Bijenwoningen.
(Vervolg).
Eerst beginnen ze aan één raat, die bij het begin smal, langer wordende, breeder is; heeft deze een zekere lengte dan beginnen ze aan een tweede daarna aan een derde enz. tot de geheele bovenruimte gevuld is b.v. met 4, 5 of meerdere naar gelang de wonig groot is.
De onderlinge afstand is 3.5 centimeter, bij darrenraat iets meer. Is er nu volop nectar te halen, dan worden de bovenste cellen spoedig afgebouwd, omdat die geborgen moet worden. Zijn er geen cellen genoeg boven, dan ook wordt tusschen het broed de honig in de ledige cellen gelegd, zoodat de koningin er minder ledig vindt, waarin zij hare eieren af kan zetten; ook wordt bij overvloedige dracht de koningin minder voedsel toegediend, waardoor ook het eierleggen minder wordt.
Onder deze omstandigheden bouwen de bijen buitengewoon snel en is in korten tijd de woning half of drievierde volgebouwd.
Is er geen overvloedige dracht dan bouwen zij minder snel, vooral aan de bovenste cellen; de koningin wordt meer gevoederd en ze heeft meer cellen tot hare beschikking om eieren af te zetten; in 't kort, er wordt meer op broeden toegelegd. Het broednest wordt zoo snel mogelijk uitgebreid. De geheele bouw echter is in overeenstemming met den vorm van een ronden korf, die gewoonlijk van boven smal en onder breeder is.
Bij de kasten is 't geheel anders althans bij de hier te lande meest in gebruik zijnde; de vorm laat niet toe zoo te werken als in een ronden korf. Waarom niet? Omdat de vorm van zoo'n bouw geheel anders is; hier kunnen de bijen maar een betrekkelijk klein eindje onderuit bouwen dan toch stuiten ze op het onderlatje van het raampje; nu moeten ze, zijn ze in 't midden van 't raampje begonnen, en vóór- en achteruit. In de meeste gevallen echter beginnen ze meer aan de voorzijde; deze is 't dichtste bij 't vlieggat, ze brengen de raten daar aan 't onderlatje, of liever bijna, want in de meeste gevallen blijft er tusschen de raat en onderlat eenige ruimte open, bij smalle onderlatten minder dan bij breede.
Zijn ze nu aan de voorzijde aan de onderlatten, dan willen ze de ruimte haar gegeven volbouwen en moeten ze achteruit niet meer loodrecht doch meer horizontaal; het bouwen gaat in deze richting niet zoo snel vooral als er geen goede dracht is, zoodat ze geen gebrek aan honigcellen hebben; er kunnen, als ze in die richting moeten bouwen, geen tros waszweetsters onder de te bouwen raat hangen, doch moeten meer op zij zitten, waardoor ook meer wasschilfertjes op de bodemplank vallen.
Is de zwerm niet te sterk of de ruimte, die men ze geeft te groot, b.v. om een middelmatigen zwerm in een Simplexkast de volle 10 ramen te geven, dan loopt men gevaar, dat de bijen op twee plaatsen beginnen te bouwen, b.v. voor en achter aan eenzelfde raampje, en men krijgt later, op de plaats, waar de raten bij elkaar komen, naden die gedeeltelijk met darencellen gevuld worden; nog erger is 't als het voorste en achterste gedeelte elkaar voorbij gaan, wat ook dikwijls gebeurt; dan krijgen we twee raten in een raam en de losse bouw heeft veel van haar waarde verloren; hoe moeielijk is 't niet, om zulk een raam onbeschadigd uit een kast te nemen, om de bijen er af te krijgen, hoe licht breekt er een gedeelte, althans als 't zwaar is van broed of honig; op een goed onderhouden bijenstand mogen zulke dubbele ramen dan ook niet voorkomen.
Om dit alles te voorkomen, moet de ruimte, waarin een zwerm in een kast wordt gedaan, niet te groot zijn; een middelmatige zwerm in een Simplex mag men niet meer dan hoogstens 6 ramen geven, meesttijds is 5 voldoende, en dan een afsluitplankje; hebben de bijen deze ruimte bijna volgebouwd, dan geeft men een paar raampjes met uitgebouwde of kunstraat er bij, enkele dagen later nog een paar tot de woning geheel gevuld is. In iedere kast moet dan ook, zal hij compleet zijn, minstens één afsluitplankje aanwezig zijn, om het getal raampjes te kunnen beperken; dit is ook van 't grootste belang bij een goede dracht en vooral in 't najaar.
Als we nu eens zoo'n volgebouwd broednest bezien, ziet er dat geheel anders uit dan in een ronden korf; of dit nu beter is of niet weet ik niet, doch zien we verder.
We plaatsen nu, nadat de broedruimte geheel uitgebouwd en volop met bijen gevuld is, een honigruimte boven. Deze kan met gewone ramen alsook met lage ramen zijn. Het spreekt vanzelf, dat deze ramen voorzien moeten zijn van strookjes kunstraat, natuurraat, of liever nog heele platen kunstraat. Komt er nu goede dracht, waarmede gewoonlijk warmte gepaard gaat, dan beginnen de bijen in zoo'n bak spoedig te bouwen en honig op te leggen.
R. TUKKER Jr.
(Wordt vervolgd).