Bijenhouden in de stad.
Het huis, dat we in huur hadden, werd verkocht. We moesten het veld ruimen voor den kooper en verhuizen naar een bovenhuis dat gelegen was in een drukke winkelstraat in het hart van de stad. De woning die we verlieten had een flinken tuin, welke met de omliggende tuinen een niet onaardig stukje natuur vormde en die gelegen op het Zuiden, ons alle gelegenheid bood tot het beoefenen van onze natuurliefhebberijen.
Instede van tuinen kregen we nu achter ons huis daken en schoorsteenen te zien. Hoe we ons voelden na die verplaatsing behoeft geen nadere omschrijving. Elders maakten we in het voorjaar zoo geheel het ontwaken van de natuur mede, waarbij de grauwe zanglijster vaak reeds in Februari haar opwekkend gezag uit den top van den nog bladerloozen kastanjeboom deed hooren. Hier zou ons de voorjaarszon verduisterd worden door den rook uit de vele schoorsteenen. Toch bleven we trouwe lezers van „Onze Tuinen" en van de lectuur die ons op de hoogte kon houden van het natuur- en buitenleven. Ten slotte vonden we toch de gelegenheid om aan onze neigingen te kunnen voldoen, door te beginnen met een liefhebberij, die ons weder in nauwe aanraking met het natuurleven bracht. Daarvan een en ander mede te deelen is het doel van dit schrijven.
In het najaar van '19 kregen we in handen „Het leven der bijen" van Maurice Maeterlinck. De gloed waarmede in dat boek het bijenleven aan den lezer wordt geopenbaard, bracht er ons toe, wat meer lectuur over de bijen aan te schaffen. Zoo kwam in ons bezit het bekende boekje van Tickner Edwardes „Het verhaal van de honingbij", waarvan de lezing zoo terecht wordt aanbevolen door Sylvia Berkhout in het Januarinummer van het helaas weder verdwenen maandblad „De bijenteelt". Voorts het bekende boekje van F.Aug. Kelting „De moderne imker", de „Handleiding bij de moderne bijenteelt" van G.F.W. Kehrer, het „Handboek voor bijenhouders" door T.C. Hootsen en „der Bien und seine Zucht" van Gerstung.
We werden lid van de Vereeniging tot bevordering der bijenteelt in Nederland en ontvingen als zoodanig het maandschrift van de vereeniging, terwijl we ons nog abonneerden op het reeds hierboven genoemde maandblad „de Bijenteelt" onder redactie van L. van Giersbergen en op „de Practische Imker" van H.A. Beil. Zoo drongen we door de boeken meer tot het wondere bijenleven door, zonder dat we er nog ooit iets van gezien hadden.
De verschillende zaken werden gelezen, herlezen en besproken. En toen we meenden te kunnen beoordeelen wat voor een bijenstand op bescheiden schaal zou noodig zijn, kwam het plan op om op ons bovenhuis een bijenbedrijf op te zetten. De mogelijkheid daartoe meenden we, dat kon blijken uit de beschouwingen die Maeterlinck in het 4de hoofdstuk van het 3de boek geeft omtrent de neiging van de bijen om immer naar het licht te vliegen. Alzoo zouden, bij opstelling binnenshuis, de bijen hun vlucht nemen naar het venster, waardoor het licht in het vertrek valt, terwij1 de opstellingsruimte vrij van rondvliegende bijen zou blijven, wanneer het licht, dat door eenige andere opening mocht binnenvallen, werd geweerd.
We hadden op zolder een hoekje met een venster, een schuifraam, op het Zuiden. Dit hoekje kon gemakkelijk afgeschoten worden en bood voldoende plaats voor 4 kasten met de noodige ruimte om achter de kasten te kunnen werken. De kasten zouden er uitstekend beschut voor weer en wind staan.
Begonnen werd met het maken van een eenvoudige beschieting, waarin een lichte deur met deurdranger en een rooster met luikje om te kunnen ventileeren. De ruiten van het venster werden geheel met donker papier beplakt om de bijen niet tegen het bovenglas van het opengeschoven venster aan te doen vliegen. Tegen de wanden de noodige haken om de imkersbenoodigdheden op te hangen, een kantoorkalender voor dagelijksche aanteekeningen, een maximum- en minimum thermometer en de bijenkamer was gereed.
Nu nog de bijenwoningen. Onze keuze viel op de Keltings W.B.C. kast, die ons praktisch en stevig leek.
De meeste imkers raden aan te beginnen met een zwerm; men kan dan de geheele ontwikkeling van het bijenleven volgen. Bestelt men een zwerm dan komt het voor, dat men die pas half Juli krijgt. De weelde in de natuur waarbij het bijenleven opbloeit is dan reeds voorbij. We wilden van den voorzomer profïteeren. Daarom besloten we een tweetal volken aan te koopen, waarmede we den zomer konden ingaan. We voelden echter wel dat, alvorens het bedrijf te kunnen beginnen, eenig praktisch inzicht noodig was. De Paaschvacantie bood ons de gelegenheid eenige imkerijen op de Veluwe te bezoeken.
T.
(Wordt vervolgd).