De Kip en de Honingbij.

(Fabel).
Een kip, die bijna elken morgen,
Mevrouw een eitje kwam bezorgen;
Vergramde op de honigbij.
“Die stekelworm" zoo gromde zij
“Komt menig sierlijk bloempje storen,
Wier kleur en geur haar 't meest bekoren.
Daarbij kruipt z'even als de spin,
De kelk van bloem en bloesem in.
Had ik de macht, ik trad terstond,
Haar te morzel op den grond."

De bij, die men dit aan kwam zeggen,
Sprak: “Juffrouw kip, als gij gaat leggen,
Waarom maakt gij dan zoo'n gekakel,
Is eieren leggen soms mirakel?
Ons opperhoofd, de Koningin,
Noemt duizend eitjes pas begin.
Is dit niet iets, wat U verwondert?
Want gij legt s' jaars geen drie maal honderd
En wij: bereiden zuiveren honing,
Die zelfs den disch kroont van een Koning".

“'t Is waar, Uw ei schenkt zwakken krachten
Hierom blijf ik U hoog steeds achten.
Doch denk er om gij brave hen,
Dat ik nog grooter kunsten ken.
Wij gaan de zachte was bereiden,
Vergaard van velden, boom en weiden,
Bestemd voor velerhande doel,
Tot glans van tafel, kast en stoel,
’t Panopticum en ’t Magazijn
Toont elk wat wassen beelden zijn".

“In woning, Kerk en Cathedralen,
Tot zelfs nog in de ziekenzalen,
In kinderkamer en gesticht,
Verspreiden wij een helder licht.
Wat feestgetij er aan mag breken,
Men hoort er steeds van koeken spreken.
Verdient dus onze kunst geen roem?
Die wij ontleenen uit een bloem?
Bij groeizaam weer en zoele lucht
Wordt 't ooftgeboomt door ons bevrucht".

Toen Juffrouw kip dit aan moest hooren,
Ontstak ze des te meer in tooren.
Gansch opgezwollen door den nijd.
Kon zij niet spreken tot haar spijt.

Wil uit dit fabeldichtje leeren,
Dat men ieders kunst moet eeren.
Al wat men werkt in 't groot publiek
Is onderworpen aan Critiek.


Lutten,
H. VAN LAAR.

Bijschrift: Bovenstaand gedicht is gemaakt door een eenvoudig werkman, die bijen houdt.

DE RED.