Regeeringsbemoeiing inzake Bijenteeltonderwijs.

Het zij mij vergund naar aanleiding van het artikel van den Heer T.C. Hootsen: Een onrechtvaardige daad van de Regeering, in het Julinummer van het Maandschrift voor Bijenteelt, het volgende op te merken.

Het uitgangspunt van dit artikel is, dat alleen zij vergoeding (blijkbaar is hier bedoeld: vergoeding door Rijkssubsidie) krijgen voor het geven van cursussen, lezingen, praktische lessen en excursies in bijenteelt, die in de eerste plaats onderwijzer zijn met hoofdacte of land- of (en) tuinbouwacte.
Dit uitgangspunt nu is onjuist en daarmede vervalt het betoog. Ik geef echter toe eenige aanleiding tot het misverstand te hebben gegeven, doordat op de lijst met: Namen der gediplomeerde onderwijzers(essen), gevoegd achter de regeling voor de wintercursussen enz. in bijenteelt, alleen voorkomen personen, die in het bezit zijn van het diploma voor bijenteelt en tevens van de acte als onderwijzer bij het L.O. en niet de bezitters van bedoeld diploma, die niet tevens onderwijzer zijn; ik zal de reden hiervan straks nog toelichten.

Doch én de heer Hootsen én de Heer Joustra kunnen weten, dat het niet de bedoeling is geweest de bezitters van het diploma bijenteelt, die geen onderwijzer bij het L.O. zijn, uit te sluiten voor het geven van door het Rijk gesubsidieerde cursussen in bijenteelt. Immers beiden hebben nog in de allerlaatste jaren cursussen gegeven en hebben daarvoor van Rijkswege vergoeding ontvangen en behalve zij, nog verschillende anderen.

Alvorens hierover in het Maandschrift te schrijven zou het dus wel raadzaam zijn geweest eens onderzoek te doen, dan was alles opgehelderd en het misverstand zou niet verder zijn verbreid. Nu eenmaal deze zaak in het openbaar is ter sprake gebracht, meen ik goed te doen enkele punten hier nog nader toe te lichten.

Examen Bijenteelt.
Het doel van dit examen was en is nog steeds: het verkrijgen van geschikte leerkrachten in bijenteelt. Spoedig na het oprichten van de Vereeniging tot bevordering der Bijenteelt in Nederland, wijdde het Hoofdbestuur zijn aandacht hieraan en besloot tot het instellen van het genoemde examen. Bij de vergadering van de commissie, benoemd tot het vaststellen van het programma voor dit examen, was ook tegenwoordig de toenmalige Inspecteur van den Landbouw en Landbouwonderwijs. Hiermede gaf de Regeering dus blijk van hare belangstelling voor het bijenteeltonderwijs, een nog geheel braakliggend gebied, dat echter de moeite en kosten der ontginning zeker waard was.

Op advies van de examencommissie 1904 bracht het Hoofdbestuur der Ver. v. Bijenteelt in 1905 in het examenprogramma enkele wijzigingen van ondergeschikt belang aan, zoodat het uiterlijk en inhoud verkreeg die het tegenwoordig nog heeft.
In hoeverre het Examen Bijenteelt aan zijn doel heeft beantwoord, moge blijken uit onderstaande tabel.

In 1918 en volgende jaren werd de uitslag van dit examen nog door een andere instelling beïnvloed; beschouwen wij dus eerst de tabel tot 1918.
In een tijdsduur van 18 jaren zijn er dus voor het examen geslaagd totaal 23 personen. Een zeer gering aantal dus. Nog ongunstiger wordt dit resultaat, wanneer in aanmerking genomen wordt, dat verschillende bezitters van het diploma niet de noodige geschiktheid tot het geven van onderwijs bleken te hebben, terwijl bovendien verschillende van hen van den beginne af aan verklaard hebben, geen onderwijs te willen geven.

Cursus voor opleiding van leerkrachten bijenteelt.
Bij de maatregelen, die de Regeering eenige jaren geleden nam om het onderwijs in bijenteelt te bevorderen, was dan ook het gebrek aan leerkrachten een groot bezwaar. Om hierin te voorzien, heeft zij in het leven geroepen de cursussen tot opleiding van leerkrachten in bijenteelt. Als eischen van toelating tot die cursussen stelde zij: onderwijzer zijn; bovendien bezit van de acte Land- en (of) Tuinbouw L.O. (en) of Hoofdacte; tenslotte: minstens een jaar bijenhouder zijn.

De bedoeling van het alleen toelaten van onderwijzers bij het L.O. is natuurlijk dat hierdoor een redelijke waarborg verkregen wordt dat zij, die straks het diploma behalen, ook geschikt zullen zijn hunne kennis aan anderen mede te deelen. Dat behalve de onderwijzersacte nog andere acten vereischt worden, vindt zijn grond hierin, dat deze cursussen slechts van betrekkelijk korten duur zijn (en kunnen zijn, daar de Regeering dit onderwijs gratis geeft en aan de deelnemers bovendien reis- en verblijfkosten vergoedt), zoodat alle tijd noodig is voor het zuivere onderwijs in de bijenteelt, terwijl daarmee nauw samen hangende vakken als plantkunde, insectenkunde, natuur- en scheikunde, tuin- en landbouw, slechts in het voorbijgaan behandeld kunnen worden. Door het eischen van bovengenoemde diploma's wordt dit bezwaar zooveel mogelijk voorkomen.

Dezelfde bedoeling lag ook voor bij de derde bepaling: minstens een jaar bijenteelt praktisch beoefend te hebben. De duur van den cursus (ongeveer 20 lessen van 7 uur) laat niet toe om een aantal lessen te besteden aan de allereerste beginselen van de bijenhouderij. Een zekere dosis kennis en vaardigheid is dus noodig. Nu wilde de Regeering met het vaststellen van dezen tijdsduur van bijenhouder te zijn niet zeggen, dat dit het criterium is voor het al of niet geschikt zijn om op zoo'n cursus toegelaten te worden. Zij wilde echter personen, die nog absoluut niets van de bijenhouderij afwisten, weren en heeft toen als norm gesteld: 1 jaar de bijenteelt praktisch beoefend hebben.

Door deze bepaling behoudt zij dus het recht om de menschen, die nog niets van het vak afweten, af te wijzen. Een „wassen neus" is het dus niet; evenmin als een „looze bepaling". De tijdruimte van een jaar is te beschouwen als een norm, waarvan, als de omstandigheden dit eischen, kan worden afgeweken.

De Heer Hootsen spreekt in zijn artikel van „klaarstoomen". Waarschijnlijk bedoelt hij hiermede, gelijk uit denzelfden zin blijkt, klaarstoomen voor het examen. Indien mijn onderstelling juist is, dan wil ik hierop antwoorden, dat op de opleidingscursussen zeer zeker rekening gehouden wordt met het examen, doch dit toch niet het eenige richtsnoer is waarlangs het onderwijs zich beweegt. Getracht wordt dit onderwijs te geven zoodanig dat het den grondslag is voor het latere werk, n.l. het geven van cursussen, lezingen, praktische lessen enz. En voorts bedoelt het leiding te geven bij de eigen studie, die hier ook een belangrijke rol moet spelen.

De invloed van de opleidingscursussen op het examen bijenteelt blijkt uit boven gegeven tabel n.l. de jaren 1918, 1919 en 1920.
Nu is de Heer Hootsen zoo vriendelijk om mij als hoofdpersoon van de examencommissie te betitelen. Ik heb echter slechts een stem in die commissie en er zijn 5 leden, waaronder de Heer Hootsen voor het meest belangrijke vak.

Cursussen voor volwassenen in bijenteelt.
Door Rijkssubsidie werd het de Ver. v. Bijenteelt in 1916 mogelijk gemaakt deze cursussen in het leven te roepen. Deze subsidie is zoo groot, dat vrijwel iedere Afdeeling hiervan kan gebruik maken; deze heeft alleen maar zorg te dragen voor lokaal, verwarming, verlichting enz. Waar dus het Rijk het meerendeel der kosten vergoedt, is het begrijpelijk dat de Regeering ook waarborgen eischt, dat dit onderwijs aan redelijke eischen voldoet. De Ver. v. Bijenteelt nam dan ook in haar Model-Reglement voor bedoelde cursussen op de volgende bepaling over de onderwijzers:

Art. 8. Het onderwijs wordt gegeven door onderwijzers die in het bezit zijn van het diploma bijenteelt, uitgereikt door de Vereeniging tot bevordering der Bijenteelt in Nederland. De benoeming geschiedt in overleg met den leeraar voor bijenteelt (thans Rijksbijenteeltconsulent), onder goedkeuring van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel.

Wie zijn nu na het in werking treden van dit reglement tot onderwijzer van een gesubsidieerde bijenteeltcursus benoemd? Dit blijkt uit onderstaand overzicht.

Hieruit blijkt dat de Regeering ook wel degelijk subsidie geeft aan cursussen waar als onderwijzers optreden bezitters van het diploma bijenteelt, die geen onderwijzer bij het L.O. zijn. En dat ze zelfs in 1919-1920 een cursus liet geven door een niet gediplomeerd onderwijzer, en wel door den heer T.C. Hootsen.

Lezingen praktische lessen en excursies.
In 1920 besloot de Regeering om het onderwijs voor bijenhouders nogmaals uit te breiden, door aan de Ver. v. Bijenteelt subsidie te verstrekken voor het doen houden van lezingen, praktische lessen en excursies. Ook in 1921 werd voor dit doel subsidie verstrekt.
Tevens drong de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel er bij het Hoofdbestuur op aan om, in overleg met den Rijksbijenteeltconsulent, aan bovengenoemd Model-Reglement voor Wintercursussen in Bijenteelt, een korte instructie toe te voegen, bevattende verschillende gegevens voor het aanvragen van lezingen enz.

De bedoelde instructie werd door mij, op verzoek van den Secretaris der Ver. v. Bijenteelt, ontworpen en is daarna, vermoedelijk op last van den Voorzitter of Secretaris (want in het Hoofdbestuur is mijn ontwerp nooit geweest) ongewijzigd gedrukt en verspreid.
Voor deze lessen geldt ten opzichte van hen, die de lessen geven, hetzelfde als voor de cursussen.

Samenvattende kan ik dus zeggen dat in den toestand van het onderwijs in bijenteelt niets veranderd is; dat echter om meer zekerheid te hebben dat zij, die het diploma bijenteelt behalen, ook geschikt zullen zijn om onderwijs te geven, getracht wordt het daarheen te leiden, dat in hoofdzaak onderwijzers met Land- of Tuinbouwacte het diploma verwerven.

Wat nu de lijst betreft waardoor het misverstand is ontstaan, daarin heb ik alleen onderwijzers van het L.O., die het diploma bijenteelt bezitten, opgenomen en niet de diplomabezitters die geen onderwijzer bij het L.O. zijn, omdat van de laatsten veelal niet bekend is, of zij zich beschikbaar stellen voor cursussen enz.
Ik geef echter toe, dat dit den indruk kon geven van het onbevoegd verklaren van deze groep. Daarom zullen in de binnenkort (na het eerstvolgende examen) opnieuw bekend te maken lijst alle bezitters van het diploma worden opgenomen, waarmede naar ik vertrouw aan de geopperde bezwaren zal zijn tegemoet gekomen.

L. v. GIERSBERGEN.