Sprokkelingen uit het Buitenland.
Amerika.
Volgens het “American Beejournal" leveren oude broedraten gewoonlijk 1/4 of ten hoogste 1/3 van het gewicht der raten aan zuivere was op.
In de Vereenigde Staten hebben de groote fruittelers liefst flink wat bijenvolken in hun boomgaard; daarom betalen zij aan de imkers, die hun volken daar willen plaatsen, $ 5 per volk.
Het feit, dat zekere bijenvolken meer honig halen, dan andere is reeds lang bekend. Het wordt aanbevolen al zijn koloniën zóó sterk mogelijk tijdens de hoofddracht te hebben. Ondanks, dat men hierin slaagt, merkt men toch nog verschil in den oogst. Om deze reden te kennen, werden proeven genomen aan het “Experiment-station van het Kansas State Agricultural college". Hoewel de geconstateerde resultaten tot nu toe nog geen beslissende gevolgtrekking wettigen, zijn ze toch belangrijk genoeg om gepubliceerd te worden.
Vier volken van gelijke sterkte werden gekozen. Gedurende den zomer werden acht bijen, welke beladen terugkeeren, gevangen; twee voor elke kast. Overgebracht naar het laboratorium werden de drie gedeelten van het lichaam, welke invloed op den oogst schenen te hebben nagezien, nl. de tong, de ledige maag en het heele lichaam der bij werd gewogen.
De tonglengte en het gewicht van den nectar, dat uit de maag genomen was, werden afzonderlijk opgeteekend. 720 bijen werden op die manier onderzocht. Uit de cijfers blijkt, dat de tonglengte, de inhoud van de maag en het totale gewicht der bij in verhouding staan tot het gewicht der oogst. Deze oogst werd op de luzerne en witte klaver gewonnen en is het klaarblijkelijk, dat de grootte van de maag meer invloed op de opbrengst heeft, dan de tonglengte.
In Australië halen de bijen soms bij maneschijn. In Amerika werd dit eveneens waargenomen.
België.
Volgens het Maandblad van den Vlaamschen Bieënbond werden er in Belgisch Limburg twee gevallen van bijenpest geconstateerd. De kasten met inhoud zullen zeer waarschijnlijk verbrand moeten worden. In October werden uit Duitschland als oorlogschatting duizenden koloniën ingevoerd en werd de ziekte hiermede binnengebracht.
Ierland.
Het jaar 1921 is voor de bijen en bijenhouders een zeer goed jaar geweest. De oogst was overvloedig en over 't algemeen was de honig van goede kwaliteit. Het droge, warme weer tijdens de klaverdracht gaf meer en dikkeren honig, dan gewoonlijk. De warmte duurde langer, dan in normale jaren in Ierland het geval is; deze was zeer gunstig voor den imker, die koninginneteelt drijft.
Noorwegen was altijd bekend om zijn bijen en honigrijkdom, ondanks de winter er lang duurt. De plaatsnamen, alsook de aanhalingen in de oude sagen wijzen op het slagen der bijenteelt. Het tijdschrift “Tidskrift for Biskjötsel" bestaat 37 jaar en ontvangt ieder lid der vereeniging. Deze telt 2500 leden. Op 1000 inwoners komt één imker voor. De bijenteelt wordt er door den Staat gesteund.
Zwitserland.
Volgens “Bienenvater" gebruikt men in het Fransche gedeelte van Zwitserland petroleum, als een goed middel tegen de rooverij. Wanneer men moet voederen, strijkt men af en toe petroleum met een penceel langs het vlieggat, en kan men dadelijk de uitwerking waarnemen. Zoodra men weer eenige rooverij bespeurt, moet deze bewerking herhaald worden.
Oostenrijk.
Volgens “Bienenvater" was November zeer koud. Hoewel er op 1 en 5 Nov. nog uitvluchten plaats vonden, heerschte op de meeste stallen reeds rust. Op menigen stand werden veel afgestorven bijen waargenomen. Dit is juist 't verschijnsel, dat in hongerjaren is waar te nemen, omdat in de maanden Augustus en September geen jonge bijen werden uitgebroed en de oude bij de eerste vorst stierven. Aldus verzwakte volken, doorstaan natuurlijk zeer moeilijk de winterrust en wanneer het den imker in 't voorjaar niet gelukt door speculatieve voedering en goede verpakking een nieuwen broedaanzet te krijgen, dan gaan zulke volken nog vóór de hoofddracht er is, ten gronde.
door A. OONK, te Warnsveld.