Mijn antwoord aan Van Os.


„Domme menschen doen domme dingen, vooral als zij gedreven worden door eigenbelang." Dat was mijn oordeel over het verweerschrift van Mijnheer Van Os.
Daarom was 't oorspronkelijk mijn plan niets te antwoorden op den onzin in dat verkiezingspamfletje geschreven, maar omdat enkele leden misschien een verkeerd oordeel konden krijgen in de Afdeeling Handel enz. daarom 't volgende:

1. Als ik om eene gegronde reden niet op een hoofdbestuursvergadering kan verschijnen, verlies ik dan Mhr. Van Os het recht om den leden op de mij passende wijze mijne opinie te zeggen over zaken de Vereeniging betreffende, of moet ik als lid van het Hoofdbestuur niet op alle wijzen de Vereeniging en hare belangen dienen en de afgevaardigden inlichten?

2. Boerenbedrog. Wanneer ik iets zoo bewees, dat anderen daardoor een verkeerden indruk kunnen krijgen en ik dat doe met opzet, dan noem ik en velen met mij dat boerenbedrog. Hebt gij dat niet trachten te doen en moest zelfs de Voorzitter volgens zijn eigen woorden dat niet temperen, door er te doen toevoegen „met inbegrip van de 6500 gld.? Of was 't Uwe bedoeling niet de leden te overtuigen dat Afd. Handel een groote winst gemaakt had, terwijl gij beter wist?

3. Is dat geen uitbuiten der leden wanneer ik de afnemers die ik begoochel dat zij mijn zaak, omdat 't ook hun zaak is, moeten steunen, laat betalen voor vroegere verliezen door te duren inkoop, misschien aan wildvreemde menschen, geleden?
Kan dat door den beugel, wat gij met de kunstraat gedaan hebt nog te vergoeilijken, na die onverkwikkelijke affaire in de gecombineerde vergadering met de Commissie en het Hoofdbestuur besproken, toen het ging over die dure Marken, die U ook de leden stilletjes wildet laten bijbetalen en waarvoor U toen algemeene afkeuring oogstet. Is dat precies hetzelfde?

De domheid, die aantoont dat gij niet de man zijt, die afd. Handel er bovenop moet helpen, ligt er dik op in uw gezegde over de concurrenten. Snapt gij dan niet, dat zij U den prijs lieten zetten en zij zich daaraan aansluiten en zoodoende door uwe schuld een zoet overwinstje den imkers meer laten betalen? Gij zijt de schuld, dat vele zaken door de imkers zoo duur moeten betaald worden door uwe ongemotiveerde prijsverhooging om geleden verliezen te dekken.

Is dat niet voldoende om U onmogelijk te maken als direkteur der afd. Handel dat gij dat niet inziet?
Zelfs liegt gij om den indruk mijner woorden te verzwakken dat de kunstraat in 1919 kostte ƒ 3.20 en in 1920 slechts ƒ 2.50. In Januari en Februari 1920 staat in 't Maandschrift uw kunstraat geprijst aan ƒ 4.00 en ƒ 3.75. Ik laat 't oordeel over de betrouwbaarheid van dhr. v. Os over aan de leden, die het controleeren kunnen.

4. Mocht uit 't voorgaande de levensvatbaarheid der afd. Handel onder het bestuur van Van Os nog niet genoegzaam blijken, dan zullen de gevallen Bennekom, Bladel en Tilburg zeker niet geschikt zijn om te maken dat de leden dier afdeelingen en degenen die de kwesties kennen, aangespoord worden om zaken te doen met afd. Handel. Het eene jaar ruzie en rechtsgeding met de eene, 't volgende jaar ruzie met een andere afdeeling, pleit niet voor diep inzicht in handelszaken van den Direkteur.
(Tusschen haakjes de kwestie Bennekom is mij wel bekend, op mijn verzoek heeft de Voorzitter dit in eene hoofdbestuursvergadering uitgelegd. Alweer een insinuatie van Van Os naar de maan!)

5. Al ben ik ook nog slechts kort lid van het Hoofdbestuur, dan belet mij dat toch niet mijn oogen degelijk den kost te geven, wat ik ook gedaan heb bij onze vergadering te Wageningen. Ik raad iedereen aan eens naar Wageningen te gaan dan is zijn heele ambitie voor afd. Handel naar de maan uitgezonderd misschien bij den afgevaardigde van Eek en Wiel.

Ik vond daar o.a. in een planken schuur, waarvan volgens de woorden van den Heer v. Os de planken zoo rot waren dat hij voor weghalen niet kon instaan, op den lossen grond — vloer was er niet — een stapeltje zakken met suiker — een prachtige bewaarplaats voor suiker! — enkele duizenden groene glazen die ik voor de helft van de vracht niet wil én die de leden tot nadeel van hun honingverkoop duur werden verkocht, één vat met voerhoning, enkele ledige kisten en inzetsels van kratjes, verder een afgesloten hokje waarin men bij ons een varken zou vetmesten en daarin werd het kunstraatbedrijf uitgeoefend door een man op jaren met behulp van een paar jongens. Dit strekt om U eenig denkbeeld te geven van den reusachtigen omzet van afd. Handel.
Misschien had v. Os nog eene andere voorraadschuur die ik niet gezien heb, 't kan zijn, ik heb gevraagd wat er was en dat heeft men mij getoond.

6. Zijn aanval op de F.C.H. en daar zit em de knoop, is zoo ongemotiveerd dat ik hem stilzwijgend kan voorbij gaan. Hij weet er absoluut niets van en bewijst juist door datgene wat hij van ons vraagt wat wij doen moeten en wat wij ook doen of trachten te doen, n.l. eenheid van produkt, eenheid van verpakking, eenheid van prijs enz., dat hij wel weet wat hij doen moest en wat hij nagelaten heeft te doen. Dat is hem een voortdurend verwijt dat wij ook zonder die ƒ 13000 zij 't langzaam voor onze leden daarin zullen slagen, terwijl hij er niets voor gedaan heeft.

7. Dat de Direkteur van afd. Handel brutale brieven schrijft hoef ik niet verder te bewijzen, dat bewijst 't stukje waartegen dit verweer gaat. Neen Mhr. v. Os, menschen met gezond verstand kunnen zulk schrijven niet goedkeuren, het is van min allooi, alleen een verkiezingspamflet, om mijne keuze onmogelijk te maken. Ik beloof U, wat ook de uitslag der verkiezing zijn zal, wij zijn van elkander nog niet af. Gij zijt bezoldigd ambtenaar der Vereeniging en van 't Hoofdbestuur. Reeds eenmaal heeft een Hoofdbestuurslid U alle vertrouwen opgezegd en wil niets meer met U te doen hebben. (Goed gelezen afgevaardigde van Eek en Wiel — de eenheid in 't Hoofdbestuur).

Wanneer een knecht (en dat zijt gij van Vereeniging en Hoofdbestuur) zoo handelt ten opzichte van zijn overheid en daartoe behoor ook ik ten Uwen opzichte, dan krijgt hij zijn afscheid. Dat zal voorloopig mijn eerste streven zijn.

Gij schrijft verder, dat de Voorzitter en de Heer Heezeman zich niet gewaardigden des namiddags mij te antwoorden. Ik heb in den namiddag niets gevraagd aan die beide Heeren. Het kwam uit de Alg. Verg. dat hun en alle overige leden van 't Hoofdbestuur herhaaldelijk werd gevraagd naar hun oordeel over de levensvatbaarheid van afd. Handel. Ik wou wel eens weten of die beide Heeren hun minachting voor de Alg. Vergad. zoo ver dreven, zooals gij hun in de schoenen schuift, dat zij zich daarom niet gewaardigden te antwoorden. Neen Mhr. Van Os dat was 't niet.

Zelfs toen 't hun herhaaldelijk door den Voorzitter der Commissie, die 't onderzoek leidde werd gevraagd, hebben zij niet geantwoord. Waarom niet? Zij konden en zij durfden niet.
Ik alleen, die gekozen werd toen reeds 't onderzoek gelast was en dus geen verantwoording te dragen had — en ook niet had willen dragen — die al de vergaderingen der Commissie met 't Hoofdbestuur heb medegemaakt, die 't rapport van den accountant gezien heb en den Voorzitter moest tegenspreken, toen hij zich daarop beriep en daaruit tot de levensvatbaarheid van afd. H. durfde concludeeren, ik alleen mocht en naar mijn meening moest mijn oordeel zeggen aan de Alg. Verg. die daarop recht had.

Dat gij meent dat afd. H. levensvatbaarheid bezit, het moest er nog bijkomen, het zou niet te qualificeeren zijn, dat gij in het tegenovergestelde geval nog één dag direkteur gebleven waart.
Ik tart de leden van het Hoofdbestuur te zeggen, dat zij er van overtuigd zijn dat zij levensvatbaarheid bezit; de Voorzitter der Commissie heeft dat niet tevergeefs zoo herhaaldelijk gevraagd én op de gecombineerde zitting met 't Hoofdbestuur en op de Alg. Vergad. Ik wil verder niet vooruitloopen op 't Verslag, voor ieder die lezen kan is duidelijk wat 't zeggen wil.

Nogmaals wat gij schrijft van brutale brieven. Uw heele schrijven is een verkiezingspamflet van 't minste soort, waartegen mij door Uwe sluwheid geen kans gegeven werd om te antwoorden en het is 't grootste bewijs hoe U de leden der Vereeniging behandelt. Waarom niet aanstonds op de Alg. Verg. geantwoord? Dat kondt en dat durfdet gij niet, daarom op geniepige wijze in 't Maandblad geschreven, daarom dit wat vroeger gezonden, zoodat Uw pamflet kon dienen op de vele Pinkstervergaderingen der afdeelingen en mij den pas afgesneden om U te beantwoorden nog voor de verkiezing. Trouwens die verkiezing laat mij koud. Ik heb mijn plicht gedaan.

Ten slotte in afwachting van 't rapport mijn conclusie. De afdeeling Handel, wanneer zij blijft zooals zij is en onder de direktie van v. Os, heeft geen levensvatbaarheid.
1o. Omdat de Heer v. Os niet berekend is voor zijn taak als direkteur,
2o. omdat hij daarenboven ook nog zijn taak verkeerd opvat niettegenstaande hij volgens zijn stukje beter weet;
3o. omdat de leden en afdeelingen, die met hem zaken doen voor en na zich van afd. Handel afwenden;
4o. omdat hij in de onmogelijkheid is om te concurreeren, hetgeen ik als Voorzitter der F.C.H. nog dagelijks ondervind en wat voor een groot gedeelte tevens
5o. zijn oorzaak vindt in de hooge salarissen, onkosten etc. welke op afd. Handel drukken.

Dit alles heeft bij mij den indruk gevestigd, dat mijn plicht was, nu ik niet anders kon, in de Alg. Vergadering de leden er van in kennis te stellen, dat 't volgens mij op den bestaanden voet onmogelijk was dat afd. Handel levensvatbaarheid bezit. Van te voren heb ik gezegd, dat ik 't niet over den persoon maar over de functie en de zaak had. Ik laat dus 't persoonlijke voor rekening van v. Os en onderwerp mij aan 't oordeel der afgevaardigden.
Voor verdere inlichtingen gaarne bereid.

C. HOOMANS.



BIJSCHRIFT.
Hiermede sluiten we 't debat, te meer daar er nog andere stukken inkomen van personen, die zich in de zaak mengen. Laten we kalm blijven en eerst eens afwachten het verslag over afd. Handel van de Commissie, welke de zaak grondig heeft bestudeerd. De Voorz. heeft beloofd, dat het spoedig in 't Maandschrift zal verschijnen.

Is 't niet jammer van al de ruimte, welke die strijdartikelen innemen? Al maanden lang konden we haast geen stukken plaatsen over 't imkersvak en de bijtjes, omdat de meeste ruimte werd ingenomen door berichten, verslagen, rekeningen en lange prijsnoteeringen van afd. Handel.

Bij vele rustige imkers blijft de liefde voor de bijen, doch vermindert de liefde voor de Vereeniging bij al dat heftige „harrewarren", jaar in jaar uit, nu dit en dan dat.

Het spijt ons, dat we den heer L. Kanters, Voorz, der afd. Echt, moeten teleurstellen, wiens ingez. stuk we niet kunnen plaatsen.
Evenmin 't artikel van den heer W. v. Lier, Voorz. der afd. Putten. Hij heeft persoonlijk een kwestie met afd. Handel. We raden hem aan de zaak voor het Hoofdbest. te brengen en dat uitspraak laten doen.

DE RED.