Bijenteelt in Zuid-Afrika

Het is wel eigenaardig, dat wij nimmer in ons maanblad iets vernemen over de bijenteelt bij onze stamverwanten in Zuid-Afrika. Wonderlijk is het, dat in verschillende bibliotheken op land- en tuinbouwgebied hier te lande niets is te vinden over bijenteelt in Zuid-Afrika. Ik heb daartoe alle pogingen aangewend, doch heb niets kunnen ontdekken. Na veel moeite ben ik er eindelijk in geslaagd enkele gegevens machtig te worden en wil ik in het kort mijne medeleden eens mededeeling doen van de bijenteelt in het zoo bij uitstek voor de bijenteelt gunstige werelddeel Afrika.

Ik heb voor mij, een werkje van Mr. H.L. Attridge uit Kaapstad getiteld: Bijenhouderij in Zuid-Afrika, zijnde overdrukken uit het Landbouw Journaal van Juni 1908. Hoofdstuk l handelt over de geschiedenis van 't bijenhouden of de bijenteelt en luidt als volgt:
In een werk van dit soort zal het niet noodig zijn veel omtrent het mak maken van de honingbij in ouden tijd te zeggen. Benevens de verwijzingen in de Schrift getuigen de oude Semitische oorkonden, de Egyptische beeldhouwwerken en papyri en de Egyptische hieroglyphen, waar de bij als het zinnebeeld van koningschap voorkomt, daarvan. Een reiziger heeft het geboekt, dat hij een bijenkorf op een zeer oude grafstede te Thebe uitgeteekend zag, hetgeen een verder bewijs is, dat de bijen al in overouden tijd tam gemaakt waren.

Aristoteles, Virgilius en anderen hebben in hunne geschriften en gedichten wel van onze kleine vriendjes gesproken; en zoo vinden wij steeds in achtereenvolgende geslachten menschen van alle klassen, die hare wegen bestudeeren en de honingbij een zeer hoogen rang in de insectenwereld toekennen. In de allerjongste jaren bestudeerd in betrekking tot de bevruchting van bloemen en het voortbrengen van vruchten, wordt de honingbij nu als een werkelijke vriend van het menschdom erkend.

Bijen zijn eeuwen lang in de allereenvoudigst uitgedachte voorwerpen gehouden: de schuilplaats van de in de zon gedroogde klei van Noordelijk Afrika, het biezen mandje van Midden Afrika en andere streken; de cylindervormige bijenkorf op Madagascar van boombast gemaakt; tot de strooien - skeps - (korven) door onze voorouders op de Britsche eilanden en in het Noorden van Europa gebruikt, deze laatsten eens op een tijd vergezeld van de afgrijselijkheden van den zwavelpoel, nu gelukkig bijna vergeten, en snel de baan ruimend voor humaner middelen voor het verkrijgen van den overtolligen honing.
In dit deel der wereld heeft de woning der bijen tot nog toe uit allerlei noodhulpen bestaan. Pakkisten, teertonnen enz. genomen zonder eenig denkbeeld omtrent grootte of eenvormigheid; met de komst van de verplaatsbare raten of staaf raam korf begon een nieuw tijdperk voor bijenhouders en in de meeste beschaafde landen werd er gebruik van gemaakt.

De volgende paar hoofdstukken handelen over den vooruitgang der bijenteelt door woord en geschrift en over het bijenhouden als een verstandelijke arbeid en uitspanning voor geest en lichaam. De schrijver zegt: De beschouwing van dit groote lichaam werkers, die deze taak en vele andere verrichten, kan niet anders dan reinheid van gedachten in den geest van allen opwekken behalve de allerongevoeligste, en bewondering van een insect, dat zoo nauwkeurig in zijne berekening is en zoo op zijn doel afgaat.

Als een bezigheid, voor de gezondheid bevorderlijk, kan haars gelijke er niet zijn; daar het werk hoofdzakelijk in de open lucht verricht wordt, versterkt het geest en lichaam, geschikt voor beide seksen en voor oud en jong. Boer, werkman, klerk, de man van zaken, die uitgeput en gekweld van zijn kantoor komt, de vrouw uit de werkkamer, of van de eentonigheid van de huiselijke plichten, allen kunnen in het pleizier van een paar koloniën bijen te houden een genoeglijke, winstgevende bezigheid vinden.

Er is dikwijls gezegd, dat de weg naar fortuin niet door een bijenkorf loopt en de man die op groote schaal de zaak aanvat, zal volop hard werk vinden, en vele teleurstellingen. Dit behoeft hem echter niet te ontmoedigen.

De producent in het groot zal weldra zijn aandacht moeten wijden aan den uitvoerhandel. Op de Europeesche markt is ruimte genoeg voor honing. Zuid-Afrika heeft echter bij ons land zooveel voor, omdat de invoer van honing verboden is. Men heeft daar dus in de eerste plaats de gebruikers in eigen land en bij overproductie kan men uitvoeren. Och wat zou de honingprijs ook in ons land er spoedig anders uitzien en wat zou de bijenteelt enorm toenemen indien ook bij ons de invoer van buitenlandschen honing verboden was! Doch dit zal nooit te bereiken zijn, omdat ons landje zoo klein is en wij niet op een vasten oogst kunnen rekenen. Zuid-Afrika d.w.z. Transvaal, Oranje-Vrijstaat, Natal en Kaapkolonie zijn zoo groot als Nederland, Duitschland, België, Frankrijk en Oostenrijk samen. Mislukt de oogst in Transvaal, dan kan de Kaapkolonie een uitstekenden oogst geven en omgekeerd.

Om succes te hebben met de bijenteelt heeft men noodig natuurlijke kennis en geestdrift. De man, die imker wil zijn, moet zijn waarnemingsvermogen scherpen, hij moet geen uitsteller zijn, maar wakker en gereed om in een oogenblik handelend te kunnen optreden.

Dan volgt een beschrijving van verschillende bijenrassen n.l. De Duitsche of zwarte bij, de Ligurische of bij van Noord Italië, de Carniolische bij, de Cyprische, Syrische en bijen van het Heilige Land, de Egyptische en Tunische bijen, de Zuid-Afrikaansche bij en de Madagascar bij. Vanzelf wordt de Zuid-Afrikaansche bij het uitvoerigst beschreven. Kleur, grootte en teekening van de inlandsche bij zijn zeer onbepaald. Bovenaan hebben wij de heldergele soort, die in karaktertrekken eenigszins met de Italiaansche overeenkomt en met een zweem van Oostersche manieren; tot de kleinere, donkerder bij, die niet zoo handelbaar is; geen enkele dezer variëteiten, als wij ze dat kunnen noemen, is onveranderlijk, daar van dezelfde moeder werkbijen van verschillende kleurschakeering en voorkomen afstammen.

v. O.
(Wordt vervolgd nov '22).