Sprokkelingen van eigen bodem.

De heer F.J.H. Siebenhar, voorzitter der afd. Warnsveld, schreef ons: „Sedert eenigen tijd is in ons orgaan geopend de rubriek „Sprokkelingen uit 't Buitenland", een aardig en leerzaam resumé, door den heer A. Oonk uit Buitenlandsche tijdschriften samengesteld.
Was 't nu niet aardig ook eens „Sprokkelingen van eigen bodem" onzen imkers aan te bieden. Als ieder zijn best doet, is er aan anecdotes en humor heel wat bij elkaar te brengen.
Wij vinden dit een aardig voorstel en willen gaarne aan deze Sprokkelingen een plaatsje geven. Wie werkt aan deze rubriek mee?


lo. Hoe gevreesd onze bijtjes zijn.
Een dame, die een kweekerij bezoekt, vraagt den bloemist, wat dat gezoem beduidt. Toen Mevrouw van bijen hoort praten, trekt ze haar rokken omhoog en springt angstig rond. De onthutste bloemist tracht de dame gerust te stellen, doch Mevrouw verlaat ijlings de kweekerij.
S.


2o. In den tuin van een villa in Dordrecht heeft zich een zwerm aan een klein boompje gezet. Verschrikt komt de meid het aan Mevrouw meedeelen en deze gelast den bijentros met petroleum te begieten en te verbranden.
H.


3o. Hij kende 't bijenleven niet.
Een ontwikkeld heer vroeg mij eens, toen ik een bijenzwerm in een schepkorfje vervoerde, hoeveel bijen er in zouden zitten. Ik antwoordde: „vele duizenden", waarop hij zei: „dan zult U 't toch razend druk hebben gehad en lang bezig zijn geweest?" Hij verkeerde in de meening dat die bijen één voor één in den korf gestopt moesten worden.
H.


4o. Hij viel uit zijn rol.
Een deftig man in gekleede jas, met hoogen hoed, rustig en statig in al zijn bewegingen, komt in den bijenstal van mijn vriend. Deze waarschuwt den bezoeker, doch op 't zelfde oogenblik ontvangt die een bijensteek op den top van zijn neus. Verschrikt slaat de bezoeker in 't rond, verliest zijn hoogen hoed en maakt al vluchterde potsierlijke sprongen. Eén bijtje deed plotseling alle deftigheid en zelfbeheersching verdwijnen en overgaan in de bewegingen van een nar en een clown.
H.


5o. Hoe geliefd onze bijtjes zijn bij belasting-autoriteiten.
Een mijner mede-imkers kreeg een aanslag thuis van de rijksinkomsten-belasting. Desgevraagd hoe de fiscus aan zulk een hoog bedrag kwam, deelde men hem mede zijn belastbaar inkomen te hebben verhoogd met ƒ 200.--, de winst gemaakt op zijn zes kasten, die hij geheel uit liefhebberij houdt. Uit de opbrengst van den honing die hij verkoopt schaft hij zich zijn suiker aan. Zelf eet hij een groot kwantum, hij is maaglijder. ƒ 200 voor zes kasten is toch wel wat forsch aangepakt.

Binnenkort hooren wij van iemand die 10 kippen heeft, die hem per jaar 365 eieren ieder opbrengen, tegen ± ƒ 0.10 p. stuk is ƒ 365.--, of van een belastingbetaler die een perenboompje heeft waaraan 60 peren zitten die zijn belastbaar inkomen vermeerderen met 60 X 10 cts.
Ook zou de belasting-ambtenaar gebiedend dienen in te grijpen wanneer iemands hond drie of vier jongen wierp, die bij verkoop tegen ƒ 10 per stuk een heel bedrag vertegenwoordigen. „Wat leven we toch gelukkig."
S.


(S= H. Stienstra, H= T.C. Hootsen)