Uit de Staatscourant.


TOESTAND DER BIJENTEELT.
I.

Volgens mededeelingen van de bijenteeltconsulenten is de algemeene toestand van de bijenteelt niet gunstig. Overal zijn in den afgeloopen winter vrij veel volken gestorven. De volkssterkte is matig tot zwak, de voedselvoorraad matig tot gering. Het aantal overwinterde volken is gelijk aan 1921.
II.

Volgens mededeeling van de bijenteeltconsulenten is de toestand van de bijenteelt op de kleigronden vrij goed tot goed en in de zandstreken matig tot slecht. De zwermen komen zeer ongelijk. De vooruitzichten op de dracht zijn niet gunstig.
III.

Volgens mededeeling van de bijenteeltconsulenten is de toestand der bijenvolken over het algemeen goed en in Limburg en Noord-Brabant zeer goed. De zwermtijd kwam ongeveer 14 dagen later dan normaal, terwijl het aantal zwermen middelmatig was. In het zuiden des lands was de oogst van zomerhoning vrij goed, in het noorden minder.