Van den Bijenman.


Het is al zoo lang geleden, dat ik u met mijne pennekrassen verveelde. Ik zoude u echter ook thans nog met rust gelaten hebben, ware het niet, dat op onze Hoofdbestuursvergadering, onze oud en opnieuw benoemde Voorzitter, tot ons de vraag richtte, of wij in het Jubileumnummer een klein artikeltje wilden opstellen. We hebben dit aanvaard en belofte maakt schuld. Ja, ja, waarde mede-Imkeressen en Imkers, zoo ben je gezond, en zoo zit je in het Hoofdbestuur. Het is dan ook in deze hoedanigheid, dat ik eens even, met jullie, wil praten.

Een zilveren feest viert thans onze Vereeniging. Een terugblik op den afgelegden weg zal zeker wel doen. Alleen wil ik er op wijzen, dat onze Vereeniging de laatste jaren, ziek, en wel ernstig ziek is geweest. Symptonen van beterschap doen zich evenwel voor. Wanneer echter niet door jullie allen voor “versterkende" middelen wordt zorg gedragen, dan vrees ik, dat onze Vereeniging het gouden feest niet zal beleven.

Wat was nu de ziekte van onze Vereeniging? In de allereerste plaats, zat ze in een te eng keurslijf opgesloten. Wij Imkers kwamen onderling te weinig bij elkaar om de nooden en behoeften van elkaar te leeren kennen. De eene Algem. Vergadering te Utrecht kon alle verlangens en begeerten niet verwerken. Het Hoofdbestuur had ook geen gelegenheid om meer en voldoende voeling te houden met de Afdeelingen. Daarbij waren er geheime krachten aan het werk om het vertrouwen in het Hoofdbestuur verdacht te maken en te ondermijnen. Het seperatisme, waarin ons kleine land zoo groot is, deed ook in onze Vereeniging haar intrede en in den bodem, voorbereid door wantrouwen en verdachtmakingen, werd de splijtzwam in onze Vereeniging ingeënt.

Onze nieuwe statuten geven nu de kans om onze Vereeniging weer gezond en sterk te maken. De indeeling in groepen, met.aan 't hoofd, een Hoofbestuurslid, biedt thans de gelegenheid om de belangen van de Vereeniging en Bijenteelt, beter dan voorheen, samen te bespreken; maar dan moeten de groepen met hun vertegenwoordiger geregeld te samen komen om de belangen te bespreken, welke dan weer in het Hoofdbestuur, behandeld kunnen worden. Dit is thans de weg tot genezing en om het vertrouwen in het Hoofdbestuur te herstellen.

Mijns inziens moeten thans ons aller krachten aangewend worden voor den afzet van honing. Dit is zeker een zeer ernstig probleem. Doch door eendrachtige samenwerking niet zoo moeilijk om op te lossen. Er is een oostersch spreekwoord, en die, oosterlingen waren lang geen domme jongens, wat zegt: wanneer Mohammed niet bij den berg wil komen, moet de berg maar bij Mohammed komen.
Wanneer wij nu zien, dat vooral in de groote plaatsen, dagelijks met alle levensbehoeften, zooals melk, boter, groenten, visch, e.d. gevent wordt, dan wijst ons dit van zelf den weg, wat wij te doen hebben. Tot nu toe werd door ons Imkers steeds gewacht, of Mohammed niet bij ons kwam om den honing weg te halen. Dit nu moet uit zijn en moeten wij Mohammed den honing onder den neus duwen.
Met mooie wagentjes, zooals men die op perrons onzer groote stations ziet, hierachter een kwieke verkooper of verkoopster, zooals die zeker onder ons gilde wel zijn, en dan in onze groote steden gevent met slinger- en raathoning; ik ben er stellig van overtuigd, dat succes verzekerd is, en al onze Inlandsche honing verbruikt kan worden.
Daarom Groepen, vergadert dezen winter eens met uw afgevaardigde, bestudeer en bespreek daar degelijk het honingvraagstuk, dan kunnen wij, Hoofdbestuursleden, dat op onze beurt weer eens in bewerking nemen.

Dan nog iets. Onze Vereeniging laboreert al jaren aan de Baron von Haberniks koorts. Bespreekt op uwe afdeelingen en groepen eens ernstig het verhoogen van het Quotum. Want bedenkt, waar geen hand is, kan geen vuist gemaakt worden.

Veel zoude ik nog willen vertellen en nog meer op het hart drukken, doch de ruimte van ons feestnummer moet ook beperkt blijven. Alleen nog dit. Laten wij bij onze Immen in de leer gaan, waar we dagelijks kunnen zien, wat eendrachtig samenwerken vermag. Dat het gouden zonnetje in alle afdeelingen moge schijnen.
'sHage,
S. FRANKENHUIS.