Organisatie van den Honighandel.
Het meest voorname punt, waarop de „Vereeniging voor Bijenteelt" haar aandacht heeft te vestigen is de organisatie van den honinghandel. Naar mijn meening is al 't andere bijzaak. Men kan zich warm maken over nieuwe statuten, maar die zullen geen vrede brengen; over betere methoden, over theoretische kennis, maar die zullen den imker niet verder brengen; we kunnen nog meer bijenteeltconsulenten van de regeering ontvangen, maar die zullen de bijenteelt in Nederland niet omhoog voeren; de afd. Handel zal artikelen leveren in de perfectie aan de imkers, maar dat zal evenmin tot het doel leiden.
Er is maar één middel om de Bijenteelt in Nederland te bevorderen, en al 't andere, dat nu latent ligt met succes aan 't werk te zien, als 't gelukt den honinghandel te organiseeren, zóó dat de imker naar behooren geld voor zijn waar en zijn arbeid ontvangt.
De oplossing van dat vraagstuk is blijkbaar moeilijk, niemand, die 't aandurft. Er is een oogenblik geweest, dat als Voorzitter der Vereeniging zou worden benoemd iemand, die een poging tot die organisatie in zijn program voerde, maar toen werden tegen de eenigste goede manier, waarop de organisatie van den honinghandel tot haar recht kon komen, zooveel bezwaren geopperd, dat de Algemeene Vergadering bezweek. Daarna zou de handelskamer, het doode kindje met een lam handje, het doen, maar 't kwam niet eens tot een begin, blijkbaar had de persoon, op wien men gretig de zaak had afgewenteld, zichzelf overschat.
Vervolgens werd de afdeeling Handel opgericht, en de meening was, dat die het vraagstuk van den honinghandel zou aanvatten. Werkelijk werden 't eerste jaar resultaten bereikt, die 't beste deed verwachten. In onze afdeeling is de opbrengst van den honing door de afd. Handel 't eerste jaar daar aangebracht nog niet vergeten en steeds wordt ieder jaar, als we weer honing te verkoopen hebben, dat feit herdacht als een zeer aangename herinnering. De afd. Handel heeft 't niet aangedurfd in dien geest voort te gaan. Ze heeft gemeend genoeg te doen, als ze imkersartikelen aan ons leverde, en 't moet erkend, dat wij, d.i. onze afdeeling, voordeelig bij afd. Handel konden koopen. Onze afd. draagt deze afdeeling om genoemde feiten nog steeds een goed hart toe en betreurt het, dat ze niet den moed had om den weg te zoeken, waardoor wij onzen honing voordeeliger dan thans konden verkoopen. Door in massa direct na den oogst te verkoopen, zijn we nog tamelijk goed van den honing afgekomen, maar de laatst behaalde prijs was nog maar eventjes boven dien van vóór 1914, en nu vreezen we voor nog grooter daling.
Wat is nu het middel om tot betere prijzen te komen? In 't klein door te verkoopen aan kennissen of kennissen van kennissen. Er zijn hier enkele imkers, die zóó werken en zeer goede prijzen maken, maar 't is nu de bedoeling, dat de honing tot een handelswaar wordt, die zonder veel moeite tegen goeden prijs wordt verkocht.
Oorspronkelijk imkerde men voor de koekbakkers. De honing werd door enkele firma's opgekocht, die ze gedeeltelijk aan Duitsche handelszaken over deed. Daar werd onze heidehoning vermengd met stroop en ging daarna soms naar een andere buitenlandsche haven, om vervolgens weer als zuivere honing ook in ons land te worden verkocht. Direct van den imker kreeg een Nederlander zelden honing. Het artikel honing is in ons land dan ook zeer weinig bekend. En nu is 't mijn meening, dat getracht moet worden den honing tot een consumptie-artikel te maken. Zeker zal dat niet gemakkelijk gaan, maar 't is alleen langs dezen weg mogelijk om nog een dragelijken prijs voor den honing te maken. De koekbakker heeft onzen honing niet noodig, hij kan elders terecht en is bovendien zoo goed georganiseerd, dat elke strijd van de vereenigde imkers daartegen voor ons tot een nederlaag moet voeren. Thans is 't nog zóó, dat we tenslotte blij moeten zijn, dat onze honing door de bakkers wordt opgekocht. We zouden er ten slotte geheel mee blijven zitten.
Voor een paar jaar had onze zeemerij, om een voorbeeld te noemen, nog een 1.000 K.G. pershoning staan, terwijl de nieuwe oogst reeds op komst was. Wij boden den honing bij verschillende firma's aan, maar er werd zelfs geen hoop op verkoop gegeven. Ten slotte kregen we een kooper, geen bakker, maar een opkooper en raakten we den honing kwijt. Deze honing ging toch naar een bakkerij, die we ze vroeger hadden aangeboden. Hieruit blijkt, dat de bakkers eigenlijk niet eens van ons willen koopen.
We moeten dus een anderen weg op en die is den honing te leveren als consumptie-artikel aan de bewoners der groote steden. (Natuurlijk in verschillende kwaliteiten). Een honing-centrale zou dat kunnen doen. Ik voor mij geloof niet, dat we er kunnen komen door een honing-centrale, waarheen verschillende imkers hun honing zouden moeten zenden, nadat ze dien eerst hadden geperst. Het artikel zou daarbij te veel onderscheiden wezen.
Er is mijns inziens maar één juiste weg om tot 't doel te geraken en dat is de groote coöperatieve zeemerij, op den zelfden voet als de zuivelfabrieken, die de melk voor den boer verwerken. Daarmede is een gelijksoortig product te verkrijgen en dat is aan den man te brengen.
Er zijn aan zoo'n zeemerij groote moeilijkheden verbonden, maar deze zijn te overwinnen. Ik heb over dit onderwerp veel nagedacht en steeds kom ik tot 't resultaat, dat 't uitvoerbaar is en dat het de eenigste weg is om voor Nederland de imkerij weer tot een loonend bedrijf te maken.
Voor de uitvoering van zoo'n plan zou in de eerste plaats een Bestuur der Vereeniging voor Bijenteelt noodig zijn, dat voor dit plan con-amore voelt, en dan een directeur van de Afdeeling Handel, die evenals ik geloof in deze zaak heeft en bovendien de energie in zich heeft om deze kwestie tot in 't uiterste door te zetten. Van dien kant moet naar mijn meening daarom het initiatief voor een groote zeemerij komen, wordt 't een opgedrongen zaak, waarvoor men weinig voelt, dan is de kans om te gelukken gering.
Maar ook van de leden zelve moet drang naar dezen kant uitgaan en die moet niet gering wezen. Zij immers zijn de directe belanghebbenden en toonen de leden maar weinig medewerking, dan is ook daardoor een goede uitslag zeer bedenkelijk. Ik vermoed zelfs, dat 't juist de vrees is, dat de leden bij zoo'n grootsch plan niet genoegzaam zullen medewerken, die de personen weerhoudt om in de aangegeven richting te werken, en hun den moed er toe ontneemt. Ook is 't voor mij een zekerheid, dat, als de geschikte tijd, die voor de uitvoering van dit plan er geweest is, niet was verzuimd, we thans heel wat beter er met den honingverkoop voor zouden staan.
H. STIENSTRA.