Bijenhouden in de stad.

(Vervolg).
We vroegen den dekknecht een emmer water om door sprenkelen met water ze wat tot rust te brengen. Op onze vraag of het een groote tros was geweest, kregen we ten antwoord: O ja! want ik heb er zeker wel een millioen weggespoeld. Toen begonnen we te begrijpen dat met dat spoelen ook de moer moest zijn omgekomen. Dit bleek later ook bij het opzetten. De bijen liepen willig de kast in, doch al spoedig liepen ze er weer uit. En toen het onder de bedrijven door donker was geworden, liepen de bijen nog vóór en om de kast in verwarring rond, waarbij een deel in het water van een nabijzijnde dakgoot omkwam.

In een bevruchtingskastje hadden we een jonge onbevruchte moer met een handjevol bijen. We brachten dat kastje bij het onrustige volkje. Het bleek nu hoe gaarne zwermbijen een vreemde koningin aannemen. Onmiddellijk trokken allen onder lustig gegons het kastje binnen, zoodat het in een oogenblik propvol zat. Ze hebben zich echter in die kleine ruimte allen een plaats weten te verzekeren. Van den mooien zwerm was dus al heel weinig overgebleven. Hoe avontuurlijk ons zwermuitstapje, waarbij we met de motorschuit nog een watertochtje hadden gemaakt, ook was verloopen, voor de bijen die in de volle weelde van hun bestaan zoo vroolijk waren uitgetrokken tot het stichten van een nieuwe kolonie, eindigde het geval tragisch.

Nog tweemaal vingen we in de stad een nazwerm op; de laatste nota-bene nog op 17 Aug.
Het duurde tot in de eerste dagen van Juni voordat onze eigen volken zwermneigingen begonnen te vertoonen. De aanwezige moerdoppen waren bezet, alle raten zaten vol broed en midden op den dag zaten groote klompen jonge bijen tegen het vensterkozijn. Op den middag van 12 Juni was er vóór een van de kasten een drukte alsof de geheele bende tegelijk was losgebroken. Het volk bleek gezwermd te hebben en bezig op de kast terug te vliegen. De geknipte moer werd tusschen een klein klompje bijen op den vloer teruggevonden. Van het volk werd een kleine veger genomen waarbij de oude moer als reserve werd gezet.

's Avonds werden de moercellen uitgesneden en een jonge bevruchte moer, die vooraf geknipt was, ingezet. Juist 8 dagen later kwam de zwerm weder af, doch bleef steken. De jonge moer was niet meegegaan. De geheele vliegplank, alsmede het vensterkozijn en omgeving was één bruine vlakte van bijen die met trillende vleugels langzaam naar het vlieggat terugliepen. Wederom werden 's avonds de moercellen uitgesneden. Nu een 20 tal. Doch de zwermdrift zat erin en was niet meer te stuiten. Reeds den volgsnden morgen om 9 uur kwam de zwerm weer af. Het was Zondag, we konden dus onze maatregelen nemen. De geknipte moer kwam nu mee, werd opgevangen en in een moerhuisje in het zwermkistje buiten geplaatst.
Slechts een klein klompje bijen voegde zich bij haar. De rest had zich gezet boven in een perenboom welke in een kleinen tuin stond, een paar huizen van ons af. Ze moesten, zoo dachten we ten minste, zonder moer zijn en zouden dus zeker terugkeeren.

Ondertusschen keken we de kast na, waarbij bleek dat we den vorigen avond een drietal moercellen die ondsr aan een raat bij elkaar zaten, over het hoofd hadden gezien. Den avond te voren hadden we ook de andere kast nagezien en er een 20-tal moercellen uit weggenomen. We hadden toen de oude geknipte moer niet gevonden, terwijl van de uitgesneden cellen er 3 ledig bleken. Het liep tegen de schemering en we konden niet meer nagaan of er een moer aanwezig was. We konden slechts gissen wat er gebeurd was. De kast, hoewel, nog flink vol, moest gezwermd hebben.

Toen nu 's middags om 2 uur de rest van den zwerm nog niet was teruggekeerd, verstoutten we ons om onzen buurman, eigenaar van den perenboom waarin onze bijen zaten, in zijn Zondagsrust te gaan storen. De vrouw des huizes begon met een klaaglied over de zwermbijen die bij hen waren neergestreken, zoodat ze met het mooie weer alle vensters had moeten sluiten. Doch al spoedig stonden we onder de bewuste boom. Onder het overleggen hoe we er bij zouden kunnen komen, kregen we de mededeeling dat de tros er al 4 dagen zat, al reeds van af Donderdag te voren. We keken elkaar en daarna onzen zeeman eens ongeloovig aan.

Bij het verkennen van de omgeving kregen we echter een onloochenbare aanwijzing omtrent de juistheid zijner bewering. Onder den boom was een bloemperk waarin slechts enkele natuurproducten stonden die duidelijk blijk gaven van hun hopelooze pogingen om nog eenig voedsel uit den schralen grond te halen. In dat perk lag, juist onder den tros, een kring van eenige honderden doode bijen, die reeds door de inwerking van de zon verdroogd waren. Het waren de oude vliegbijen die hangende in de boom in die 4 dagen het leven gelaten hadden.

Het raadsel van kast 2 was nu opgelost en tegelijk de weinige geneigdheid van onze zwermbijen om bij hun eigen koningin in het zwermkistje terug te keeren. Zonder dat we het gemerkt hadden, had kast 2 gezwermd. De geknipte moer was verloren gegaan; de bijen waren op de kast teruggeslagen, doch enkele dagen daarna er met 3 jonge moeren vandoor gegaan. Zij hadden zich een plaats in den bewusten perenboom gezocht. En na daar 4 dagen gezeten te hebben hadden de bijen van den zwerm, waarvan wij nu de moer in het zwermkistje hadden, zich bij hen gevoegd.

Ze vormden samen een reuzentros, die op een 12 Meter hoogte rondom het uiteinde van een zijtak zat. Het was een schier ongenaakbaar punt. Voor een ervaren imker zou het zeker een moeilijk oplosbaar vraagstuk geweest zijn om de bijen daar vandaan te krijgen. We zijn er echter in geslaagd. Het bleek een goede oefening te zijn geweest, want toen een week later zich een nazwerm op precies dezelfde plaats zette, hadden we die in een oogenblik binnen. Een onzer is den boom ingegaan met een hark met langen steel. Een lang touw werd met de hark gelegd over een tak nabij den tros. Aan dat touw werd een vangkorf bevestigd die nu tot vlak onder den tros werd opgeheschen, waarop met de hark zooveel mogelijk bijen in de korf werden geveegd.

Onder den boom hadden we het reeds beschreven zwermkistje waarin de moer van de in den morgen uitgetrokken zwerm. We lieten de bijen uit de korf, die aan het touw was afgevierd, in het kistje loopen. Intusschen vlogen boven de bijen weder aan. Na deze bewerking 4 maal herhaald te hebben hadden we alle bijen beneden. We kregen zoo een zwerm van bijna 6 pond zwaar bij elkaar, welke op een nieuwe kast werd gezet. Het naar beneden halen van de bijen was wel op een min of meer hardhandige wijze geschied, doch nood breekt wet. De bijen zaten rondom den tak. Van afstooten van den tros in zijn geheel had dus geen sprake kunnen zijn.

Zooals te voren reeds gezegd kregen we nog een nazwerm die ook zonder ongelukken kon worden binnengehaald, zoodat het zwermen van uit onze dakkamer toch zonder verliezen verliep.

In het voorjaar hadden we van Beil te Dinxperlo een bevruchtingskastje laten komen, dat tot in den nazomer in gebruik is geweest voor het in reserve houden van jonge koninginnen. De inrichting is eenvoudig en practisch, de prijs hoogst billijk (ƒ 2.60). De bevruchting van de erin geplaatste jonge koninginnen had immer binnen korten tijd plaats. Gemakkelijker dan bij een groote volle kast kan het op bruidsvlucht gaan van de jonge koningin er bij worden waargenomen. Wij troffen het dat een in voorraad zijnde jonge moer daarvoor den Zondag koos. Het was 's middags 2 uur, mooi zonnig weer en er vlogen veel darren toen zij naar buiten kwam. De op de vliegplank aanwezige bijen schonken haar niet de minste attentie. Zij had vermoedelijk al gevlogen, althans van verkennen zooals bijen dat doen die voor het eerst uitgaan werd niets bemerkt. Zij schoot rechtstreeks van af de standplaats het luchtruim in en bleef omstreeks een kwartier weg.

Zij keerde weder maagdelijk terug en verdween in het kastje, om er na korten tijd weder uit te voorschijn te komen en haar vlucht te herhalen. Nu bleef zij bijna een half uur weg. Bij terugkeer droeg zij de duidelijke kenteekenen van met een dar in aanraking te zijn geweest. Het spichtige achterlijf was een weinig uitgestulpt en vertoonde aan het uiteinde een wit glazig propje. Onmiddellijk vielen nu de bijen op haar aan en beten en knauwden haar tot zij met hare belagers van de vliegplank op den grond viel. Na los gekomen te zijn vloog zij naar de vliegplank terug, waar zich het zelfde spelletje herhaalde tot de vechtende kluwe in het vlieggat verdween. Deze vertooning leek al heel weinig op de voorkomendheid waarmede volgens sommige schrijvers de bijen hun Koningin behandelen. Het leek er meer op of, nu zij bruikbaar geworden was om als ziel van den bijenstaat te functioneeren, het volkje begon met haar op krachtdadige wijze onder appèl te brengen en geschikt te maken om haar gedurende haar verder bestaan aan den leiband te doen loopen.

In het April-nummer van „de Bijenteelt" schreef de Heer T.C. Hootsen iets over het oriënteeringsvermogen van jonge koninginnen. Toen we in de zwermdagen onze kasten nakeken waren we in de gelegenheid dit aan de werkelijkheid te toetsen.

T.