Een onverkwikkelijke strijd.


In 't Novembernummer van de Practische Imker schrijft het Bestuur der Afd. N. en Z.-Holland een stuk van 5 kolommen, om mijn artikel te bestrijden, dat voorkomt in 't Sept.nr. van Het Maandschrift en hetwelk getiteld is: „Afd. Handel en de Vereeniging."

Waar mijn toon toen kalm en waardig was, en waar ik een poging deed om de zaken juist te beschouwen, daar noemen de heeren mij een leugenaar en geven mij verder in hun stuk een reeks scheldwoorden. Het grootste deel van hun art. is niet een weerlegging van de feiten, maar een verdachtmaking en een bespotting van mijn persoon.

Ik wijs er nog eens op, dat de getallen juist zijn. De heeren zeggen op blz. 118 van het Maandschrift (Aug. "Ingezonden: voorstellen inzake afd. Handel") dat de getallen onjuist zijn en dat het verlies is „weggemoffeld", hoewel ze zeer goed weten dat alles is opgemaakt door een accountant, die de zaken op de Algem. Verg. in hun bijzijn nog mondeling heeft toegelicht. Die accountant wordt op blz. 118 dus aan de kaak gesteld.
En wat leest men nu in de voorlaatste kolom van 't art. in de Practische Imker, en nog wel cursief gedrukt: „Zoo'n accountant knoeit niet! Ook schrijven de heeren: „De accountant is toch niet gek?
Ziehier hoe de heeren op 't belangrijkste punt zich zelf geheel tegenspreken. En zoo is hun geheele artikel.

Op blz. 119 van 't Maandschr. maken ze drukte over 3 processen, en in de Pr. Imker spreken ze nog van kwesties, omdat ze voelen, dat ze 't mis hadden. Ziehier hoe de heeren opblazen en wegdoezelen, al naar hun het beste voorkomt. Zoo is hun geheele artikel. Zij zeggen, dat ik in mijn domheid ben vergeten te vragen op wiens kosten de heer v. Giersbergen een snoepreisje naar Duitschland heeft gemaakt. Deze ging op kosten der Regeering een studiereis maken naar Duitschland en reisde tijdelijk met den heer Van Os.

De heeren schrijven aan 't slot van hun stuk: „Ga uit onze oogen; Gij zijt geen partuur voor ons." Dit is toch wel een voorbeeld van onbegrensde pedanterie. Waarom vinden de heeren het noodig mijn kort artikel met een ellenlang stuk te bestrijden?

Verder schrijven de heeren: „Wij voelen ons te moede als een man, die een kleinen jongen een pak voor de broek heeft moeten geven."
Kan 't nog pedanter?
Het heele geschrijf der Haarlemsche heeren doet denken aan 't heesche geschreeuw van een charlatan, die zijn Haarlemmerolie aan de menschen moet opdringen. De waarheid in het art. der Heeren doet denken aan Baron von Münchhausen. De opgeblazen en verwaande stijl wijst op persoonlijkheden als Baas Ganzendonck. De wijze van strijden komt geheel overeen met die van Don Quichotte.
De heeren vinden mijn portret in L'Avare van Molière. Ik vind het juiste portret der heeren in De Amsterdammer (De Groene) van 26 November j.l. op blz. 2, de teekening van Jordaan, waar boven staat: „Onze „afd." is 12 jaar lang een klets „afd." geweest."

JACOB EERLIJK.