Aan Jan Econoom.


Beste Jan,

Ge hebt in uw economische studiën óók de statuten-commissie een veeg uit de pan gegeven en, heb ik goed gelezen, dan maakt ge er de commissie een grief van, dat ze eerst niet, later wel met het H.B. heeft samengewerkt en dat daardoor de Vereeniging ƒ 1.700,00 naar de maan gooide. Dat is toch uw bedoeling nietwaar?
Maar m'n beste jongen, nu moet ik je toch even bij de ooren trekken, want als je 't zóó vertelt, dan heb je wel de klok eens hooren luiden en . . . enfin vul zelf maar in. Want zóó is 't niet!
Ik zal je vertellen hoe 't wél is, dat kan bij je studiën nog wel eens te pas komen en maakt je misschien wat voorzichtiger in je conclusies, die óók in de andere feiten niet getuigen van scherpzinnigheid.

Ter zake.
Toen de commissie haar werk begon, richtte zij aan alle leden der Vereeniging een verzoek om wenschen en adviezen kenbaar te maken.
Tot 2 maal toe publiceerde zij in ons blaadje daartoe een oproep en daaraan gaven enkele afdeelingen en leden gehoor.
Aan het H.B. werd namens de commissie persoonlijk door mij 2 maal schriftelijk verzocht óók hun adviezen of voorstellen te mogen vernemen, waarop nog geen antwoord inkwam.
Toen ons concept reeds gepubliceerd was en zelfs al een buitengewone Alg. Verg. door het vereischt aantal afdeelingen was aangevraagd, ontving ik van den voorzitter der Vereeniging een persoonlijke uitnoodiging om in Lunteren te komen vóór de a.s. H.B. verg. om daar te trachten tot overeenstemming te komen, omdat de heer Wigman zeer veel bezwaren had tegen ons ontwerp. Daarbij vroeg Z.Ed. mij of ik het gewenscht achtte, dat ook de commissie, of een paar harer leden, op de e.v. H.B. vergadering uitgenoodigd zouden worden om zooveel mogelijk tot overeenstemming te geraken.
Ik antwoordde, dat een bezoek van mij te Lunteren geen resultaat zou opleveren, daar ik buiten de commissie om geen bespreking over de statuten kon voeren. Over het gecombineerd vergaderen zou ik de meening van m'n medeleden inwinnen.

Zooals ik wel gedacht had, was die meening afwijzend. Immers, de Alg.Verg. in 1921 droeg aan de commissie op een concept statuten samen te stellen, waarbij rekening moest gehouden worden met wenschen en adviezen van afdeelingen.

Ge begrijpt toch wel, Jan Econoom, dat die commissie, de zaken vooraf niet ging bescharrelen met het H.B. dat N.B. zich niet eens de moeite getroost had, ons tijdens de zittingsduur na herhaald verzoek, een advies of wensch kenbaar te maken. De commissie was voor haar werk verantwoording schuldig aan de Alg. Verg. niet aan het H.B. 't Was óók niet de kwestie of het H.B. wel ingenomen zou zijn met de wijzigingen. Men wist vooruit wel, dat het H.B. niet met wijziging ingenomen was, dat was voldoende gebleken op de Alg. Verg. 1921, waar de voorzitter zeide, dat hij wijziging van statuten niet noodig vond.
't Was de vraag of de Alg.Verg. ingenomen zou zijn met hetgeen de commissie haar bood.

Als ge me tot zoover hebt kunnen volgen Jan, dan ga ik verder. Nu zegt ge de commissie zette door om een Alg. Verg. te houden op 5 Jan. j.l. Elk woord is mis papa!
De commissie had haar taak volbracht, alleen restte haar nog de verdediging ter Alg. Verg. En zoo ge hebt kunnen lezen, was het aantal afdeelingen, dat een B. Alg.Verg. wilde, volgens particulier schrijven van dhr. Wigman, al present.
En dan heeft nooit de commissie of ook maar één afdeeling verzocht 5 Jan. j.l. een Alg.Verg. te houden.

Nu zegt ge: „En wat gebeurde er in de pauze van die (Buitengew. Alg. Vergadering?) De commissie besloot met het H.B. toch maar samen te werken.
Ik zou willen neerschrijven: Man hoe haalt ge zooveel onzin bij elkaar. Zeker, ter Alg. Verg. heeft de commissie een staaltje van buitengewone zelfverloochening aan den dag gelegd, omdat het haar waarachtige wil was, de Vereeniging in betere banen te leiden.
Maar uw eigen Alg. Verg. op 5 Jan. j.l. heeft het bedrag, dat gij raamt op ƒ 1.700,00 naar den maan gegooid.
En als dat nu het eenigste was, dan had ze alleen een geldelijk zelfverwijt. Maar wat erger is, die Vergadering nam een zeer beleedigende houding tegenover de commissie aan, zoo juist geschetst door de Afgevaardigde, ik meen van Twello.

Kijk Jan, ge noemt U Econoom en daarom gaat hetgeen ik in de laatste alinea neerschreef mijlen ver boven uw pet. Weet ge wie in staat van beschuldiging gesteld moeten worden over de verknoeiing van die ƒ 1.700,00? (ik zal je nu maar bij de dubbeltjes houden). Dat zijn de samenstellers van die prachtmotie en de vóórstemmers ervan, het bezuinigende Veenendaal incluis. Die hebben het durven wagen reeds van te voren een vruchtbare vergadering, die gij schat op ƒ 1.700,00 onmogelijk te maken. Iemand die z'n hoofd met boter besmeerd heeft, moest niet in den zon gaan loopen.

JOH.A. JOUSTRA,
Voorzitter der statuten-commissie.