De Dwergmispel (Cotoneaster).

Ik zou de aandacht willen vestigen op deze uitheemsche heester. Zijn vaderland is in de bergstreken, o.a. in de Hymalaja, waar hij tegen rotshellingen groeit. Hij is dus gewend aan een ruw klimaat en ontwikkelt zich goed in ons vaderland. Hij is te vinden in het Arboretum van de Landbouw-Hoogeschool te Wageningen, aan de Oostzijde van den vijver. Ik zag hem o.a. ook op het terrein van ons Landhuis te Lunteren. De schrale grond had geen merkbaren invloed op zijn ontwikkeling. Bloemen en vruchten waren ook daar talrijk aanwezig.

Er zijn meerdere soorten, de myerophylla en horizontalis zou men kruipend kunnen noemen, zij bedekken den bodem, wortelen overal aan, zoodat zij spoedig een groote terreinstrook aan het gezicht onttrekken. Deze beide soorten zijn vooral aangewezen voor rotspartijen, terreinplooien en misschien voor duinhellingen. Wanneer een lezer er proeven mede wil nemen, dan ben ik bereid eenige vruchten, om uit te zaaien, af te staan.

De bloeitijd was dit jaar half Mei en duurt ongeveer 14 dagen. Dat is dus juist in een geschikten tijd, want de vruchtboomen zijn dan uitgebloeid. De bloemen zijn, zooals vele bijenbloemen, onaanzienlijk, maar uiterst talrijk als de heester flink ontwikkeld is. Ik zag dagelijks honderden bijen op deze bloemen, die buisvormig met een ondiepe kom zijn. De kleur is overwegend wit. Het bezoek was bij helder, zonnig weer en ook bij een betrokken lucht talrijk, zoo iets als bij een lange rij van bloeiende frambozen.

Het onderzoek heeft uitgewezen, dat de bijen nectar van de bloemen halen. De myerophylla geeft alleen nectar, de horizontalis ook pollen.
De vrucht is een besvrucht, die bij de bovengenoemde soorten helder rood gekleurd is. De heester is groenblijvend, hij vormt tot laat in het najaar een prachtige bedekking, omdat tusschen de donkergroene bladen overal de roode vruchten te voorschijn komen.

Wageningen, September 1920.
L.J. VAN RHIJN.