Buitengewone Algemeene Vergadering.

Aan de Besturen en Leden der Afdeelingen:

Het Hoofdbestuur deelt door dezen mede, dat overeenkomstig art. 11 alinea 2 der Statuten onderstaande 39 Afdeelingen het uitschrijven eener Buitengewone Algemeene Vergadering hebben verzocht voor de behandeling van het ontwerp-Statuten en Huishoudelijk Reglement.

De namen der Afdeelingen, die deze Vergadering hebben gevraagd zijn:
Amersfoort, St. Anthonis, Arnhem, Barger-Oosterveen, Beilen, Blerick, Dedemsvaart S.S., Dinxperlo, Eelde-Paterswolde, Elburg, 's-Gravenhage, Havelte, Hardenberg, Hoogeveen, Hulst, Laren, Lonneker-Enschedé, Meyel, Musselkanaal, N.Z.-Holland, Nuenen, het Noordsn, Oosterhesselen, Oldambt, Ruinen, Ruinerwold, Scherpenzeel, Slagharen, Smilde, Tilburg, Twello, Utrecht, Veenendaal, Vlachtwedde, Warnsveld, Weert, Winterswijk, Zuidlaren en Zaamslag.

Tengevolge van dit verzoek heeft het Hoofdbestuur deze Buitengewone Algemeene Vergadering bepaald op Donderdag 5 Januari 1922 des voormiddags 11 uur in Hotel l' Europe te Utrecht.

Agenda:
Behandeling van het ontwerp-Statuten en Huishoudelijk Reglement, waarvan de tekst is opgenomen in het September nummer van het Maandschrift bladz. 136 en waarnaar het Hoofdbestuur meent te mogen verwijzen.

Namens het Hoofdbestuur, November 1921.
Lunteren, B. WIGMAN, Voorzitter.
Wageningen, W.A. VAN OS, Secretaris.

P.S. Van de benoeming der Afgevaardigden voor deze vergadering moet voor 28 December a.s. aan den Secretaris der Vereeniging worden kennis gegeven.

Met het oog op de belangrijkheid van de te behandelen
agenda is trouwe opkomst ten zeerste gewenscht.


Bij de behandeling van dit ontwerp Statuten en Huish. Regl. in de ledenvergadering der Afdeelingen meent het Hoofdbestuur eenige opmerkingen, de hoofdzaak betreffende, onder de aandacht van de leden te moeten brengen.

Het ontwerp gaat uit van de vooronderstelling, dat verreweg het grootste aantal Afd. zich zal vereenigen in Ringen van minstens 250 leden. Het H.B. deelt deze meening niet. Eerstens zullen er wel Afd. zijn, die zich niet kunnen aansluiten, vanwege verre afstanden, ongunstige ligging enz.;
ten tweede zijn er ongetwijfeld ook tal van Afd., die haar tegenwoordige zelfstandigheid en zelfbeschikkingsrecht willen behouden en zich uit dien hoofde of om andere redenen niet willen aansluiten bij een Ring;
ten derde is het zeker niet overal mogelijk minstens 250 leden (dus gemiddeld 6 tot 10 kleine Afd. van thans) bijeen te voegen in een Ring. Daargelaten nog de mogelijkheid, dat een Ring weigert, een of meer Afdeelingen, die van nature bij hen zouden tehooren, toe te laten, om allerlei redenen.

Nu worden in het ontwerp de zelfstandig gebleven Afd. evenals de Ringen van minder dan 250 leden wel als zoodanig erkend (zie art. 6), maar dezulke hebben niet dezelfde rechten als Ringen van 250 leden of daar boven. Immers wordt aan hen het recht ontzegd, zelf een Commissaris in het H.B. te kiezen en ook om in het algemeen aan de verkiezing van H.B. leden (Commissarissen) deel te nemen. In dit opzicht wordt hun het stemrecht ontnomen. Alsof zij er geen belang bij hebben, door wie ook zij straks zullen bestuurd worden!

Gesteld, dat van de 180 bestaande afdeelingen zich de helft vereenigen tot Ringen van meer dan 250 leden, dan mogen de andere 90 Afdeelingen toezien. Zij missen eenvoudig de bevoegdheid, om ook maar één Commissaris in het H.B. te benoemen. Naar het oordeel van het H.B. is zooiets toch zeker niet toelaatbaar, ieder lid moet het onvervreembaar recht hebben en behouden, om mee te werken aan de verkiezing van hen, die de Vereeniging (Bond) zullen besturen. Onder geen enkele omstandigheid mag aan dat recht getornd worden. Het gaat toch niet aan, Afdeelingen, die om wat redenen dan ook zelfstandig willen of moeten blijven, alsmede Ringen, die beneden de 250 leden tellen, te dwingen tot aansluiting of grooter groepvorming, op straffe van anders algeheel van vertegenwoordiging in het Bestuur te worden uitgesloten.

De toepassing van het ontwerp (en dit maakt de zaak misschien al heel duidelijk) kan tengevolge hebben, dat een Ring van 249 niet en een van 250 leden wel een Commissaris in het H.B. mag benoemen. Of dat b.v. 6 Afd. van gemiddeld 40 leden, niet in een Ring vereenigd, maar wel in dezelfde streek gevestigd, zich niet in het H.B. mogen laten vertegenwoordigen, maar dat b.v. drie grootere Afd. van gemiddeld 85 leden, ook in dezelfde streek gelegen, zulks wel mogen doen. Deze achteruitstelling van zelfstandige Afd. en kleine Ringen blijkt voorts ook nog uit art. 17 alinea 5. Hierin wordt bepaald, dat minstens 5 Ringen het recht hebben een Algem. Vergadering te laten houden. Niet bij een Ring aangesloten Afd. missen absoluut dat recht, al waren er ook 100 of meer zulke Afdeelingen. Waar een Afd. volgens het ontwerp slechts 15 leden behoeft te tellen (art. 6) en elke Ring slechts 2 Afd. (art. 7), volgt hieruit, dat 5 zulke kleine Ringen, tellende samen 150 leden, een Alg. Verg. kunnen laten bijeenroepen. Maar b.v. 1500 of meer leden, niet bij een Ring aangesloten, kunnen dat niet. Aangenomen, dat de groote meerderheid der Afd. zich tot Ringen van minstens 250 leden vereenigt, dan zal men een H.B. kunnen krijgen van 30 à 40 leden. (De Vereeniging telt ongeveer 10000 leden). Vormen zich eenige zeer groote Ringen, b.v. van 1000 en meer leden, dan nog valt op een H.B. te rekenen van 20 à 25 leden.

Afgezien van de kosten, die een dergelijk groot Bestuur met zich brengt en door de leden moeten betaald worden, is het de vraag of zulk een Bestuur wel bevorderlijk is aan een vlugge afdoening der zaken. Aan het H.B. is enkel opgedragen de uitvoering der besluiten van de Alg. Verg.; voor de Dagel. leiding benoemt het een Dag. Bestuur, niet uit zijn midden, maar uit de leden van den Bond (zie art. 16 en 19). Het H.B. vraagt zich af, of een dergelijke vrij kostbare en omslachtige vertegenwoordiging evenredig is aan de voordeelen, die men er zich van voorstelt. Het meent die vraag ontkennend te moeten beantwoorden.

In art. 7 wordt bepaald, dat een Ring bestaat uit 2 of meer Afdeelingen. De grootte van een Ring is dus onbeperkt. Gevolg hiervan kan zijn, dat, zoo zich enkele groote Ringen b.v. boven de 1000 leden vormen, deze in staat zijn hun wil aan tal van andere kleine Ringen en zelfstandige Afdeelingen op te leggen. Ook zelfs als in die groote Ringen de helft plus 1 van de leden daartoe lust gevoelt. Immers de Ringen brengen zooveel stemmen uit, als zij leden vertegenwoordigen (zie art. 18). Gesteld nu, dat er b.v. 4 Ringen zijn, te zamen 4000 leden tellende, en dat de kleinst mogelijke meerderheid in die 4 Ringen, dus ruim 2000 leden, iets willen, dan brengen zij in de A.V. te samen uit 4000 stemmen vóór hetgeen zij beoogen en niet zooals billijk en rechtvaardig zou zijn ruim 2000 stemmen. Als 13 kleinere Ringen b.v. elk van 300 zich eenstemmig mochten willen verklaren tegen hetgeen die 4 groote wenschen, dan staan zij eenvoudig machteloos. En toch hadden deze 3900 stemmen, gevoegd bij zeg 1900 leden van de 4 groote Ringen, die daar niet met de meerderheid (even 2000) konden meegaan, een meerderheid van 3900 plus 1900 is 5800 tegen. Niettegenstaande dit alles, zegeviert de wil van ruim 2000 leden, dank zij de voor groote Ringen bij uitstek gunstige bepaling, vervat in art. 18.

Het komt om deze redenen, die tot overheersching kunnen leiden, het H.B. noodzakelijk voor, dat de grootte der Ringen binnen zekere grenzen wordt beperkt. Ook op zich zelf is het niet wenschelijk al te groote Ringen, waarvan de Afdeelingen ver uit elkaar verwijderd liggen, toe te laten, maar in verband met de regeling van het stemrecht der Afgev. van de Ringen, is het in hooge mate bedenkelijk. Een paar voorbeelden (met zeer vele te vermeerderen) kunnen wellicht de bezwaren, die het H.B. heeft tegen art. 18, dat ook van toepassing is bij stemmingen in de Afdeelingen zelve, verduidelijken.

Als voorbeeld wordt genomen een Ring bestaande uit 12 Afd., totaal tellende 682 leden. In de Afd. vergaderingen is zeker voorstel besproken en er over gestemd met den volgenden uitslag:

Afd. . . Aantal leden . . . . . voor . . . . tegen . . . . . . Op de Vergadering brengt Afgev. uit:
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . voor . . . tegen
1. . . . . . . . 40 . . . . . . . . . 21 . . . . . 19 . . . . . . . . . 40
2. . . . . . . . 36 . . . . . . . . . 14 . . . . . 22 . . . . . . . . . . . . . . . . 36
3. . . . . . . . 30 . . . . . . . . . 10 . . . . . 30
4. . . . . . . . 66 . . . . . . . . . 15 . . . . . 51 . . . . . . . . . . . . . . . . 66
5. . . . . . . . 47 . . . . . . . . . 25 . . . . . 22 . . . . . . . . . 47
6. . . . . . . . 90 . . . . . . . . . 50 . . . . . 40 . . . . . . . . . 90
7. . . . . . . . 58 . . . . . . . . . 30 . . . . . 28 . . . . . . . . . 58
8. . . . . . . . 65 . . . . . . . . . 15 . . . . . 50 . . . . . . . . . . . . . . . . 65
9. . . . . . . . 87 . . . . . . . . . 30 . . . . . 57 . . . . . . . . . . . . . . . . 87
10 . . . . . . .39 . . . . . . . . . 25 . . . . . 14 . . . . . . . . . 39
11 . . . . . . .79 . . . . . . . . . 19 . . . . . 60 . . . . . . . . . . . . . . . . 79
12 . . . . . . .45 . . . . . . . . . 25 . . . . . 20 . . . . . . . . . 45 . . . . . . . .
Totaal . . . .682 leden . . . . 289 . . . . .393 . . . . . . . . 349 . . . . 333

De uitslag in de Afd. vergaderingen is dus, dat er 289 voor en 393 tegen het voorstel zich verklaard hebben. Maar in de Ring vergadering waar de Afgev. van de Afdeelingen stemmen, zooals hun is opgedragen, wordt gerekend overeenkomstig art. 18, dat er 349 stemmen zijn uitgebracht vóór en 333 tegen het voorstel. De Afgev. van dezen Ring naar de Alg. Ver. krijgt dus de opdracht vóór het voorstel te stemmen en brengt dan 682 st. uit, niettegenstaande het feit, dat er in den Ring maar 349 voorstemmers waren en met volslagen negeeren van het andere feit, dat in de Afd. vergaderingen het voorstel inderdaad is verworpen met 393 tegen 289 stemmen. Toch worden er, alsof het een kleinigheid ware, in de Alg. Verg. 682 stemmen als vóór genoteerd.

Waren deze 12 Afd. door hun eigen afgev. zooals tot heden gebeurd, vertegenwoordigd geworden en niet door één Afgev. van den Ring, dan zouden de Afdeelingen l, 3, 5, 6, 7, 10 en 12 hebben voorgestemd en uitgebracht hebben respectievelijk 1, 1, 1, 3, 2, 1 en 1 stem of totaal 10 stemmen en de Afd. 2, 4, 8, 9 en 11 resp. 1, 2, 2, 3 en 3 st. of totaal 11 stemmen tegen. Het voorstel zou dan, voor zoovér het deze 12 Afd. betreft, verworpen zijn met 11 tegen 10 stemmen, overeenkomstig de meening van de meerderheid der leden (393 tegen en 289 voor).

Men voelt, dat de fout schuilt in art. 18 van het ontwerp. Niet een Afgev. van een Ring moet op de A. Verg. het stemrecht uitoefenen, maar wel elke Afdeeling afzonderlijk door zijn eigen Afgev.
De Ring diene tot onderlinge besprekingen en overleg, maar verder niet. Anders komt men tot toestanden als boven en die zal toch wel niemand willen.

Als tweede voorbeeld, bij het eerste aansluitend, wordt genomen het verloop der stemming op de Alg. Verg. Volgens het ontwerp, brengen daar Ringen en Afd. zooveel stemmen uit als zij leden vertegenwoordigen. De Afd. buiten beschouwing latende (haar invloed op de Alg. Verg. is al heel luttel, tenzij het overgroote aantal zelfstandig blijft) kan zich daar het volgende afspelen bij de stemming over een of ander voorstel:

Ring. . . . . Aantal leden . . . . . voor . . . . tegen . . . . . . Afgev. van Ring brengt uit:
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . voor . . . tegen
A. (1e voorb.) . . 682 . . . . . . . 349 . . . . . 333 . . . . . . . 682
B. . . . . . . . . . . 400 . . . . . . . 100 . . . . . 300 . . . . . . . . . . . . . . 400
C. . . . . . . . . . . 280 . . . . . . . 150 . . . . . 130 . . . . . . . 280
D. . . . . . . . . . . 550 . . . . . . . 300 . . . . . 250 . . . . . . . 550
E. . . . . . . . . . . 600 . . . . . . . 100 . . . . . 500 . . . . . . . . . . . . . . 600
Totaal . . . . . . .2512 . . . . . . . 999 . . . . 1513 . . . . . . 1512 . . . .1000

In de Ringvergaderingen was dus de uitslag: 1513 tegen en 999 voor; dus verworpen. Maar op de Algem. Verg. wordt overeenkomstig art. 18 gerekend 1512 voor en 1000 tegen. Wat deze 5 Ringen betreft, worden er dus 1512 vóór het voorstel uitgebracht, niettegenstaande er inderdaad maar 999 vóór doch 1513 tegen waren. Wordt op deze wijze niet wat heel erg met den uitgesproken wil van de meerderheid der leden gesold, of misschien beter gezegd gegoocheld? Tot welke buitensporige toestanden de toepassing van dit stelsel leiden kan, blijkt o.a. ook hieruit, dat, indien een klein aantal groote Ringen in zich heeft opgenomen iets meer dan de helft van het aantal leden der geheele Vereeniging, dit kleine aantal Ringen in staat wordt gesteld, om met de helft zijner leden plus 1 (dus ruim 2500) aan de overige 7500 leden de wetten voor te schijven. Dus 1/4 der leden kan heerschen over 3/4. De grootst mogelijke minderheid wordt kalmweg bij de meerderheid ingelijfd.

Dit laatste gebeurt nu ook wel in de Afdeelingen (een minderheid heeft zich steeds neer te leggen bij de meerderheid om een resultaat te verkrijgen), maar hier nemen de getallen niet zulke afmetingen aan. Die minderheid bestaat dan uit hoogstens enkele tientallen leden voor elke Afd., terwijl zij in de Ringvergadering tot even zooveel honderdtallen kan klimmen en op de Alg. Verg. nog veel erger in de verdrukking kan komen. Het H.B. meent dan ook elke stap in de richting om aan Ringen stemrecht te geven, zooals art. 18 wil, ten sterkste te moeten ontraden, alsmede om aan Ringen de verkiezing van een H.B. op te dragen. Deze beide zaken behooren te zijn en te blijven in de handen van de Afdeelingen zelve.

Een Afdeeling, die zich deze rechten laat ontnemen, teekent haar eigen doodvonnis. Voorzeker, Ringen kunnen nuttig werk verrichten en krachtig de algemeene belangen bevorderen. Wanneer eenige Afdeelingen, die niet te ver uit elkaar liggen, een Ring vormen om de voorkomende zaken, waarbij gemeenschappelijke belangen zijn betrokken, te bespreken, elkaar van raad te dienen enz. enz., dan verdient zulks alle aanbeveling. Maar dat mag nooit in zich sluiten, dat hiermee de zelfstandigheid van de Afdeelingen wordt ingeboet.

De invloed van zulke ringen mag zich niet verder uitstrekken dan in art. 9 van het ontwerp is opgenomen. Tegen een zoodanige Ringvorming verzetten zich de bestaande statuten niet. En als de kosten geen bezwaar opleveren, zou het ernstig overweging verdienen, om minstens eenmaal per jaar de Voorz. van zulke Ringen en van de zelfstandig gebleven Afdeelingen te laten vergaderen met het H.B., al was het enkel om wat meer voeling te verkrijgen tusschen Afdeelingen en H.B.

Sedert de leeraar der Vereeniging in Rijksdienst is overgegaan, is het contact tusschen Afdeelingen en Hoofdbestuur er zeer op achteruit gegaan, wat zich nog in erger mate doet gevoelen, nu het H.B. niet meer in alle deelen des lands is vertegenwoordigd. Het H.B. is dan ook van oordeel, dat maatregelen dienen getroffen te worden, om aan dezen laatsten misstand een einde te maken. Dit zou o.a. mogelijk zijn, indien het land wordt verdeeld is Kieskringen, die ieder voor zich (dus zonder medewerking van de andere kieskringen) zijn eigen vertegenwoordigers in het H.B. kiezen. Elke kieskring is dan steeds in het H.B. vertegenwoordigd door personen, die het vertrouwen hebben van de leden, welke binnen dien Kieskring wonen. Verrassingen zooals thans, dat plotseling, ja zelfs geregeld (van dit laatste leveren Drenthe en Overijsel o.a. een bewijs) zeer groote en belangrijke imkerstreken buiten het H.B. worden gehouden, zullen dan voorgoed tot het verledene behooren.

De bedoeling van deze Kieskringen wordt in het volgend schema wellicht wat verduidelijkt:
Kieskring A. omvat de provinciën Friesland, Groningen en Drente. Hij kiest binnen zijn grenzen 2 leden in het Hoofdbestuur.
Kieskring B. omvat de prov. Overijsel, Gelderland en Utrecht. Ook deze kiest binnen zijn gebied 2 Hoofdbestuursleden.
Kieskring C. omvat de provinciën Limburg, N.-Brabant en Zeeland. Hij kiest eveneens binnen zijn grenzen 2 H.B. leden.
Kieskring D. omvat de provincie N.- en Z.-Holland. Hij kiest binnen zijn gebied één H.B. lid.

De Voorzitter der Vereeniging, tevens Voorzitter van het H.B., heeft in dit laatste College een raadgevende stem en wordt door de gezamelijke kieskringen gekozen.
Om te voorkomen, dat in de drie eerste kieskringen 2 H.B. leden worden gekozen in één prov., wat niet gewenscht is, kan bepaald worden, dat in geen enkele prov. meer dan één lid van het H.B. (behalve de Voorz.) mag woonachtig zijn. Eventueele grensafdeelingen worden geacht te behooren tot dien Kieskring, waar binnen haar zetel is gevestigd. Alle leden, ook de verspreide, hebben binnen de grenzen van hun kieskring het stemrecht voor de verkiezing van hun eigen vertegenwoordigers in het H.B.

Ongetwijfeld zal een dergelijke regeling ten gevolge hebben, dat een rechtvaardiger en billijker vertegenwoordiging van de afdeelingen in het H.B. wordt verkregen en behouden.

Er zijn nog een paar artikelen in het ontwerp, die wel nader onder de oogen mogen worden gezien.
In art. 6 wordt bepaald, dat Afdeelingen minstens 15 leden moeten tellen. Thans is dat 25. Te vreezen is, dat door deze bepaling de splitsing van de bestaande grootere Afd. zal worden in de hand gewerkt. Reeds nu is het meermalen voorgekomen, dat om allerlei redenen een bloeiende, flinke Afd. werd opgelost in 2 kleinere, van wie vanwege de geringe financieele inkomsten, al zeer weinige kracht kan uitgaan. De ervaring leert, dat middelmatig groote Afdeelingen, (van 60 tot 100 leden), mits haar leden niet al te verspreid wonen, verreweg het meest presteeren en dat kleine (25 tot 35 leden) in den regel een kwijnend bestaan hebben. Het zou te betreuren zijn, indien onze beste Afdeelingen in eenige kleine zouden uiteenvallen met weinig levenskracht. Het komt in elk geval het H.B. niet gewenscht voor, dat aan groepen van maar 15 leden het recht wordt gegeven, om een zelfstandige Afd. te proclameeren. Opmerkelijk is wel, dat van een behoefte om twee kleine Afd. tot een grootere te vereenigen, nooit iets is gebleken, maar wel van de zucht, om zich af te scheiden. Natuurlijk kunnen voor dit laatste geldige redenen bestaan (verre afstanden, slechte verkeerswegen, slechte verbindingen enz.), al ware dan wellicht verkieslijker een onderafdeeling te vormen, zooals art. 6 der bestaande Statuten veroorlooft.

Een ander punt is nog de regeling van de financiën in het ontwerp (zie art. 14 en 15). Het H.B. vraagt zich af, hoe het toekomstig Bestuur met deze regeling de zaken zal kunnen besturen, aangezien het niet de minste zekerheid heeft, dat het benoodigde geld voor algemeene zaken (ambtenaren, bibliotheek, maandschrift, enz.) door de Alg. Verg. zal worden beschikbaar gesteld. Immers het vaste bedrag, dat hiervoor jaarlijks wordt gegeven, wordt ieder jaar door de Alg. Verg. bepaald. Het Bestuur weet dus vooruit niet, over welk bedrag het in het loopend dienstjaar met zekerheid kan beschikken. Alles wordt op losse schroeven gesteld. Men houde hierbij in het oog, dat het ontwerp het Vereenigingsjaar wil laten beginnen 1 Oct. (zie art. 3) terwijl de Alg. Verg. wordt gehouden in April daaraan volgende. Het Bestuur heeft onder zulke omstandigheden zeker geen benijdenswaardige taak.

Het komt het H.B. noodzakelijk voor, dat evenals thans een vaststaand bedrag als quotum in de Algemene kas wordt gestort, waarover het Bestuur voor het loopend dienstjaar met zekerheid kan beschikken. De Alg. Verg. blijft het recht behouden, om in de Aprilvergadering naar believen dit quotum voor het volgend dienstjaar vast te stellen. Is er dan geen geld genoeg meer, om b.v. een ambtenaar behoorlijk te bezoldigen, dan kan het Bestuur hem ontslaan aan het einde van het loopend dienstjaar. Het Bestuur komt dan niet voor onaangename verrassingen te staan, die de Alg Vergad. mocht willen bereiden. Zie hierbij ook art. 3, alinea 2 en 3 van het ontwerp Huishoudelijk Reglement.

Het ontwerp zwijgt over het vervreemden van eigendommen der Vereeniging en het voeren van eventueele processen, zooals in de bestaande Statuten in art. 10 alinea 2 is omschreven. Is het de bedoeling, dat Commissarissen (H.B.) of Dag. Bestuur hierin kunnen handelen naar eigen goedvinden, zonder de Alg. Verg. te raadplegen? Dat zou toch geen aanbeveling verdienen. De Vereeniging heeft bezittingen van vrij aanzienlijke waarde, met welke toch niet naar de inzichten van een wisselend Bestuur naar believen kan worden gehandeld.

Het H.B. heeft tegen verschillende andere artikelen nog wel bedenkingen (het ziet b.v. noch de wenschelijkheid noch de noodzakelijkheid in van naamsverandering, zetelverplaatsing, wat in het ontwerp in art. 1 en 2 wordt voorgesteld) maar deze bedenkingen zijn van meer ondergeschikten aard. De hierboven genoemde bezwaren zijn in hoofdzaak gericht tegen de grondslagen, die in het ontwerp zijn neergelegd. Die grondslagen acht het H.B. niet in het belang van de Vereeniging.

Een betere vertegenwoordiging en meer contact met de leden is te verkrijgen, zonder de Ringen te aanvaarden, zooals het ontwerp aangeeft en waarin naar de vaste overtuiging van het H.B. groote gevaren schuilen. Daarom ontraadt het H.B. aanneming van dit ontwerp en het dringt er bij de leden met klem op aan, om het voorgelegde ontwerp met ernst te bestudeeren, ook in vergelijking met de bestaande Statuten, die, behoudens enkele wijzigingen en aanvullingen, te verkiezen zijn boven hetgeen hiervoor in de plaats zal worden gesteld. De bestaande Statuten zijn het laatst opgenomen in het Maandschrift van September 1920 blz. 134).

Afdeelingen, die zich geheel of in hoofdzaak met de door het H.B. aangevoerde bezwaren tegen het ontwerp kunnen vereenigen, gelieven zoo mogelijk voor het einde van het jaar mede te deelen, of zij zich met de volgende motie kunnen vereenigen:
„De buitengewone Algemeene Vergadering der Vereen, tot bevordering der Bijenteelt in Nederland, gehouden op 5 Jan. 1921 te Utrecht in hotel l' Europe,
gezien het ingediende ontwerp-Statuten en Huish. Reglement;
gezien de daartegen aangevoerde bezwaren van het Hoofdbestuur;
spreekt als hare meening uit, dat dit ontwerp niet is in het belang der Vereeniging en daarom wordt afgewezen;

draagt het H.B. op in de gewone jaarvergadering van April 1921 zoodanige voorstellen tot wijziging der bestaande Statuten te doen, dat daarin o.a. wordt opgenomen:
I. de verdeeling van het land in Kieskringen voor de verkiezing van leden van het H.B.;
II. de bevoegdheid der Afdeelingen tot het vormen van Ringen;
III. een omschrijving van de rechten en verplichtingen dezer Ringen.

Opmerking: Het Hoofdbestuurslid, de heer Joustra, heeft verzocht te willen meedeelen, dat hij geenerlei verantwoordelijkheid op zich wil nemen voor hetgeen in bovenstaande nota van de andere Hoofdbestuursleden is neergelegd.

Opmerking: Bewijzen van instemming met bovenstaande motie moeten door Voorz. en Secret, der Afd. geteekend worden.