INGEZONDEN.

In het verslag der Algemeene Vergadering van 5 Januari 1922, voorkomende in het Maandschrift van Januari, heb ik hier en daar een veeg uit de pan gekregen van den heer Redacteur, en ik meen daarom den redacteur beleefd te mogen verzoeken mij een kleine ruimte in het eerstvolgend nummer van het maandschrift te willen afstaan.

Den 13 December verscheen een circulaire namens het H.B. door den voorzitter en secretaris onderteekend met den bekenden inhoud. Deze zaak was evenwel niet in een H.B. vergadering besproken of behandeld, zoodat de voorzitter en secretaris ook niet namens het H.B. hadden mogen onderteekenen. Op de algemeene vergadering was echter de meerderheid der daar aanwezige H.B. leden het eens met den inhoud, in welke omstandigheid ik aanleiding vond dit punt verder te laten rusten. Dit neemt evenwel niet weg, dat de circulaire niet uitgegaan is van het H.B.

Wat nu de quaestie zelve aanbelangt, het H.B. was ongetwijfeld gerechtigd, zelfs verplicht een beslissing te nemen. Toen evenwel bleek, dat verschillende (ook volgens het systeem van het H.B. stemgerechtigde) afdelingsafgevaardigden het niet eens waren met de beslissing van het H.B., en deze afgevaardigden zich beriepen op de algemeene vergadering, toen had het H.B. de beslissing in hoogste instantie moeten overlaten aan de algemeene vergadering. Er was hier een geschil tusschen het H.B. en verschillende afgevaardigden, deze afgvaardigden verzochten stemming door de Algemeene vergadering, beriepen zich dus op de alg. verg. en het H.B. had daaraan gevolg moeten geven.

Art. 14 der Statuten zegt dit uitdrukkelijk. En had het H.B. voor deze stemming voorgesteld, dat alleen de volgens het H.B. stemgerechtigde afgevaardigden zouden mogen stemmen, dan was hiertegen vermoedelijk geen oppositie gerezen, omdat men nu eenmaal uit de impasse moest geraken.

M.i. staat onomstootelijk wast, dat het H.B. in strijd met de statuten heeft gehandeld. Het geheele debat over deze aangelegenheid had plaats, voordat de vergadering was geopend. Het spreekt van zelf, dat geen besluit mogelijk is, voordat een vergadering geopend is en daarom kwam ik na de opening nog even op de zaak terug, alhoewel ik mij toen geen oogenblik illusies heb gemaakt, dat de voorzitter tot inkeer zoude zijn gekomen.

Lent, 30 Januari 1922.
Mr. EBBINGE WUBBEN.

P.S. Misschien had de voorzitter het wel op een stemming kunnen laten aankomen. Zijn dreigement de vergadering te zullen verlaten en een aanklacht in den Haag in te zullen dienen, had misschien de oppositie wel den mond gesnoerd. Mag ik, als rechtsgeleerde, zooals de heer Redacteur mij vleiend betitelt, inmiddels den heer voorzitter met de meeste bescheidenheid in overweging geven de wet tot regeling en beperking van het recht van vereeniging en vergadering, speciaal art. 10 dier wet, eens na te lezen?

Mr.E.W.