Kunstraat.


Wie kent niet het product, dat we in de laatste jaren bij de moderne bijenteelt aan onze bijen geven, de kunstraat. Dit geschiedt eensdeels om mooie raten te krijgen, en anderdeels, om ze veel werk te besparen en meer honing te oogsten, immers wordt er door sommigen beweerd, dat de bijen om één K.G. was te bereiden 10, 12 ja sommigen zeggen 20 K.G. honing noodig hebben. Of dit echter altijd waar is, en of de imker er zooveel voordeel van heeft, geloof ik, dat we in zeker opzicht betwijfelen moeten. In onderstaande regelen hoop ik duidelijk te kunnen maken, wanneer we wel, en wanneer wij geen voordeel hebben van 't gebruik van geheele platen kunstraat, doch laat ons vooraf het ontstaan en de vervaardiging er van eens even bezien.

Toen in 1857 Johannes Mehring, een eenvoudig timmerman de eerste platen gemaakt had, waarin de indruksels van bijencellen waren, perste hij daarmede de eerste wasplaten als middelwanden voor raten. Tot zijn groote vreugde bouwden de bijen daarop cellen en kreeg hij mooie raten. Dit bleef niet onbekend en zoo kwamen er nog verbeteringen. Er waren er die dachten, dat er nu gouden bergen verrijzen zouden, doch zooals 't dikwijls gaat, het bleek ook alweer, dat men de verwachtingen te hoog gespannen had. Intusschen waren de grondslagen voor een nieuwe industrie gelegd en als dezelfde Johannes Mehring nu nog eens kon zien, welke gevolgen zijne gebrekkige uitvinding heeft gehad, zou hij ongetwijfeld verwonderd zijn. Immers er zijn fabrieken, die jaarlijks 100.000 K.G. fabriceeren en verkoopen. Wel een bewijs voor de uitgebreidheid van de bijenteelt en het gebruik van kunstraat.

Wie echter daaruit de conclusie wil trekken om altijd in 't broednest geheele platen kunstraat te gebruiken, is zeker bezijden de waarheid, in vele gevallen kan men veel goedkooper de bijen zelf een gedeelte van hare raten laten bouwen en later met geheele platen aanvullen tot het broednest compleet is.

De vervaardiging. We onderscheiden 2 soorten: de gegoten en de gewalste; de eerste met de Rietsche pers gemaakt, de andere met de wals. (Zie fig. I en II).

Eerstgenoemde is zeer broos en breekbaar, de laatste echter taai en buigzaam. Om dit broos produkt meer taai te maken zijn er verschillende middelen toegepast, doch deze baten meestal zeer weinig.
Het beste middel om ze taai te krijgen, is warmte; wil men ze gebruiken om in de ramen te zetten, of op maat te snijden, dan doet men 't beste, wanneer de zon schijnt, ze even in den zonneschijn te leggen, waarna ze even handelbaar zijn als gewalste, zoodat men ze kan snijden als men wil. Menigmaal wordt beweerd, en ook is 't mij dikwijls gebleken, dat ze veel dikker zijn dan de gewalste. Dit is echter niet de schuld van 't gieten, doch wel de schuld van hem of haar, die ze maakt; want om goede dunne platen te maken, wordt ervaring en vlugheid vereischt. Men leert het niet zoo in een oogenblikje. Voor en aleer men geen 15 of 16 platen voor een simplex-raammaat kan maken (in een kilo), kent men het werk niet; meermalen heb ik er 18 in een kilo gehad. Het losmiddel, dat ik gebruik, is niets anders dan honing, verdund met water; mogelijk zijn er ook wel andere, goede losmiddelen, doch honingwater bevredigt mij het beste. Ook hebben de bijen daarvan geen afkeer.

Er worden in verhouding tot de gewalste weinige gegoten gebruikt, waarom weet ik niet; 't is toch ongetwijfeld waar, dat deze op de gewalste zeer veel voor hebben en wel voornamelijk, dat ze, nadat ze in 't broednest geplaatst zijn, niet zakken, zooals veelal de gewalste wel doen. Welke schade en teleurstelling dit veroorzaakt is niet te zeggen; hoevele bovengedeelten van ramen kan men zien waarin de koningin geen eieren of uitsluitend darreneieren legt, die toch berekend waren om werkbijen voort te brengen. Ziet men dit, dan wordt onwillekeurig gedacht aan vervalsching, doch dit is allerminst het bewijs, 't zit in de bewerking.

Iedereen kan, als hij tenminste den tijd en de liefhebberij er voor heeft, zijn eigen ruwe was omwerken tot kunstraat, en is alzoo zeker, dat hij geen vervalscht produkt aan zijn bijen geeft of bij verkoop in den handel brengt. Vervalschte kunstraat (vooral met ceresine) bouwen de bijen met tegenzin uit en niet zoo vlug als onvervalschte.
Gewalste worden gemaakt op de volgende wijze: in een hoogen nauwen ketel laat men was smelten. Is ze gesmolten, dan neemt men een plankje ter breedte van 22 c.M., lengte ongeveer 60 c.M., het wordt zoo gemaakt dat de zijkanten scherp zijn; dit legt men voor 't gebruik in lauw warm water; dan neemt men dit plankje en steekt het in de gesmolten was, twee of driemaal telkens handig en vlug insteken en uithalen, laat het afdruipen en ge hebt twee dunne wasplaatjes.
Om vlug te kunnen werken, moet men twee of liever drie van die plankjes hebben, dan zijn er twee in 't water en een in gebruik. Heeft men een zekeren voorraad plaatjes, dan kan men gaan walsen, celindrukken geven. Nu heeft men noodig een vat, waarin de plaatjes vrij, in water van voldoende warmte, kunnen liggen. Men maakt daarna de rollen van de wals ook warm en smeert deze dik met zeepsop in; het beste is, sunlichtzeep te nemen. Nu neemt men een plaatje, steekt dat tusschen de wals en draait dan de rollen, zoodat aan de andere zijde het plaatje met cellenindruk te voorschijn komt. Om dit werk goed te doen, moet men met z'n tweeën zijn, één draaien en één raten afhalen van de rollen.
Door het stellen van de rollen, kan men ze dunner of dikker maken; doch laat ik er dadelijk bijvoegen, dat, om zeer dunne raat te maken, men veel ervaring noodig heeft.

Het gebruik. Wil men kunstraat gebruiken dan moet men goed weten, of 't noodig, of voordeelig is; weet men dit niet, dan moet men door proefnemingen onderzoeken wat 't beste is. 'k Zal trachten, 't eenigszins duidelijk te maken.
Voor 't grootste gedeelte hangt het af van de bedrijfswijze; laat men zwermen of niet; wil men den honing in de honingruimte of mag ook het broednest volgestopt worden; is 't alleen om mooie raten of ook om een massa bijen te doen; zoo zouden we een massa vragen kunnen doen, die in het nauwste verband staan met 't gebruik.

Woont men op een plaats, waar geen zeer sterke dracht in 't voorjaar of den zomer is, dan zal men geen voordeel van kunstraat hebban; beter geeft men dan strookjes aan de bovenlatten, en laat de bijen zelf de raten bouwen; hebben zij 5 of 6 raten bijna volgebouwd, dan geeft men één of twee kunstraten; strookjes er bij te zetten beteekent darrenwerk. Somtijds komt het voor, dat de bijen zoogenaamd den. honing voor 't grijpen hebben en dan is 't van 't grootste,belang, geheele platen te geven, vooral als het broednest niet geheel compleet is, ja het kan voorkomen, dat ook die platen nog onvoldoende zijn, en 't beter is om uitgebouwde te geven. Wie al den honing gaarne in 't honingruim heeft, kan niet beter doen, dan in 't broedruim raampjes met strookjes kunstraat te hangen, tusschen broed- en honingruim een koninginnerooster leggen, en in 't honingruim een paar uitgebouwde en overigens kunstraten te plaatsen.

Gebruikt men voor honingruim dezelfde groote ramen als in 't broedruim, dan ook kan men uit 't broedruim ramen nemen en plaatsen deze in 't honingruim, terwijl men de opengevallen plaatsen weer met kunstraten, (en ook 't honingruim) vult. Zonder koninginnerooster gaat de koningin naar boven en, inplaats van honing, krijgt men dan broed in 't honingruim; in den onderbak loopt het broed uit en 't moet buitengewoon goed halen, zal daarin nog honing komen.

Voor slingerhoning hindert het niet al zijn de kunstraten wat dik, doch voor raathoning moeten ze zeer dun zijn. In Amerika, waar de vraag naar raathoning groot is, worden ze zoo dun gemaakt, dat men ongeveer 32 stuks, 10 x 41 c.M. in een pond heeft (4/54 ons). Zijn ze zwaarder dan deugen ze voor raathoning niet. Nochtans is het van 't grootste belang, dat men voor raathoning geheele platen gebruikt.

W.Z. Hutchinson een groot honingproducent in Amerika zegt: “Jaren geleden deed ik zwermen op uitgebouwde raten, op geheele platen en op smalle strookjes aan de bovenlatten, van ieder 5 volken. Het eerste jaar bleek mij, wat honingopbrengst betreft, dat ik van uitgebouwde ramen schade had, wat betreft den oogst van secties." De moeielijkheid is deze: eer de koningin eieren legt in uitgebouwde raten, moeten de cellen schoongemaakt en gepoetst worden en voor ze zoover zijn, als er goede dracht is, leggen de bijen reeds honing in; zijn ze eenmaal begonnen den honing in 't broedruim op te stapelen dan is 't moeielijk om ze in 't honingruim te krijgen.

De voordeelen van volle platen boven strookjes waren niet zoo merkbaar; nochtans werden deze proeven gedurende enkele jaren doorgevoerd. Het eerste seizoen had ik wel zooveel waargenomen, dat er niets met kunstraat was gewonnen boven strookjes en dit is steeds zoo gebleven. Nu moeten we echter niet vergeten, dat 't ging om mooie secties.

Een voordeel is er nochtans met kunstraat te bereiken, en dat is, om mooie broedraten te verkrijgen. Wie echter in den zomer zijne volken onder goede controle houdt en 't darrenwerk verwijdert en stukken kunstraat zet in de plaatsen waar men 't darrenwerk weggesneden heeft, zal ook niet te klagen hebben over veel darrenraat. Ook kan men in den nazomer de slechte ramen wegnemen en goede geven in de plaats, die men toch over heeft van degene, die men opruimt. Men moet niet vergeten, dat de bijen de organen voor wasbereiding niet voor niets hebben en hoe beter de dracht, des te meer was ze afscheiden. Kunnen ze, deze niet op normale, wijze verwerken dan plakken zij ze op onderscheidene plaatsen b.v. als torentjes op de bodemplank, buitengewoon zware honingdeksels enz. 't Is mij gebeurd, dat ze op de voorzijde van de kasten was hadden geplakt; in 't eerst wist ik niet, wat die witte vlekje waren, doch bij nader onderzoek bleek, dat 't zuivere was was. Ik had er wel eens van gelezen en zoodoende kwam ik tot onderzoek.

Daarom geloof ik ook niet, dat de bijen zooals beweerd wordt 10 tot 20 pond honing noodig hebben om één pond was te maken. Een vraag zou ik wel willen stellen: “Is gemiddeld de opbrengst van een volk in een ronden korf, waarin toch geen kunstraat gebruikt wordt, veel minder dan van een kast, volop voorzien van kunstraat?" 't Ware te wenschen, dat er degelijke proeven werden genomen, waarop men in de praktijk kon rekenen.

Nooit zijn de bijen zoo ijverig als een zwerm, die pas bezit heeft genomen van een ledige woning. Ze bouwen zooals geen ander volk, al heeft dit ook tweemaal zooveel bijen. Vanwaar dit?
't Is van 't grootste belang, deze vlijt op te wekken en te trachten zoolang mogelijk in stand te houden. Hiertoe worden door vakkundige imkers verschillende middelen aangewend zooals: het door elkaar hangen van den bouw, het afvegen voor de woning, het ontnemen van een gedeelte broed, omzetten enz. enz. het een met meer, het ander met minder succes.

Denk nu niet, dat ik een tegenstander ben van 't gebruik van kunstraat, ik gebruik zelf tamelijk veel, doch alleen wilde ik aantoonen, dat kunstraat, onoordeelkundig gebruikt, niets dan schade berokkent. Wij moeten trachten meer vaklui te worden, die weten wat voor- en wat nadeel is.
Ook hoop ik, dat dit artikel er toe moge bijdragen, om meer en dieper te denken en op te merken tot financieel voordeel van de imkers en tot uitbreiding van de bijenteelt.

R. TUKKER.