Antwoord op het rapport van de Commissie tot onderzoek naar de levensvatbaarheid van de Afdeeling Handel.


Het Hoofdbestuur heeft met belangstelling kennis genomen van het rapport van de commissie tot onderzoek naar de levensvatbaarheid van de Afd. Handel, welk rapport het Hoofdbestuur Maart 1921 heeft bereikt, en in het julinummer van het maandschrift 1921 is opgenomen. Het was het Hoofdbestuur bekend, dat de boekhouding van afd. Handel in de eerste jaren (1917 en begin 1918) niet was zooals die wezen moest en is dit in hoofdzaak toe te schrijven aan de groote vlucht die afd. Handel na de oprichting heeft genomen.

Het Hoofdbestuur is er dan ook in 1918 toe overgegaan om een boekhouder te benoemen en de administratie te stellen onder geregeld toezicht van een accountant, en is na dien tijd de boekhouding ingericht zooals ze wezen moet, zoodat ze nu aan alle eischen voldoet.

De verwondering der Comm., dat door het H. B. geen enkele handeling wordt of is verricht, om de boekhouding te controleeren, moet dan ook op een misverstand berusten. Immers werd in 1918 door het H. B. daarvoor een Comm. aangewezen, bestaande uit den Voorz. der Vereen., een lid der Afd. Wageningen en een lid der Afd. Veenendaal, welke Commissie in functie is gebleven tot het nazien der boekhouding werd opgedragen aan een accountant. Daarop doelde dan ook de Voorz., toen hij in de jaarvergad. van 1920 zeide, dat het H. B. geregeld controle houdt. Altijd voor zoover ondeskundigen daartoe in staat zijn.

Behalve voor deze Commissie waren natuurlijk alle boeken en bescheiden voor ieder lid van het H. B. ten allen tijde voor controle beschikbaar. Dat het kasboek van Juli '17 tot einde Dec. '17 niet aan de Commissie is overgelegd, vindt zijn oorzaak hierin, dat de Afd. Handel eerst met 1 Jan. 1918 voor rekening der Vereen. is gedreven, al is de winst van dat halfjaar aan de Afd. Handel overgedragen, toen zij door de Vereen, definitief was opgericht.

Het Hoofdbestuur kan zich niet vereenigen met de Commissie die zegt, dat het den leider van Afd. Handel ontbroken heeft aan het noodige inzicht omtrent de personen met wie gehandeld werd en aan het juiste begrip omtrent de verhouding tusschen Afd. Handel en de bijenhouders met wie ze in handelsbetrekking staat.

Het Hoofdbestuur is overtuigd, dat eerder dikwijls te slap tegenover de afnemers wordt opgetreden. Men meent meermalen, dat men bij Afd. Handel wel een potje kan breken en men ook medezeggingschap heeft over deze zaak. Wat men aan een particuliere zaak niet zou durven schrijven, doet men wel aan Afd. Handel. Het is het H. B. niet bekend dat verschillende bijenhouders onrechtvaardig of onbillijk behandeld zijn. Zijn er al eens kwesties geweest en beriep men zich op het H. B. dan heeft het H. B. die kwesties steeds onderzocht en in deze zaken het recht gehandhaafd. Het Hoofdbestuur is overtuigd, ja kan het met bewijzen staven, dat men van allen kant Afd. Handel belasterd heeft en er onder de leden zijn die gedaan hebben wat zij konden om deze instelling af te breken.

Het Hoofdbestuur heeft er steeds op aangedrongen bij den directeur om wanbetalers niet te ontzien, doch na een paar malen deze te hebben aangemaand, krachtig aan te pakken. Meermalen heeft de directeur getracht met een zoet lijntje de onwilligen tot betaling te dwingen, doch dat hielp slechts zeer zelden en indien niet stijf en strak was opgetreden zou men met Afd. Handel hebben gespeeld. Afd. Handel is steeds zooveel mogelijk tegemoetkomend jegens de afnemers en leveranciers geweest. Afd. Handel heeft nimmer zaken of personen in rechten aangesproken en zal dat ook niet doen dan alleen bij hooge noodzakelijkheid als alle andere middelen falen.

Indien er geschillen zijn die de directeur niet kan oplossen, brengt hij deze steeds in de H. B. vergadering en beslist het H. B.
Het H. B. moet nog opmerken, dat het onderzoek van de Commissie loopt over de jaren 17, 18 en 19. Na dien tijd is er, wat de administratie en de handelingen van Afd. Handel betreft veel verbeterd en zijn dan ook klachten, in de laatste 2 jaren voorgekomen, zeer gering.

Afd. Handel is opgericht in de oorlogsjaren en heeft in '17 en '18 zeer in het belang van de imkers gewerkt. De imkers waren in die jaren op Afd. Handel aangewezen. De bijenwas moest aan Afd. Handel worden gezonden en heeft ontegenzeggelijk Afd. Handel in dien crisistijd zeer veel voor de imkerij gedaan.

De Afd. Handel heeft het eerste halfjaar een winst gemaakt van ƒ 3.371,11. Het winstsaldo 1918 bedroeg ƒ 4.603,99½. Het grondkapitaal van Afd. Handel bestond uit de 15 ct. per lid bijdrage voor den inlichtingsdienst over 1917 en 1918 wat samen een bedrag vormde van ƒ 2.446,15. De winst van 1917 en 1918 werd bij het kapitaal gevoegd, zoodat het kapitaal bestaat resp. uit ƒ 2.446,15 bijdragen leden, ƒ 3.371,11 winst 1917 en ƒ 4.603,99½ winst 1918. In den loop van 1919 werd hiervan afgeboekt voor niet verrekende goederen over 1918 ƒ 975,75½, zoodat het kapitaal per resto groot is ƒ 9445.75½ voor welk bedrag het ook op iedere verdere balans voorkomt.

Het crisisjaar 1919 was voor Afd. Handel minder gunstig en alleen dank zij de ƒ 6500 suikerwinst hadden wij een voordeelig saldo van ƒ 280.19. Zonder deze ƒ 6.500 zou er een verlies geweest zijn van ƒ 6.219,81.

Het jaar 1920 was voor afd. Handel gunstiger en hadden wij met de tweede ƒ 6500 suikerwinst een winstsaldo van ƒ 5.451,63½. Zonder die ƒ 6.500 zouden wij dus over 1920 een verlies hebben gehad van ƒ 1.048,36½.

Het jaar 1921 is niet ongunstig te noemen, gezien de algemeene malaise in handel en industrie. Bij een omzet van ƒ 37.215,60½ konden wij nog een bruto winst maken van ƒ 9.495,26½ alzoo pl.m. 25%. van den omzet. De uitgaven bedroegen ƒ 10.901,65 zoodat het verlies over 1921 is ƒ 1.406,38½. De omzet van de vier volle jaren n.l. 1918, 1919, 1920 en 1921 was resp ƒ 166.844,48½, ƒ 49.441,23½, ƒ 74.920,26½, ƒ 37.215,60½.

Het groote omzetcijfer in 1918 komt hoofdzakelijk door de hooge honing- en wasprijzen. De winst over de eerste twee jaren is grootendeels gekomen van genoten provisies, aangezien afdeeling Handel toen weinig imkerartikelen kon betrekken. Sinds 1918 zijn de prijzen van de producten en gereedschappen geleidelijk gedaald. Gezien de omzetcijfers over de laatste vier jaren komt het ons voor dat toch bij herstel van handel en industrie zeer gemakkelijk een omzetcijfer is te halen van ƒ 50.000 met een brutowinst van 25%. alzoo ƒ 12.500, waartegenover wij konden zetten dezelfde onkostenrekening als van 1921 zijnde ƒ 10.901,65, en zou er dan een winstsaldo overblijven.

Ook dient nog te worden opgemerkt dat de groote fout bij Afd. Handel steeds is geweest gebrek aan bedrijfskapitaal, waardoor wij moesten beschikken over bankcrediet, wat niet alleen hooge rente vordert doch welk crediet ook ten allen tijde opzegbaar is. Van Juli 1917 tot 31 December 1921 heeft Afd. Handel aan rente moeten betalen ƒ 4.075,84½ dus gemiddeld ƒ 900 per jaar.

Het gebrek aan bedrijfskapitaal heeft de onkostenrekening niet onaanzienlijk verhoogd. De verliezen (het hoogst n.l. in 1919) zijn ontstaan, doordat Afd. Handel bij de groote prijsdaling nog tamelijk voorraad had van honing en was en deze producten met verlies moest verkoopen. De leden die echter die honing en was hebben geleverd aan Afd. Handel hebben daarvoor flinke prijzen gemaakt. Het verlies beteekende dus voor de leveranciers winst.

Nemen wij nu de winsten en verliezen over de viereneenhalf jaar dat Afd. Handel bestaat tegen elkander en laten wij daar de bewuste ƒ 13.000 suikerwinst buiten, dan krijgen wij de volgende uitkomst.

Er is ten slotte van het eigenlijke grondkapitaal nog ƒ 771.01½ over, zoodat het werkelijk verlies over alle jaren dat Afd. Handel bestaat is ƒ 2.446,15 min ƒ 771,01½ is ƒ1.675,13½ alzoo gemiddeld een verlies van ƒ 350 per jaar. Het verdiende geld in 1917 en 1918 is wederom verloren en nog ƒ1.675,13½ van het grondkapitaal.

Gezien deze berekeningen aan de hand van de accountantsrapporten kan het Hoofdbestuur toch moeilijk unaniem verklaren, dat Afd. Handel geen levensvatbaarheid heeft. De meerderheid der Commissie durft die conclusie ook niet aan.

Afdeeling Handel zond in op de tentoonstellingen te Boxtel en Middelburg wat met aanzienlijke kosten gepaard ging en waar de lasten meer waren dan de baten.
Verder is Afd. Handel sinds haar bestaan prijsregelend opgetreden en leverde Afd. Handel lager dan particuliere handelaars, zoodat die genoodzaakt waren ook hunne prijzen te verlagen.

Afd. Handel heeft alles gedaan wat maar eenigszins mogelijk was om den afzet van honing en was te bevorderen. Zeker er kon veel en veel meer gedaan worden b.v. reclame gemaakt, doch de geldmiddelen daartoe ontbraken.

Wel dient te worden opgemerkt, dat het Afd. Handel in de jaren, hoofdzakelijk de laatste jaren heeft ontbroken aan de noodige steun en medewerking van de afdeelingen en leden en wordt Afd. Handel door velen onzer leden gewantrouwd. Het wantrouwen dient in de eerste plaats te worden weggenomen en de afdeelingen en leden dienen deze instelling meer en meer te steunen.
Het Hoofdbestuur kan zich volkomen vereenigen met de eerste conclusie door de Commissie gesteld n.l. dat er zoo spoedig mogelijk getracht worde een bedrijfskapitaal te vormen, hetwelk niet zooals thans ten allen tijde opzegbaar is.

Wat betreft het 2de punt is het aan het H. B., zoolang geen controleerbare feiten worden genoemd, niet duidelijk, welke redenen de Commissie kan hebben om van het H. B. te verlangen, dat het zorge voor de onderlinge goede verstandhouding van het H. B., de secretaris inbegrepen, opdat daaruit geen nadeelige gevolgen voor Afd. Handel of Vereen. voortvloeien. Is dit alleen op te vatten als een algemeene wensch, dan gaat het H. B. daarmee geheel accoord. Is of was echter naar de meening van de Commissie die verstandhouding wel eens meermalen minder goed, dan dient toch te worden opgemerkt, dat het zittend H. B. niet den minsten invloed heeft en ook niet verlangt op de verkiezing van H. B. leden. Men heeft eenvoudig de menschen te nemen, zooals zij gezonden worden. Indien er daaronder mochten zijn, die niet altijd eigen of meer plaatselijk belangen ondergeschikt weten te maken aan de meer algemeene, of die achter den rug van hun medeleden er pleizier in hebben als stokebranden te fungeeren, dan zal zulks een zeer ongunstigen invloed uitoefenen op de Vereen. en hare instellingen, maar hiertegenover staat het H. B. machteloos.

Het Hoofdbestuur moet zich echter krachtig verzetten, althans voorloopig, tegen punt 3 n.l. om de functies van Secretaris-Penningmeester te scheiden van het Directeurschap van Afd. Handel. In principe is het H. B. het er mede eens, doch acht het momenteel onuitvoerbaar. In de eerste plaats zal de Directeur een aanmerkelijk hooger salaris moeten hebben, waardoor de onkostenrekening wordt verhoogd. In de tweede plaats wordt de ambtenarij er niet weinig door bevorderd en is het H. B. overtuigd dat spoedig de verhouding van het personeel zeer veel te wenschen zal overlaten. De ambtenar(essen)en werken nu aan alle afdeelingen (Vereeniging, Suiker, Handel en Verzekering) mee en zal dat bij splitsing gescheiden moeten worden. Men kan geen twee heeren dienen. Wel is de hoofdleiding van verschillende onderdeelen in één hand te houden, doch gaat men meer hoofdambtenaren maken dan geeft dat direct aanleiding tot onaangenaamheden, afgezien van de groote kosten wat een en ander meebrengt. Het Hoofdbestuur is dan ook overtuigd, gezien op de uitvoering in de practijk, dat splitsing voorloopig niet gewenscht is en wij dit moeten uitstellen tot betere tijden aanbreken.

Het onder punt 4 genoemde is nagenoeg gereed.

Punt 5. Het H. B. ziet zeer weinig heil in een commissie van toezicht of een raad van beheer. Zoo'n commissie bestaat meestal uit personen die niet genoeg ingewerkt zitten in het werk van Afd. Handel en verslindt ontzettend veel geld. Het H. B. wenscht het aantal commissies zooveel mogelijk te beperken.

Wat punt 6 betreft kan het H. B. verwijzen naar de hierboven gegeven cijfers, waaruit ten volle blijkt dat de Afd. Handel recht van bestaan en levensvatbaarheid heeft.

Opgemerkt dient nog te worden dat de onkostenrekening over 1921 ƒ 1.343,24 lager is dan in 1920. Op goederen is pl.m, ƒ 750,- minder verdiend dan in 1920. Met de was en kunstraat zijn wij vooruit gegaan alsmede met den honing. Op bijenvolken is ongeveer ƒ 500,- minder verdiend. Op kasten en onderdeelen maakten wij ruim ƒ 1.500,- meer winst.

Tot slot dient nog te worden vermeld dat Afd. Handel uit het Zuiden met name door den heer Hoomans krachtig is aangevallen en had Afd. Handel volgens den heer Hoomans geen levensvatbaarheid en geen reden van bestaan. Wel teekenend is echter, dat nu een gedeelte van de imkers in het Zuiden zich van onze Vereeninging heeft afgescheiden, het eerste werk van den Limburgschen bond is, het oprichten van een handelsafdeeling.

Mocht de Algemeene vergadering t.z.t. een besluit nemen tot likwidatie van Afd. Handel, dan zal ongetwijfeld een niet onbelangrijk verlies worden geleden aangezien dan de voorraad goederen verkocht zal moeten worden tegen likwidatieprijzen. Uit bovengenoemde cijfers, welke volkomen juist zijn, blijkt dat de ƒ 13.000,- nog volkomen intakt zijn en daarvan niets is verloren. Bij geforceerde likwidatie zouden ongetwijfeld deze ƒ 13.000,- er minstens bij inschieten. Noch dient te worden vermeld dat in 1922 eerst het verlies zal moeten worden ingehaald zijnde ƒ 1.406,38½. Verder komt als vordering failliete boedel een post voor van ƒ 2.366,85 welk bedrag wel grootendeels zal verloren zijn en verder aan dubieuse debiteuren (Geldersche Vallei) een som van ƒ 1.604,11, waarop ƒ 174,15 is betaald en ƒ 1.000,- is gereserveerd.

Gezien de voortdurende malaise in zaken waarvan Afd. Handel ook de gevolgen ondervindt, zal het zeer moeilijk vallen die verliezen in 1922 in te halen, zoodat wij ons moeten voorbereiden op een nadeelig saldo over 1922. Het bedrag failliete boedel en het bedrag Geldersche Vallei dateeren nog uit de oorlogsjaren n.l. 1918 en 1919. Na dien tijd heeft Afd. Handel geen noemenswaardige dubieuse debeteuren gehad. Aanbeveling zou het verdienen die bedragen uit de suikerwinst 1921 af te schrijven zoodat Afd. Handel 1922 met schoone lei kan beginnen. Wij zijn dan vol vertrouwen dat Afd. Handel 1922 zal kunnen afsluiten zonder een groot nadeelig saldo, ja bestaat er gegronde hoop, dat bij een eenigszins spoedige opleving van Handel en industrie winst zal worden gemaakt.

De balans wijst een goederenvoorraad aan van pl.m. ƒ 33.000,-, waarvan alleen aan kasten, onderdeelen, honing en was ruim ƒ 7.000,-. De andere goederen staan dus te boek voor pl.m. ƒ 26.000,-. Onze prijscourant noteert ongeveer 350 nummers, zoodat er gemiddeld van ieder artikel een voorraad is met een waarde van pl.m. ƒ 75,-.

Namens het Hoofdbestuur,
B. WIGMAN, Voorzitter.
W.A. VAN OS, Secretaris.