Heeft de laatste algemeene vergadering goed werk gedaan?


De tijd zal het moeten leeren. Vast staat, dat bijvoorbeeld de uitvoering van Art. 13 der nieuwe statuten vele moeilijkheden zal brengen. Noemen we maar de indeeling in groepen voor de bestuursverkiezing. Wijziging van deze groepeering, die toch steeds iets willekeurigs zal behouden, zal nu door deze, dan door geene afdeeling worden bepleit en voorgesteld. Wellicht zal nog het verstandigste zijn, de geopgraphische ligging daarbij tot richtsnoer te nemen.

En dan de scheiding tusschen het secretariaat en de directie van afd. Handel. Eenerzijds zal die scheiding ten goede komen aan de leiding der Vereeniging. De moeilijkheden, waarvoor deze zich in de laatste jaren geplaatst zag zijn toch voor een niet gering deel terug te brengen tot de gestie van die afdeeling. Velen prijzen als recept aan „afschaffen". Daaraan is nu echter niet te denken zonder groot geldelijk verlies te lijden. Maar ook voor de toekomst moet dit ongewenscht worden geacht. De behoefte aan zoo'n instituut toch zal blijven. Gaan we nu afschaffen, dan zal het volgende jaar getracht worden volgens een andere (betere?) methode de belangen der imkers centraal te doen behartigen. Dan weer nieuwe proefnemingen. De ervaring door „Handel" opgedaan mag echter niet onbenut worden gelaten, doch verdient omgezet te worden in een taktiek van rustig zaken doen. Die mogelijkheid en wenschelijkheid zou ten zeerste bevorderd worden, indien de verhouding tot de Vereeniging losser gemaakt kon worden, bijv. door het vormen van een Naaml. Vennootschap. Algemeen is toch de vrees dat het suikerfonds aangewend zal moeten worden om de „stroppen" van „Handel" te dekken. Blijkens de rapporten bezit „Handel" niet alleen levensvatbaarheid, doch ook levenskracht. Losser maken van de onderlinge finantiëele verhoudingen lijkt dus mogelijk en zal niet nalaten meer rust te brengen in de Vereeniging en in hare leiding.

De rechtstreeksche aanleiding tot het schrijven van dit artikel is echter de versterking der geldmiddelen. In afwijking van de oude bepaling, dat de kosten van de afgevaardigden der afdeelingen naar de algemeene vergadering werden vergoed uit de algemeene kas, kwam in het ontwerp-statuten de bepaling voor, dat de afdeelingen hun eigen afgevaardigden zouden bekostigen. Als middel tot stijving van de algemeene kas zeer toe te juichen, doch in zijn toepassing niet zonder bedenken. Te voorzien was, dat het tot gevolg zou hebben, dat de kleinere en vooral de veraf gelegen afdeelingen met het oog op de kosten geen afgevaardigden meer zouden uitzenden. Dat is niet gewenscht. De algemeene zaken moeten toch behandeld kunnen worden met medewerking van alle afdeelingen; dat is democratisch. Om daaraan tegemoet te komen kwam uit de vergadering het voorstel om de bepaling zoodanig te wijzigen, dat de algemeene kas als tot dusver de kosten zou vergoeden, doch deze daarna op de afdeelingen verhalen, omgeslagen over alle leden. Het principe bleef, maar de uitvoering zou zoodanige wijziging ondergaan, dat de lasten op billijke wijze zouden worden verdeeld. Het argument van verschillende zijden geuit, dat dit voorstel van te ingrijpenden aard zou zijn, heeft tengevolge gehad, dat de betreffende bepaling uit het ontwerp gelicht is, om een volgend jaar als wijziging van het huishoudelijk reglement opnieuw ter tafel te komen. Waar het echter een uitvoeringsmaatregel inhield, zonder het principe der bepaling afbreuk te doen, was het argument onjuist, en verwonderde het mij daarom sterk dat nog wel een lid van de statuten-commissie met wiens medewerking de bepaling toch ook werd geredigeerd, die er althans genoegen mede heeft genomen, zoo'n argument kon aanvoeren. Welke bedoeling daarbij heeft voorgezeten is mij niet duidelijk. Van de zijde van hen, die tegen elken stuiver contributieverhooging zich kanten is 't bezwaar beter te begrijpen.

Versterking der geldmiddelen blijft niettemin een eisch van onafwendbare noodzakelijkheid, in welk verband een verwijzing naar de verminderde koopkracht van den gulden, een verhooging der contributie tot ƒ 2,00 normaal schijnt. Zonder geld toch kan het Hoofdbestuur niet doen wat gedaan moet worden. De groep der anti-contributie-verhoogers, een vrij sterke groep trouwens, zal daarom goed doen zich door een paar vertrouwensmannen in het Hoofdbestuur te doen vertegenwoordigen, opdat zij de zekerheid verlangen, dat de verhooging, waarmede elk hoofdbestuur toch zal komen, eene zoo klein mogelijke zij. Een argument, dat niet nagelaten zal worden, herhaaldelijk te worden gebruikt, zullen zij ontleenen aan het rapport van de commissie tot het nazien der rekening en verantwoording voor zoover het betrof een zeer hooge onkostenrekening van een hoofdbestuurslid. Hoewel deze rekening geen andere dan reglementaire vergoedingen moet hebben weergegeven, zal zij toch op velen der aanwezigen een onaangenamen indruk hebben gemaakt en zullen even zoo velen met mij hebben overwogen of op het spreekwoord, dat zegt, dat men geen veeren van een kikker kan plukken, geen uitzondering behoort te worden gemaakt. Zeker is, dat indien het betrokken hoofdbestuurslid zijn mandaat ter beschikking van de vergadering had gesteld, het gretig zou zijn aanvaard.

Overigens heeft de betrokken commissie hiermede aangetoond de bedoeling van haar taak te hebben begrepen. Een en ander neemt niet weg, dat de kans voorloopig is verkeken om voor de periodiek terugkeerende uitgaven voor de algemeene vergadering, een in de statuten vastgelegde dekking te hebben. Zeer hoop ik, dat de volgende algemeene vergadering een ruimer standpunt zal innemen ten aanzien van contributie-verhooging dan hare voorgangsters. Dat is het belang der Vereeniging.

Een schrielheid, als die welke deed besluiten tot de in wezen onedele daad om de terugontvangen gelden van de Mij. „Eigen Hulp" niet te willen voteeren tot versterking van het pensioen van den Heer van Giersbergen, kan hare belangen slechs schaden. Hoeveel leden zou dat onze Vereeniging al hebben gekost? Ook zal het dan mogelijk zijn om ons maandblad een fatsoenlijk jasje aan te trekken.
Alkmaar, 1-5-'22.
TER BRUGGE.