Bijenteelt in Nederlandsch-Indië.
Omtrent de vroegere pogingen om in Ned. Indië bijenteelt te bevorderen, worden wij in ons maandblad niet volledig ingelicht. Het is mij gelukt daarover gegevens te krijgen, die hieronder worden medegedeeld, uit het verslag van 's Lands Plantentuin 1877.
Door den directeur der school was reeds vroeger aan Dr. Salverda (Hiermede wordt bedoeld de toenmalige landbouwschool, waarop óók veeteelt werd onderwezen. Dr. Saverda was inspecteur van het middelbaar onderwijs, tevens belast met het toezicht op het landbouwonderwijs.) verzocht, om bij de opleiding van den leeraar, bestemd voor het onderwijs in de veeteelt, dezen ook een cursus te doen volgen in de bijenteelt, daar deze hier te land een goede bron van inkomsten kan worden voor den minderen man.
Toen eenigen tijd daarna de president van het aardrijkskundig genootschap der Regeering den invoer van Europeesche bijen in overweging gaf, en een Duitsch geleerde zich aanbood om voor het overbrengen dier insekten te zorgen, kon voor dit aanbod worden bedankt, en er werd besloten den a.s. leeraar Rijkens, die in den loop van het jaar naar Indië zoude vertrekken, en zich speciaal op de bijenteelt had toegelegd, met het overbrengen te belasten. De invoer van Europeesche bijen werd beproefd, omdat men meende, dat deze honing leverden van betere kwaliteit dan de inlandsche. Ofschoon de teelt der laatste hoofdzaak moet blijven en daarvan meer verwacht wordt, en ofschoon het verschil in honing waarschijnlijk wordt veroorzaakt, doordat de honing der inlandsen planten, overeenkomstig de eischen van het klimaat, waterachtiger is dan die van Europeesche gewassen, was het zaak den invoer der eerste te beproeven en zoo deze kwestie uit te maken.
De leeraar Rijkens gaf het volgende verslag:
Er werden medegenomen, Italiaansche, Cyprische en Krainer bijen. De eerste werden als 't meest geschikt voor Indië beschouwd, daar ze met de Krainerbij, de vlijtigste en de zachtaardigste zijn.
De laatste eigenschap is voor een warm klimaat zeer te waardeeren, daar alle bijen op warme zomerdagen zeer moeilijk te hanteeren zijn. Daarenboven is de Italiaansche bij niet zeer zwermlustig, een voordeel bij de teelt met mobielraten en bij het verblijf in heete gewesten, waar de zwermdrift verhoogd wordt. De Krainer bij daarentegen is bijzonder zwermlustig. De Cyprische bij, tot hetzelfde ras behoorende als de Italiaansche, is waarschijnlijk eene nog nieuwe variëteit, van wier eigenschappen weinig bekend is. Men verhaalt evenwel, dat zij kwaadaardiger is dan de Italiaansche.
Er werden medegenomen 10 kasten met Italiaansche-, 2 met de Cyprische- en 2 met de Krainersoort. Van de eerste waren er acht afkomstig van den heer Dathe te Eystrup (Hannover), 2 van Dr. Dzierzon te Carksmarkt in Silezie. De Krainer bijen waren uit Kraine, de Cyprische uit Silezie afkomstig.
Voor het transport werden de z.g. “Dathesche Zwillingslagerstocke" gekozen. De 8 volken van den heer Dathe werden in dezelfde kasten ontvangen, waarin zij gedurende de reis bleven: zij waren goed voorzien van honingraten en in uitstekenden toestand. De overige volken werden in transport-kastjes ontvangen en in groote teeltkasten overgebracht.
Toen zij in den Helder aan boord werden gebracht, waren alle gezond: zij werden geplaatst in een hut van 8 kub. meter inhoud, die van inrichtingen voor ventilatie voorzien waren. Op 25 October verliet de boot de reede. In de verwachting, dat de bijen zich wegens de koude rustig zouden houden, werd men teleurgesteld, daar zij zeer onrustig waren en het bijna onmogelijk was ze te voeden; bij 't openen der kasten vlogen ze in massa's naar buiten. Die van Dathe behoefden niet te worden gevoederd, en hadden dus de beste kans van slagen. Reeds den 2en November stierf een der Krainer volken, en vele der andere waren toen reeds bedenkelijk.
De heer Rijkens had er op gerekend de bijen te Port-Said aan land te kunnen brengen, en ze te laten uitvliegen, dit ging echter niet. De warmte in de hut werd in de Roode Zee getemperd door dagelijks plm. 20 K.G. ijs daarbinnen te brengen. In de Arabische Zee was het ijs reeds verbruikt, de temperatuur in de hut was toen plm. 80 gr. Den 8en December kwam de boot op de reede van Batavia aan. De Cyprische- en Krainerbijen waren alle gestorven, slechts 6 Italiaansche volken, alle van den heer Dathe afkomstig, leefden nog. Nog op den avond van denzelfden dag kwamen de bijen te Buitenzorg en den volgenden morgen te Fjikeumeuh (te Fjikeumeuh in Buitenzorg was de cultuurtuin.) aan, waar haar dadelijk gelegenheid tot uitvliegen gegeven werd. Een der kasten No. 5, bleek aanstonds zich het best geconserveerd te hebben; de bijen vlogen onverwijld uit en vertoonden niet de minste matheid.
Ook de bijen uit andere kasten kwamen langzamerhand naar buiten, sommige waren levendig, anderen zeer loom. Alle kasten hadden zeer sterk geleden door de wasmot. De raten waren er geheel of gedeeltelijk mede bezet; die welke uit Europa in voorraad waren medegenomen, waren er geheel door bedorven. Langzamerhand herstelden de bijen zich; reeds den 13en December werden eieren gevonden.
De natte moesson doet geen kwaad, daar de bijen steeds voor den regen binnen zijn. Gebrek aan nectar en pollen schijnt er niet te zijn, daar de bijen van kast No. 5 steeds goed beladen thuiskomen. Zij zijn tot nog toe alleen gezien op de Goemosa sinsitoa. Thans Maart 1878, is nog slechts één volk, n.l. dat in kast No. 3 overgebleven. De overige zijn alle gestorven. Steeds stierf eerst de koningin. Dit had plaats, omdat de bijen te zwak waren en dus de koningin niet behoorlijk voederden, of omdat deze zwak was. De heer Rijkens houdt de laatste veronderstelling voor de ware, omdat de bijen zich tot aan den dood der koningin goed hebben gehouden. In kast No. 3 was de koningin steeds druk bezig met eieren te leggen, en de eieren lagen regelmatig in de cellen; in de vijf andere kasten daarentegen waren slechts weinig eieren, die onregelmatig in de raten waren verspreid. Legt een koningin slecht, dan verzwakt het volk niet alleen door het afsterven der oude bijen en de zwakke plaatsvervanging, maar tevens worden de bijen ontmoedigd en zij vliegen minder uit. Waarschijnlijk hadden dus de koninginnen op reis geleden en zijn zij aan verzwakking gestorven.
De bijen hebben hier vele vijanden, waarvan de mieren de ergste zijn. In de kasten worden zij vervolgd door de kakkerlakken, daarbuiten door wespen en libellen. Speciale vijanden onder vogels, die zeer zeker hier ook aanwezig zijn, zijn nog niet opgemerkt. Het schijnt echter, dat gezonde volken het minst last van aanvallen hebben, daar dat in No. 3, nadat het zich behoorlijk sterk heeft ontwikkeld, niet meer tegen mieren beschermd behoeft te worden. Het volk No. 3 blijft sedert eenige weken stationair en vliegt niet meer zoo druk uit als vroeger. Deze toestand dateert van het bezoek van eenige reusachtige wespen, die de bijen tot op het vliegplankje vervolgden en verscheidene hebben gedood. De aanval schijnt wel afgeslagen te zijn, daar de wespen zich niet weder vertoonden, doch het schijnt tevens, dat de bijen vreesachtig zijn geworden, en daardoor minder uitvliegen.
De koningin van No. 3 blijft gezond. Steeds is er behoorlijk bijenbroed voorhanden. Hommelbroed is er nog niet. De schoone verwachtingen kwamen niet in vervulling. Den 30en April 1878 stierf het laatste volk.
Eene mislukte proef is nog geen bewijs tegen de mogelijkheid Europeesche bijen in Ned. Indië in te voeren.
De proeven, om de Indische bijen in gewone bijenkassen te houden en aan te kweeken, worden voortgezet, doch hebben nog niet tot een zeker resultaat geleid. Zooals bekend is. werden er later ook door particulieren meerdere proeven genomen om bijen uit Europa in te voeren, een gunstig resultaat is tot heden nog niet verkregen. Onder de vijanden van bijen zijn later bekend geworden de bijeneters (Meropiae), een slanke veelal groengekleurde vogel.
Voor een goede handleiding voor bijenteelt in tropische landen wordt verwezen naar “A breef survey of Harvaican Bee Keeping bij E.F. Phillips, Ph.D. Bulletin No. 75, Part V, U.S. Department of Agriculture, Bureau of Entomology, 1909."
juli 1920
L.J. VAN RHIJN.