de volgende proef:
We houden op beide plaatsen met de voedering op tot slechts af en toe eene bij komt kijken. Dan geven we de eene groep, bijvoorbeeld den „gelen" bijen weer suikerwater, den „witten" echter niet. De eerste „gele", die met gevulde maag binnenkomt, doet haar werfdans in de woning. Als ze daarbij met „witte" bijen in aanraking komt, waarmede ze nooit verzameld heeft, waarmede ze even weinig te maken heeft als met de andere bijen van de woning, die op verwijderde bloemen nectar halen, zullen de „witte" zich dan ook door haar laten alarmeeren, zooals de nader tot haar staande „gele"?
Tot mijne verrassing was dit het geval. Niet slechts „gele", doch ook „witte" bijen werden door haar kringdans genoodzaakt, de kast haastig te verlaten, maar ieder vliegt naar de haar bekende plaats; zoo komen de „gele" naar het suikerwater, de „witte" naar het leege schaaltje, waar ze des te hardnekkiger naar voedsel zoeken, hoe ijveriger hare geslaagde zusters op de raten ronddraaien.
Ik heb de proef zoo herhaald, dat ik de eene groep in een kastje voerde, dat sterk naar pepermuntolie rook, de andere in een kastje, dat even sterk met geraniumolie voorzien was. Daar de bijen in de kastjes direct met de in olie gedrenkte onderlaag in aanraking kwamen, moesten ze zelf den reuk aannemen, zooals ook de bloemen-bezoekster iets van den geur der bloemen aannemen zal. De beide etherische oliën worden door de bijen door haar reuk scherp onderscheiden en daarom dacht ik, dat ze door dezen maatregel misschien eerder de leden van hare groep herkennen en slechts op hare werfdansen reageeren zouden. Doch eveneens werd bij de voedering der eene groep ook de andere groep gemobiliseerd en ijlde naar hare voederplaats.
We moeten dus aannemen dat eene bij, die op de geschilderde wijze „werft", niet alleen die dieren, met wie ze gemeenschappelijk verzameld heeft, tot den arbeid roept, doch alle nektar-verzamelaarsters, die wegens tijdelijke opdroging harer voederbron juist werkeloos in de woning zitten. Zoo blijft de geheele zaak werkelijk eenvoudiger te zijn, als het zich eerst aan liet zien. We behoeven niet meer naar het raadselachtige woord te zoeken, waardoor de wervende bij juist hare groepgenooten alarmeert. Ze deelt door hare gebaren, slechts mede, dat er iets te halen is, en degene, die het gewaar wordt en gewoon was iets te halen, haast zich naar hare verzamelplaats.
Twee punten behoeven nu nog opheldering.
Ten eerste. Heeft men een bijengroep naar een voederplaats gelokt en alle dieren geteekend, dan ziet men, zooals vroeger reeds is medegedeeld, dat in 't algemeen slechts geteekende bijen tot het verlaten van de woning genoodzaakt worden, terwijl de niet-geteekende weliswaar op den dans reageeren, maar verder niets doen. Daarin zult u een tegenspraak vinden met dat wat ik zooeven gezegd heb. Toch is de tegenspraak slechts schijnbaar. Want de meeste bijen, die de „wervende" op de raten ontmoeten, hebben geen nektar te verzamelen, doch zijn in het inwendige van de woning werkzaam.
Af en toe kan het wel eens voorkomen, dat eene van de door ons geteekende bijen, wier werven wij juist opmerkten, eene andere bij ontmoet, die op bloemen nektar verzameld heeft en in den laatsten tijd hare bronnen opgedroogd vond. Deze zal dan de woning verlaten en hare bloemen onderzoeken. Slechts is dit zeer moeilijk vast te stellen, daar men eene niet geteekende bij in het gewoel op de raten, spoedig uit het oog verliest. Daarom waren de proeven met de twee verschillend gemerkte groepen noodig.
Wat nu het tweede punt betreft, daar moet ik aan de aanleiding tot mijn proef herinneren. Het was de opmerking, dat de bijen hare voederplaats verlaten, als zij geen voedsel meer vinden, om weer talrijker te verschijnen, zoodra de eerste kondschappers beladen thuiskomen. We hebben gezien, door welke soort van kennisgeving dit geschiedt. We hebben geleerd, dat persoonlijke betrekkingen tusschen de bijen, die gemeenschappelijk verzamelen, geen rol spelen. We weten tenslotte, dat slechts een klein deel der verzamelde bijen der woning, naar onze voederplaats komt, terwijl er veel meer op bloemen vliegen en van daar, - ook gedurende onze voederingspauze - met nektar beladen thuis komen.
Waarom worden de door ons geteekende bijen niet door deze gealarmeerd?
Als in onze proeven de „gele" bijen, die van het gevulde schaaltje thuiskwamen, ook de „witte" genoodzaakt hebben bij haar leeg schaaltje een onderzoek in te stellen, lijkt het onbegrijpelijk, dat niet onze proefdieren gedurende de voederingspauze altijd weer door die bijen, die van gevulde bloemkelkjes thuiskomen, naar haar schaaltje gestuurd worden.
Opheldering brengt ons de volgende proef:
We vullen het schaaltje en zien spoedig onze bijengroep het suikerwater vlijtig binnendragen en op de raten hare levendige dansen uitvoeren. Nu vervangen we het voederschaaltje door een ander, dat een meervoudige laag filtreerpapier bevat en bevochtigen dit met zooveel suikerwater als het gemakkelijk kan opnemen. De bijen zuigen aan het zoete papier niet minder vlijtig, maar terwijl zij vroeger binnen l - 2 minuten haar honigmaag strak gevuld hadden, moeten ze zich nu langen tijd inspannen, totdat ze eindelijk, slechts half beladen, in de woning terugkeeren. En eensklaps zijn de werfdansen op de raat geëindigd. Niet omdat onzen bijen het verzamelen te veel was! Maar ze ledigen vlug haar spaarzamen last en snellen zonder oponthoud naar hare verzamelplaats terug.
De eerste regeling gelijkt op rijke drachtsverhoudingen, de tweede lijkt op omstandigheden bij spaarzamen dracht, waarbij de bijen talrijke bloemen bezoeken en toch nog half beladen thuiskomen. En daar ik mijne proeven bijna uitsluitend in een streek met zeer slechte drachtverhoudingen en nog daarbij in den zomer na beëindiging van den besten bloeitijd gedaan heb, mogen we aannemen, dat de van bloemenbezoek terugkeerende bijen geen werfdans uitvoeren en daarom de proefdieren in hare voedingspauze niet gealarmeerd hebhen.
De proef leert ons echter nog iets anders.
Gedurende de periode van spaarzame voedering, als in de woning geen werven op te merken is, komen slechts de genummerde dieren naar de voederingsplaats, die de plaats al kennen. Is echter het schaaltje rijkelijk met suikerwater gevuld en worden de werfdansen druk op de raat uitgevoerd, dan voegen zich er spoedig nieuwelingen bij, die voor de eerste maal bij het schaaltje komen, en wel in grootere getale naarmate de oude bijen levendiger en langer werven. We kunnen daaraan ontleenen, dat de werfdansen niet alleen de bijen van onze groep, die de voederingsplaats kennen, er toe bewegen haar weder op te zoeken, doch dat ze ook nieuwe krachten gewonnen hebben.
Op welke manier deze de voederingsplaats vinden, of ze, zooals men in de eerste plaats zou mogen aannemen, de wervende bijen bij haar terugkeer naar de voederingsplaats eenvoudig navliegen, daarover kan ik, ondanks de groote moeite, die ik mij getroost heb, heden nog niets zekers mededeelen. Dat echter de „werfdans" voor het winnen van nieuwe mede-arbeidsters van groot belang is, mag men zonder twijfel aannemen. Want vanaf het oogenblik dat de beladen bij de woning binnenvliegt tot haar terugkeer naar de voederingsplaats, zijn er slechts twee gelegenheden, waarbij ze met andere bijen van hare woning in verbinding komt: bij de werfdans en bij het afgeven van suikerwater.
Dit laatste alleen noodzaakt geen nieuwe bijen om de voederingsplaats op te zoeken. Dit volgt uit de proeven met spaarzame voedering, waarbij door de thuiskomende bijen ook suikerwater afgegeven wordt en het blijkt verder uit de rechtstreeksche waarnemingen, die alle daarvoor spreken, dat de ontvangsters van het suikerwater voortdurend in de woning werkzaam zijn.
De voorwaarden, die wij bij de onderzoekingen tot stand gebracht hebben, wijken eenigszins van de natuurlijke omstandigheden af. Toch is het niet moeilijk van de zoo verkregen ervaringen een beeld te vormen van het biologische belang van het voorbeeld. Als eene uitgebreide, nog niet uitgebuitte nektarbron, bijv. de bloemen van eene juist ontbloeide plantensoort door eenige bijen ontdekt wordt, dan zullen deze bij het bloemenbezoek in nektar zwelgen, zooals bij ons rijk met suikerwater voorzien schaaltje, na korten tijd zwaar beladen thuiskomen en nu door hare werfdansen nieuwe bijen naar de bloemen voeren, tot het getal der verzamelende bijen zoo groot is dat alle kelken tot in den grond uitgebuit en zoo dikwijls bezocht worden, dat het haar niet gelukt eene grootere hoeveelheid nektar te verkrijgen. Dan zullen de verzamelende bijen met werven ophouden en wordt hare groep niet vergroot.
Zoo wordt het bekende verschijnsel begrijpelijk, dat het getal bijen, bezig met het uitbuiten van een voedselbron, tot hare opbrengst meestal in eene zekere verhouding staat. Als de nektarbronnen, door ongunstige weersgesteldheden opdrogen, dan laten de bijen het bloemenbezoek achterwege, doch zoodra eene verandering intreedt en slechts eene of weinige bijen de bloemkelken gevuld vinden, zullen ze door haar werven, in korten tijd alle nektar-verzamelaarsters van hare woning in 't strijdperk roepen.
Het is van belang, dat ook de met stuifmeel thuiskomende bijen dansen uitvoeren, die naar alle waarschijnlijkheid ook als werfdansen op te vatten zijn, doch zich echter van de werfdansen der met suikerwater (of honig) thuiskomende bijen, op karakteristieke wijze onderscheiden. Het ligt voor de hand in deze twee soorten dansen twee verschillende uitdrukkingen der bijentaal te zien, waarvan de eene rijke nektar, de andere goede stuifmeeldracht beteekenen zou. Ook eene derde soort „dans" heb ik opgemerkt, wier beteekenis mij nog geheel onduidelijk is. Ik zou vandaag willen nalaten hierop nader in te gaan, daar hier eerst een vaste basis voor onze gevolgtrekkingen gemaakt moet worden.
K. von Frisch
(Wordt vervolgd.)