Bijenhouden in de stad.
(Vervolg).
Onder de vele moercellen, die we uitsneden, waren een 4-tal, waarin we larven bespeurden. Weldra openden zich de dekseltjes en kwamen de jeugdige vorstinnen ter wereld. Een ervan brachten we naar een openstaand zolderraam, dat uitzag op een druk begane straat. Zij vloog onmiddellijk zonder zich te verkennen weg. Het vliegen ging haar schijnbaar niet gemakkelijk af, zij verhief zich tenminste niet in de lucht, doch verdween laag vliegende tusschen de huizen in de straat. Daar de avondschemering reeds was ingetreden en de omgeving al heel weinig mede werkte om haar deze vlucht gemakkelijk te maken, dachten we haar, toen zij na enkele minuten niet terug was, verloren. Wij stonden dan ook al op 't punt om weg te gaan, toen zij terugkeerde en op de mouw van een onzer neerstreek. Haar leven werd gespaard. Zij doet nu dienst in een onzer kasten, waar zij een oud-gediende heeft vervangen.
Men waarschuwt tegen het loopen vóór de kasten van waaruit jonge moeren op bruidsvlucht moeten gaan. Wanneer zij bij het terugvliegen gehinderd worden, zouden zij allicht op een andere kast kunnen belanden en zoo omkomen. Indien imkers met jarenlange praktijk dit schrijven, mag aan de juistheid zeker niet getwijfeld worden, doch als men gezien heeft onder welke moeilijke omstandigheden de jonge moer haar punt van uitgang weet terug te vinden dan zal haar het terug vinden van haar woning toch al heel bezwarend gemaakt moeten worden voor zij een voor haar noodlottige vergissing begaat.
Bij ons kwam het éénmaal voor, dat een jonge moer bij een naburig volk terecht kwam en werd afgemaakt, doch deze vergissing was zeer wel te verklaren. Nadat zij een drietal weken bij dat volk gezeten had zonder dat ze werd bevrucht, werd zij omgewisseld met een bevruchte moer uit het bevruchtingskastje.
Daar het onafgebroken mooi zonnig weer was geweest, had zij natuurlijk al reeds vanuit haar eerste woning gevlogen en vloog zij daar later ook weer op terug. Wij waren met die kast, wat de koningin betreft, niet gelukkig. Enkele dagen nadat de nazwerm eraf was gegaan, werd de kast nagezien. De koningin vonden we niet, maar we hoorden op een van de raten fluiten, het kenmerk voor de aanwezigheid van de jonge moer. Hoe we ook zochten, we vonden niets. We dachten ons vergist te hebben, ontdeden de raten van de nog enkele aanwezige moercellen en zetten in een kooitje een jong-bevruchte moeder bij in.
(Wordt vervolgd).