Imkeren op groote hoogte.


Sedert 16 jaar houdt M. Danner bijen 1000 M. hoog. Het eerste jaar verloor hij alle bijen, omdat zij door een sneeuwlaag van 3 M. hoog bedekt werden en stikten. De winter begint eind September en duurt tot eind April in 't Bohemer Woud, gemiddeld ligt er 's winters 1½ M. sneeuw, 21 Mei is 't begin der lente.

De reinigingsvlucht valt in Februari of Maart, op zonnige dagen stijgt dan de temperatuur tot 16 à 18°C. De sneeuw wordt met asch en strooisel bedekt en de vliegopening geopend, waarop de bijen uitvliegen. Bijen die op de sneeuw gaan zitten verstijven spoedig. Zij worden zoo veel mogelijk verzameld, met suikerwater of honig besprenkelt en bij de kachel ontdooid, daarna gaan zij weer in de korven. De dracht begint einde Mei en eindigt in de Hooimaand. In 1920 was op 7 Juli de darrenslag.

Voeren is in het voorjaar noodzakelijk.
De bijenweide bestaat uit sneeuwklokjes, anemonen, wilg, vuilboom, eschdoorn, dotterbloem, leeuwentand, herik (de linde geeft daar geen honig). Na Juli vliegen de bijen nog op stalkruid en oogentroost. De nadracht is daar zonder beteekenis. De inwintering valt reeds in Augustus, toch zijn er in October en November nog wel vliegdagen. Wanneer de herfst komt met zijn nevel en regen, dan wordt de bijenstal gesloten.

Er wordt alleen stabiele bouw uitgeoefend, de strenge vorst maakt dit noodzakelijk, 's winters kost het dikwijls uren langen arbeid om bij den bijenstal te komen. De sneeuw ligt hoog en is door afwisselenden dooi en vorst steenhard geworden.
Niettegenstaande de korte dracht is het imkeren er toch loonend.
De bergflora is veel rijker dan in de lage landen.

Overgenomen uit de Duitsche Imker aus Böhmen No. 3, 34ste jaargang, Maart 1921.

L.J. VAN RHIJN.