Onze kwijnende Honinghandel.

Waar in het artikeltje onder bovenstaanden titel in het Februari nummer van dit blad, door een anonymus een blaam geworpen wordt op mijne firma, zal het niemand verwonderen, dat ik een oogenblik de aandacht kom vragen om de feiten kort en sober te releveeren.

Aan lyrische ontboezemingen, zooals bedoelde onbekende met zijn: „het is wel meer dan treurig, dat zulke groote bekende imkers zich met zulke praktijken bezighouden" dat doet, wensch ik van mijn kant mij niet te bezondigen. Ik zal niet meewerken om het “vliegen-afvangen", helaas zoo gebruikelijk in onze Vereeniging, te doen toenemen. Ziehier de feiten:
In 1918 werd door de Regeering een maximum groot- en tusschenhandelsprijs vastgesteld van ƒ 1,40 per ½ K.G. en een kleinhandelsprijs van ƒ 1,55. Dat deze marge te klein was, zal ieder moeten toegeven.
Daar nu mijn eigen oogst spoedig verkocht was, en ik meende goed te doen met mijn afnemers te blijven bedienen - ook al met het oog op de behoefte aan voedsel in dat jaar - heb ik de inlandsche honing met invertsuiker gemengd, een feit, waarvan ik de afdeeling crisiszaken in kennis stelde.
Dit was de eenige manier om te blijven leveren en de gewone korting te kunnen handhaven.
Dat men zich in dien tijd van voedselschaarschte met een ”gemengd" product zou moeten tevreden stellen, was niets bijzonders. Bestond er destijds geen “gemengd" brood-, “gemengde" thee, enz?
Ik noemde, ten einde eerlijk te blijven, de aldus gemengde honing: “gemengde bloemenhoning".

Indien men mij vroeg, of dit gegarandeerd zuiver honing was, heb ik steeds met “neen" geantwoord. Na 1918 heb ik weer uitsluitend gegarandeerd zuivere honing verkocht, en ik tart een ieder het tegendeel te bewijzen.
Ik wil nog constateeren, dat ik uit Groningen heb teruggekregen: 17 flac. à ½ K.G. en 81 flac. à ¼ K.G. op 7 Oct. 1920, en uit Leeuwarden 12 flac. à ½ en 2 flac. à ¼ K.G. in November 1920.
Daar is de geheele terugzending bij gebleven.

Waarom nu - na vier jaren - mij nog een en ander gaan verwijten?
Achteraf is het gemakkelijk te zeggen, dat mijne handelwijze onverstandig was. Misschien was ze dat ook. Maar mij nu, na vier jaren, aan de kaak te stellen als een gemeene kerel, die den honinghandel door zijn “praktijken" doet kwijnen, is toch wel wat al te kras. Hàd ik inderdaad willen knoeien, dan had ik het woord “gemengd" niet op mijn etiket aangebracht en had ik Crisiszaken er buiten gehouden. Tien tegen een, dat de Keuringsdienst er geen aandacht aan geschonken zou hebben. Nu ik zelf een aanwijzing gaf, ging men aan het onderzoeken.

Afbraak is in onze vereeniging geliefder dan opbouw. Dit als 't ware negatieve feit wordt thans tegen mij uitgespeeld, terwijl de “positieve" feiten, waarop mijn firma zich beroemen kan, en die zeer zeker ook den honinghandel in zijn geheel zijn ten goede gekomen, steeds werden doodgezwegen. Dat ik in 1918 voor ƒ 38.000,00 honing kocht van de Afdeeling Handel. Dat ik door mijn reclame een groot aantal menschen honing heb leeren eten, wat natuurlijk ook andere imkers ten goede komt. Dat mijn zending bijen naar Indië de eerste zending was, die in goeden staat, dat land bereikte, een feit, dat andere bladen als een bijzonderheid vermeldden. Dat de Engelsche Regeering mij een opdracht gaf voor de levering van levende bijen. Dit alles en nog veel meer, werd nooit, zelfs niet met een enkel woord., door het Maandblad vermeld.

Wel echter geeft men aan een anonymus aanstonds gelegenheid mij ”een hak te zetten". Een anonymus, die het wil doen voorkomen, alsof het mijn schuld is, dat het publiek nu eenmaal geen honing wenscht te eten en nog steeds de voorkeur geeft aan jams en andere genot- en voedingsmiddelen.

Breukelen, Maart 1922.
HANS MATTHES.

Bijschrift.

Wij hebben eerst nog geaarzeld bovenstaand art. op te nemen. Het behoort bij den Keuringsdienst thuis. Niet wij hebben uitgemaakt, dat de heer Matthes zijn honing heeft vervalscht met invertsuiker. Dat heeft een officiëel lichaam, de Keuringsdienst gedaan. En wanneer deze nu op zijn besluit zou willen terugkomen, of eenige verzachtende omstandigheden over het vervalsen van den honing door den heer Matthes zou willen publiceeren, zoo willen wij dat gaarne overnemen. Wij hebben in ons Maandschr Febr. '22 slechts overgenomen een uittreksel van het verslag van den Keuringsdienst uit de Leeuwarder Courant van 21 Januari 1922, als volgt: „Van 32 potjes met invertsuiker vervalschten honing, verkocht onder den naam van „gemengde bloemenhoning" en afkomstig van de firma Hans Matthes te Breukelen, werd de verkoop verboden."

De heer Matthes zegt in bovenstaand art.: “Had ik inderdaad willen knoeien, dan had ik het woord “gemengd" niet op 't etiket aangebracht." Maar wij meenen, dat de argelooze honingverbruikers, die de “kunstgrepen" en de vervalschingen in den honinghandel niet kennen, onder gemengde bloemenhoning verstaan, soorten bloemenhoning onder elkander gemengd.

De heer M. klaagt, dat in 1918 de Marge (dus de verdienste) door de Regeering vastgesteld zoo klein was. Ook meende hij zijn afnemers te moeten blijven bedienen. Dat zijn echter volstrekt geen motieven om te mogen vervalschen en daarmede bovendien den geheelen honinghandel te bederven. Hij zegt: “Achteraf is 't gemakkelijk te zeggen, dat mijn handelwijze onverstandig was. Misschien was ze dat ook." Hij voelt hier dus, dat hij verkeerd deed.

Maar waarom dan in bovenstaand art. zoo op hoogen toon gesproken over een hak zetten, een blaam werpen enz. Om 't vervalschen te vergoelijken, beroept hij zich op “positieve" feiten, waarop zijn firma zich kan beroemen en welke den honinghandel en dus den imkers ten goede zijn gekomen. Deze redeneering doet ons denken aan een schoenmaker, die leer ging stelen, schoenen er van maakte en deze “pro Deo" aan de armen gaf. Toen zijn diefstal sterk werd afgekeurd, beriep hij zich in een boos art. in 't Schoenmakers-Maandschrift ook op „de positieve feiten", zijn arbeid en weldoen. Een mooie moraal!
Wanneer de bedoelingen en de woorden van den heer M. hierboven geschreven, werkelijk waar waren, dan had hij na 1918, toen er spoedig betere toestanden kwamen, al zijn vervalschten honing aan zijn afnemers teruggevraagd. Dat was de weg geweest.

Mogen we den heer M. nogmaals vragen zijn art. aan den Keuringsdienst te zenden? Daar is hij aan 't rechte kantoor. Wij zullen als Redactie alle vervalschingen, welke de Keuringsdienst vindt en publiceert, verder publiceeren, zonder onderscheid des persoons, 1e. om te voorkomen dat de honingverbruikers bedrogen worden, 2e. om te beletten, dat de honinghandel tot in den grond bedorven wordt en blijft kwijnen.
DE REDACTEUR.

P.S. De heer M. schrijft, dat het art. „De Kwijnende Honinghandel" door een „anonymus" is geschreven. Op blz. 76 van ons Maandschr. is reeds medegedeeld, dat ik de schrijver ben en onderteekend heb met H.