Verslag der proeven over Koninginneteelt op Urk.
Een der groote moeilijkheden, die zich bij koninginneteelt voordoen, is het vinden van een goed bevruchtingsstation. Wil men immers koninginneteelt rationeel uitvoeren, dan is het noodig, dat wij onze geselecteerde koninginnen kunnen laten bevruchten door bepaalde darren, d.w.z. door darren met bepaalde eigenschappen, met uitsluiting van iederen dar, die deze eigenschappen niet bezit.
Doel der proeven.
Doel dezer proeven nu was te onderzoeken of het eiland Urk voor bevruchtingsstation in aanmerking zou kunnen komen.
Onderzocht moest dus worden:
a. Of Urk op voldoend grooten afstand verwijderd ligt van de kust, zoodat geen darren uit bijenvolken uit de omgeving van Enkhuizen, Lemmer, Blokzijl, Kampen enz. de aanwezige jonge koninginnen zouden kunnen bevruchten;
b. Of, indien zoowel jonge koninginnen als darren op Urk gebracht worden, de bevruchting normaal verloopt.
Wat punt a aangaat, is de heerschende meening, dat darren zich geen 18 K.M. van hun standplaats verwijderen en daar Urk minstens op dien afstand van de kusten der Zuiderzee verwijderd ligt, meent men, dat dit punt geen bezwaren oplevert. Daar echter over den vliegafstand der darren geen nauwkeurige gegevens bekend zijn, en dit juist de hoofdvoorwaarde is waaraan een terrein, dat voor koninginneteelt gebezigd wordt, moet voldoen, kan met deze meening niet volstaan worden, doch moet integendeel deze kwestie aan een nauwkeurig onderzoek worden onderworpen. Dit gedeelte vormde dan ook het voornaamste gedeelte der onderzoekingen.
Wat punt b betreft, wordt vrijwel algemeen aangenomen, dat de bevruchting der koninginnen in de vlucht, dus in de lucht geschiedt. Het feit dat Urk een betrekkelijk kleine oppervakte heeft en aan alle zijden door de zee wordt omgeven, zou dus geen bezwaren opleveren. Echter moet gerekend worden op een meer dan normale windsterkte. Hierdoor zou het misschien kunnen gebeuren, dat de jonge koninginnen op orienteerings- of bruidsvluchten in het water terecht zouden komen, zoodat een abnormaal verlies van koninginnen te verwachten was.
Om op deze vragen een antwoord te krijgen werden de volgende proeven genomen:
a. Nazwermen, waaruit alle darren verwijderd waren, werden zoo spoedig mogelijk na het afkomen op Urk geplaatst;
b. Na afloop van de onder a vermelde proef werden volken samengesteld met jonge, onbevruchte koninginnen, terwijl tevens een volk met een voldoend aantal darren op Urk gebracht werd.
Terreinonderzoek.
Voordat tot de voorbereiding van de proeven werd overgegaan, werd een terreinonderzoek ingesteld. Hierbij bleek allereerst de bevestiging van een voorafgaande briefwisseling, n.l. dat op Urk geen bijen gehouden worden en, voorzooverre bekend, ook nooit aanwezig geweest zijn. (Echter moet hier toch het volgende vermeld worden. Eenige weken na het begin van de proef werd mij door een Urker visscher verteld, dat voor een 15-tal jaren op Urk eens een bijenvolk was aangetroffen. Dit zou gevonden zijn midden in het weiland, in een gat onder den grond. Na uitrooking der bijen zou hieruit wel 20 pond honing gehaald zijn. Nader onderzoek over deze zaak bracht echter niets aan het licht, daar de personen, die aan dit werkje hadden deelgenomen, niet meer bekend waren. Echter mag gerust worden aangenomen, dat dit verhaal grootendeels op fantasie berust en althans met de honingbij niet te maken zal hebben).
Het eiland Urk is 81 H.A. groot. Het bestaat geheel uit vrij laag gelegen weiland, met uitzondering van het westelijk gedeelte, dat hooger ligt en waarop het dorp is gebouwd. Hier bevinden zich enkele boomen, doch overigens ligt het eiland geheel onbeschut tegen den wind. Drinkwater voor de bijen bleek in voldoende hoeveelheid aanwezig te zijn. Daar dit terreinonderzoek in Februari plaats vond, kon de plantengroei in het weiland niet nagegaan worden. Wel bleken in het dorp verschillende struiken van sneeuwbes, Deutzia en jasmijn te staan, zoodat met de informaties, die ik over het weiland kreeg (dat in sommige winters dikwijls gedurende eenigen tijd onder het zeewater staat), de hoop gerechtvaardigd was, dat althans stuifmeel in voldoende mate verzameld zou kunnen worden. Later bleek, dat dit werkelijk het geval was.
Een goede standplaats voor de bijen was spoedig gevonden. De keuze hierin is echter zeer beperkt, daar de huizen zeer dicht op elkaar staan, tuinen niet aanwezig of zeer klein zijn en andere onbebouwde oppervlakten ongeschikt zijn. Aan den westkant van het dorp bevindt zich echter een groote loods, die niet gebruikt wordt en die, voor vroegere interneeringsdoeleinden, door prikkeldraad van de omgeving is afgesloten. Tusschen deze loods en de prikkeldraadafsluiting bevindt zich een strook grasland van ongeveer 50 M. lengte en 3 M. breedte, die voor plaatsing der volken bizonder geschikt leek, daar zij op deze plaats beschermd zouden zijn tegen N.W., W. en Z.W. winden. Bovendien bevindt zich vlak bij deze loods de woning van den Rijksveldwachter, welk feit welkome waarborgen opleverde tegen eventueele beschadiging der volken door de Urker jeugd. Van den Burgemeester van Urk kreeg ik welwillend toestemming om dit terrein voor de proeven te bezigen.
Als woningen voor de proef volkjes liet ik enkelwandige kastjes vervaardigen, groot genoeg voor 3 Simplex-broedkamerramen en klemlat; dikte van het hout 1,2 c.M. Deze kastjes worden boven afgesloten door een los deksel, dat aan alle zijden 3 c.M. buiten het kastje uitsteekt. Aan den voorkant is vlak boven den bodem een kleine vliegopening, die gemakkelijk door een kurk kan. worden gesloten. Achterin het kastje is een klein voederbakje. Boven de raampjes is nog een ruimte van ongeveer 1 c.M. voor dekkleedjes en kranten. Bij verzending worden het deksel en de bedekking weggenomen en loodrecht op de richting der raampjes een latje gelegd, dat deze vastdrukt en met een paar spijkertjes in de zijwanden wordt vastgemaakt. Voorts wordt de bovenzijde van het kastje afgesloten door een stukje gaas, dat met punaises wordt bevestigd. Ieder kastje is aan de voorzijde en op het deksel van een nummer voorzien. In alle raampjes werden heele vellen kunstraat gezet.
De nazwermen, die voor de proef gebruikt werden, waren alle afkomstig van een stal korven, die alle een kunstmatigen voorzwerm (jager) geleverd hadden, zoodat zekerheid bestond dat, in de drukte van het zwermen, geen voorzwerm tusschen de jonge zwermen terecht zou komen. Het afkomen der zwermen werd niet door slecht weer tegengehouden, zoodat mag worden aangenomen dat de jonge koninginnen bij het zwermen niet ouder waren dan 1 à 2 dagen.
Om de kastjes te bevolken met een zwerm, zoodanig dat géén enkele dar binnenkwam, werd na eenige proeven de volgende werkwijze toegepast. Een nazwerm van voldoende sterkte, die b.v. op 15 Juni afkwam, werd geschept, opgedoekt en 's avonds op een kastje gedaan, waarvan het vlieggat afgesloten was door een klein stukje koninginnerooster, zoodat noch koningin noch darren naar buiten konden. Den volgenden dag konden de bijen rustig uitvliegen. Wanneer het een enkele maal voorkwam, dat het weer daartoe te slecht was, lieten wij de bijen daartoe den daarop volgenden dag de gelegenheid. Als dus op 16 Juni de bijen goed gevlogen hadden, werd 's avonds, als alle bijen binnen waren, het kastje weggenomen en vervangen door een ander. Ook dit was voorzien van een roostertje voor het vlieggat en bovendien zorgvuldig afgesloten door een kleedje. Uit het eerste kastje werd nu de koningin gezocht en deze, door even het kleedje op te lichten, in het nieuwe kastje geplaatst. Alle bijen van het volkje werden nu voor dit nieuwe kastje geschud, waar dus reeds de koningin in was.
Meestal liepen alle bijen vlug naar binnen, zoodat binnen het uur de vlieggaten schoon waren. In enkele gevallen raakte het vlieggat min of meer verstopt door enkele darren, die vruchteloos probeerden om ook binnen te geraken. Deze werden dan echter onschadelijk gemaakt. Opmerkelijk klein was het aantal darren, dat op deze manier uit de zwermen, werd gezeefd. Vele bevatten geen enkelen dar; de meesten 2 à 3; het grootste aantal was 6. In 3 gevallen bleek een aldus behandeld volk niet naar binnen te willen. De oorzaak hiervan was spoedig gevonden. In den tros bijen, die dan aan het deksel hing, bleek dan nog een koningin te zitten. Na verwijdering hiervan liepen dan na een poosje alle bijen vlug naar binnen. Waar dit geval zich voordeed, waren dit waarschijnlijk bij elkaar gevlogen nazwermen, die zich, zelfs na een dag van gedwongen doch rustig samenzijn, nog niet vereenigd hadden. Echter kon dit niet met zekerheid nagegaan worden.
Direct nadat op bovenbeschreven manier de kastjes darrenvrij bevolkt waren, werd het vlieggat gesloten en het latje, dat op reis de raampjes moet vastdrukken, aangebracht, doch voor dit vastgespijkerd en het gaas opgelegd werd, het kleedje er onderuit getrokken. Zoodoende kon geen enkele meer binnen of buiten komen.
Om beschadiging bij het vervoer te voorkomen en voorzichtige behandeling te bevorderen, werd om ieder kastje nog een touw geslagen, zoo, dat aan de bovenzijde een lus gevormd werd. Geen enkel kastje liep op reis dan ook de geringste beschadiging op. Gezorgd werd, dat de kastjes om 10 uur nm. aan het station Wageningen aanwezig waren, zoodat ze den volgenden dag om pl.m. 1 uur op hun nieuwe standplaats Urk arriveerden.
Plaatsing der volken.
Om zooveel mogelijk te voorkomen, dat de koninginnen na een uitvlucht op een verkeerd kastje terecht zouden komen, werden de kastjes in 2 rijen geplaatst, met het vlieggat naar het oosten. Afstand der kastjes op de rij: 2 Meter; afstand tusschen de rijen 1½ Meter; ieder kastje van de eene rij tusschen 2 kastjes van de andere rij. Zij werden geplaatst op 2 steenen en, om omwaaien te voorkomen, vastgezet met een touw, bevestigd aan 2 kleine paaltjes, links en rechts van het kastje.
Algemeen overzicht.
Daar de zwermtijd in deze omgeving dit jaar vrij laat viel, kon met de proef niet zoo vroeg worden begonnen als wel gewenscht was. Op 12 Juni was het eerste volkje op Urk aanwezig; 16 Juni volgden er 4; 17 Juni 2; 20 Juni 5 en 23 Juni 18. Totaal 30. Direct na aankomst op Urk werden de vlieggaten geopend en de kastjes verder in orde gebracht. Daar de dracht ter plaatse zeer gering is, werden de volken in het begin dagelijks gevoerd. Door afwezigheid van andere volken, kon dit geschieden door een bord met honing buiten neer te zetten. De hoeveelheid die verstrekt werd, werd zooveel mogelijk naar de behoefte geregeld. Gepoogd werd zooveel te voeren dat een rand honing van 5 c.M. in de raampjes aanwezig was. Zooals verwacht was, bleken de sterkste volken in verhouding meer te halen dan de zwakkere. Hierin werd voorzien door deze laatste apart bij te voeren in de kastjes aanwezige voerbakjes.
Over het algemeen liep dit voeren, dat ik meestal wekelijks kon controleeren, goed van stapel. Slechts eenmaal bleek te weinig gevoerd te zijn en trof ik 2 zwakke volkjes aan die den hongerdood gestorven waren.
Stuifmeel bleek in voldoende mate door de bijen zelf verzameld te worden. Drachtplanten waren: paardebloem, witte klaver, sneeuwbes, Deutzia, jasmijn, herfstleeuwentand en zeeaster. Op 4 Juli werd, bij zeer gunstige weersgesteldheid, een waarneming over de stuifmeeldracht gedaan. Naar schatting kwamen per volk en per uur gemiddeld 50 bijen, beladen met stuifmeel thuis.
Alle volken werden zoo spoedig mogelijk na aankomst op Urk gecontroleerd. Meestal kon dit eerste onderzoek reeds den volgenden dag plaats hebben. Dit onderzoek betrof voornamelijk: aanwezigheid van de koningin; afwezigheid van darren en de volkssterkte. Begrijpelijkerwijze had dit onderzoek alleen plaats onder omstandigheden, waarbij een uitvlucht der koningin niet kon worden verwacht. Bij geen enkele inspectie werd een dar aangetroffen.
Voorts werden de volken zooveel mogelijk met rust gelaten, zoodat bij de meeste volkjes tusschen het eerste en het tweede onderzoek 6 weken tusschenruimte lag.
Gedurende mijn afwezigheid werd niemand op het terrein toegelaten. Ook de persoon, die voor het voeren zorgde en toezicht hield, had strenge orders om overdag niet bij de kastjes te komen.
Toestand der volken.
In onderstaand overzicht is een korte beschrijving gegeven van de geschiedenis en het verloop van ieder volkje. Behalve de gegevens daarin vermeld, geldt voor alle volken:
dat geen darrenraat aanwezig was;
dat zooveel kunstraat was uitgebouwd als ongeveer door de volkssterkte is aangegeven. (B.v. ¾ bevolkt beteekent, dat de 3 raampjes voor ¾ gedeelte met bijen bezet waren en de kunstraat over dat gedeelte geheel was uitgebouwd.);
dat eventueel aanwezig darrenbroed gekopt werd, zoodra de nymphen gekleurde facetoogen begonnen te krijgen, zoodat geen vergissing betreffende het geslacht meer mogelijk was.
Volk 1. Nazwerm van 17 Juni. Op Urk 20 Juni.
26 Juli. Koningin afwezig. Half raam verzegeld bultbroed, enkele larven en eitjes. Honing en stuifmeel voldoende. ½ bevolkt.
Resultaat: koningin verloren; eierleggende werkbij.
Volk 2. Nazwerm van 17 Juni. Op Urk 20 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Eitjes. Honing en stuifmeel voldoende. Ruim ½ bevolkt.
8 Augustus. Ruim 1 d.M². bultbroed, larven en eitjes.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 3. Nazwerm van 15 Juni. Op Urk 17 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Geen honing. Stuifmeel voldoende. ¼ bevolkt.
4 Augustus. Idem, doch een weinig honing.
25 Augustus. Dood van honger.
Volk 4. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Geen honing, Een weinig stuifmeel. ¼ bevolkt.
25 Augustus. Koningin aanwezig. ± 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes, Weinig honig en stuifmeel. ¼ bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 5. Nazwerm van 13 Juni. Urk 16 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Ruim 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. Honig en stuifmeel vrij veel. ½ bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 6. Nazwerm van 15 Juni. Op Urk 17 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Eitjes. Honig en stuifmeel veel. ½ bevolkt.
8 Augustus. Koningin aanwezig. Ruim 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 7. Nazwerm van 9 Juni. Op Urk 12 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. ± 2 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. Geheel bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 8. Nazwerm van 13 Juni. Op Urk 16 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Eitjes, honig en stuifmeel voldoende, ruim ½ bevolkt.
8 Augustus. Koningin aanwezig en 1 d.M². verzegeld bultbroed.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 9. Nazwerm van 13 Juni. Op Urk 16 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Ruim 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. Honig en stuifmeel veel. ¾ bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 10. Nazwerm van 15 Juni. Op Urk 16 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Eitjes. Honig en stuifmeel genoeg. ½ bevolkt.
8 Augustus. Koningin aanwezig, 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. 2/5 bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 11. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Eitjes honig en stuifmeel vrij veel. ½ bevolkt.
8 Augustus. Koningin aanwezig, 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 12. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel voldoende, 1/3 bevolkt.
8 Augustus. Koningin niet aanwezig. Voorts als 26 Juli.
Resultaat: koningin verloren gegaan.
Volk 13. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel voldoende. 1/3 bevolkt.
25 Augustus. Koningin aanwezig, 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 14. Nazwerm van 16 Juni. Op Urk 20 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Eitjes. Honing en stuifmeel vrij veel. Ruim ½ bevolkt.
8 Augustus. Koningin aanwezig. Ruim 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 15. Nazwerm van 16 Juni. Op Urk 20 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel voldoende. Ruim ½ bevolkt.
25 Augustus. Koningin niet aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel voldoende. Ruim 1/3 bevolkt.
Resultaat: koningin verloren gegaan.
Volk 16. Nazwerm van 16 Juni. Op Urk 20 Juni.
26 Juli. Koningin niet aanwezig. Geen broed. Geen honing. Stuifmeel voldoende. ½ bevolkt.
Resultaat: koningin verloren gegaan.
Volk 17. Nazwerm van 20 Juni, Op Urk 23 Juni. 26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Geen honing. Voldoende stuifmeel. ½ bevolkt.
25 Augustus. Koningin aanwezig. Pl.m. 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. 1/3 bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 18. Nazwerm van 17 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel voldoende, ½ bevolkt.
25 Augustus. Koningin aanwezig, 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. Honing en stuifmeel weinig. ¼ bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 19. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Dood van honger.
Volk 20. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel voldoende. ½ bevolkt.
25 Augustus. Koningin aanwezig. Ruim 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. 1/3 bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 21. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel veel. ¾ bevolkt.
25 Augustus, Koningin aanwezig. 2 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. Honing en stuifmeel zeer veel. ½ bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 22. Nazwerm van 21 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Geen honing. Geen stuifmeel. 1/5 bevolkt.
25 Augustus. Koningin aanwezig. ½ d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. Honing en stuifmeel voldoende. 1/6 bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 23. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel voldoende. 1/3 bevolkt.
25 Augustus. Koningin aanwezig. 1½ d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. Honing en stuifmeel veel. 1/3 bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 24. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel voldoende. 1/3 bevolkt.
25 Augustus. Koningin aanwezig, 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. 1/3 bevolkt.
Resutaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 25. Nazwerm van 21 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel voldoende. 1/3 bevolkt.
25 Augustus. Koningin aanwezig, 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. 1/3 bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 26. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Honing voldoende. Geen stuifmeel. 1/3 bevolkt.
25 Augustus. Koningin aanwezig, 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. 1/3 bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 27. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Geen broed. Geen honing. Vrij veel stuifmeel. 1/3 bevolkt.
25 Augustus. Koningin aanwezig, 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. Weinig honing. Vrij veel stuifmeel. ¼ bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 28. Nazwerm van 21 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli. Koningin aanwezig. Weinig honing en stuifmeel. Geen broed. ½ bevolkt.
4 Augustus. Koningin aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel voldoende.
25 Augustus. Koningin aanwezig. Eitjes. Honing en stuifmeel voldoende.
30 Augustus. Koningin afwezig. Geen broed; geen eitjes. Geen honing. Voldoende stuifmeel.
Resultaat: koningin waarschijnlijk niet bevrucht geworden; daarna verloren gegaan.
Volk 29. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli, Koningin aanwezig. Eitjes. Honing en stuifmeel voldoende. ½ bevolkt.
8 Augustus. Koningin aanwezig, 1 d.M². verzegeld bultbroed, larven en eitjes. ½ bevolkt.
Resultaat: koningin niet bevrucht geworden.
Volk 30. Nazwerm van 20 Juni. Op Urk 23 Juni.
26 Juli, Koningin niet aanwezig. Geen broed. Honing en stuifmeel voldoende. 1/3 bevolkt.
Resultaat: koningin verloren gegaan.
Totaaloverzicht: koningin niet bevrucht geworden, 22; koningin verloren gegaan 6; dood 2.
Weersgesteldheid.
Om een overzicht te krijgen over de weersgesteldheid, werden de volgende waarnemingen gedaan. Telkens om 10 uur v.m., 12 uur m. en 2 uur n.m. (zonnetijd) werd opgenomen:
A. Temperatuur. Deze werd afgelezen van een thermometer, vrij opgehangen aan de Noordzijde van de loods, in de schaduw. Zij is uitgedrukt in graden Celsius.
B. Windsterkte. Deze is aangegeven volgens graden der Beaufortschaal en geschat met behulp van de daarvoor gebruikelijke kenmerken, welke hier volgen.
Windkracht in schaaldeelen Beaufort . . . Kenmerken.
0. Volkomen windstilte.
1. Rook stijgt bijna loodrecht omhoog.
2. Wind even te voelen.
3. Vleugels van scheepsmasten en boombladeren even bewogen.
4. Vleugels worden gestrekt, kleine boomtakken bewogen.
5. Wind onaangenaam voor het gevoel, beweegt groote takken.
6. Wind wordt bij tegenstand tegen huizen enz. hoorbaar.
7. Boomtakken bewogen, golven met overstortende koppen.
8. Geheele boomen schudden; het tegen den wind loopen wordt bemoeilijkt.
9. Dakpannen enz. worden verzet.
10. Boomen worden ontworteld.
11 en 12. Verwoestende werking.
C. Bewolking. Deze is uitgedrukt in kenmerken als volgt:
Helder. De hemel is geheel helder.
Lichtbewolkt. De hemel is voor ¼ met wolken bedekt.
Halfbewolkt. De hemel is voor ½ met wolken bedekt.
Zwaarbewolkt. De hemel is voor ¾ met wolken bedekt.
Betrokken. De hemel is geheel met wolken bedekt.
Regen.
Van groot belang voor het beoordeelen van de uitkomsten der proeven is het, te weten bij welke weersgesteldheid de bijenkoninginnen oriënteerings- en paringsvluchten maken. Helaas zijn hierover geen nauwkeurige gegevens bekend. Echter is aangenomen, dat de koningin uitvluchten kan maken bij een temperatuur van minstens 20 graden C., een windsterkte van hoogstens 3 en een lichtbewolkte lucht. Ik meen dan de grenzen zeer nauw te hebben getrokken.
Voorts is van belang de duur van den bronsttijd. Ook hierover bestaat groot verschil van meening. In ons land neemt men meestal aan 14 tot 21 dagen; Duitsche deskundigen meenen dat, indien slecht weer aanvankelijk het uitvliegen verhindert, de bevruchting nog na 4 tot 6 weken kan geschieden. Ik heb aangenomen dat de bevruchting der koninginnen nog kon plaats hebben 21 dagen na aankomst der volken op Urk.
Om een overzicht te krijgen van de dagen, waarop de koninginnen konden uitvliegen, raadplege men onderstaande grafische voorstelling, waarin de gegevens over het weer zijn verwerkt.
(Deze grafische voorstelling kon niet opgenomen worden, omdat zij voor een cliché veel te onduidelijk is, Red.).
Weerstoestand op Urk van 13 Juni tot 30 Augustus 1922 (voor iedere dag aangegeven om 10, 12 en 2 uur).
Wij zien dan dat als vliegdagen kunnen worden beschouwd:
Juni: 13, 15, 16, 20, 21 en 22.
Juli: 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 11, 12 en 13.
Overzicht van den duur van den bronsttijd der verschillende koninginnen en dagen, waarop uitvluchten konden plaatsvinden.
Volk . . . . . . . Duur bronsttijd . . . . . . . . . . Vliegdagen
2 . . . . . . . . 20 Juni tot 11 Juli . . . . . . . . . . . . 11
4 . . . . . . . . 23 Juni tot 14 Juli . . . . . . . . . . . . 10
5 . . . . . . . . 16 Juni tot 7 Juli . . . . . . . . . . . . . .8
6 . . . . . . . . 17 Juni tot 8 Juli . . . . . . . . . . . . . .8
7 . . . . . . . . 12 Juni tot 3 Juli . . . . . . . . . . . . . .8
8 . . . . . . . . 16 Juni tot 7 Juli . . . . . . . . . . . . . .8
9 . . . . . . . . 16 Juni tot 7 Juli . . . . . . . . . . . . . .8
10 . . . . . . . 16 Juni tot 7 juli . . . . . . . . . . . . . . 8
11 . . . . . . . 23 Juni tot 14 Juli . . . . . . . . . . . . 10
13 . . . . . . . 23 Juni tot 14 Juli . . . . . . . . . . . . 10
14 . . . . . . . 20 Juni tot 11 Juli . . . . . . . . . . . . 10
17 . . . . . . . 23 Juni tot 11 Juli . . . . . . . . . . . . 10
18 . . . . . . . 23 Juni tot 11 juli . . . . . . . . . . . . 10
20 . . . . . . . 23 Juni tot 11 juli . . . . . . . . . . . . 10
21 . . . . . . . 23 Juni tot 11 juli . . . . . . . . . . . . 10
22 . . . . . . . 23 Juni tot 11 juli . . . . . . . . . . . . 10
23 . . . . . . . 23 Juni tot 11 juli . . . . . . . . . . . . 10
24 . . . . . . . 23 Juni tot 11 juli . . . . . . . . . . . . 10
25 . . . . . . . 23 Juni tot 11 juli . . . . . . . . . . . . 10
26 . . . . . . . 23 Juni tot 11 juli . . . . . . . . . . . . 10
27 . . . . . . . 23 Juni tot 11 juli . . . . . . . . . . . . 10
29 . . . . . . . 23 Juni tot 11 juli . . . . . . . . . . . . 10
Gedurende het tijdvak 13 Juni tot 15 Juli kwamen dus voor iedere koningin 8 tot 11 vliegdagen voor.
Conclusie.
Uit het bovenstaande mag worden geconcludeerd, dat van 13 Juni tot 15 Juli geen darren in de gelegenheid geweest zijn om met de jonge koningin te paren.
Opmerking. Gedurende dit tijdvak kwam 1 periode voor van 4 opeenvolgende dagen goed weer en 1 van 6. De vraag of geen kans op bevruchting bestaat bij een langere periode van goed weer, moet nader worden onderzocht.
Op 8 Augustus werden uit 10 kastjes de onbevrucht gebleven koninginnen verwijderd, n.l. uit de volken Nos. 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10; 11; 14; en 29.
Alle overige kastjes, waarvan nog niet met zekerheid was vastgesteld of de koninginnen al of niet waren bevrucht, werden voorzien van een stukje koninginnerooster voor het vlieggat, zoodat de koningin niet meer kon uitvliegen.
De eerstgenoemde kastjes bleven tot 10 Augustus moerloos.
Dien dag werd echter, in een moerhuisje, een jonge onbevruchte koningin bijgezet. Deze waren hoogstens 5 dagen oud en afkomstig uit redcellen van 2 moerloos gemaakte korven. Er waren maatregelen genomen, dat ze niet bevrucht konden zijn.
Op kastje 12 werd, eveneens op 10 Augustus een bijenvolk gedaan, waaraan was toegevoegd een groot aantal darren, afkomstig van normale volken. Bovendien kreeg dit volk een 3-tal raten, waarin flinke stukken darrenbroed in alle stadia van ontwikkeling, dus ook met uitloopende darren.
Op 14 Augustus werden de jonge koninginnen losgelaten, na eerst met wat honing besmeerd te zijn. In kastje No.14 zat echter de koningin dood in het moerhuisje.
Bij het onderzoek op 25 Augustus bleek kastje 10 moerloos te zijn. In de andere kastjes bleek nog geen broed aanwezig te zijn. Van 25 Augustus tot 30 Augustus werd zeer sterk gevoerd.
Op 30 Augustus bleken in kastje 7 en 8 eitjes te zijn (resp. 17 en 38).
31 Augustus werden alle kastjes naar Wageningen vervoerd, waar zij 1 September arriveerden. Nadat de vlieggaten waren geopend, werden deze direct afgesloten door een stukje koninginnerooster. Op 2 September werden deze volkjes versterkt met een raam met uitloopend broed, afkomstig van gewone Simplexkasten. Deze waren in het begin van Augustus sterk gevoerd en daarna het jonge broed boven den rooster gehangen. De op deze manier versterkte volkjes werden geregeld flink gevoerd.
Op 20 September bleken de volkjes Nos. 2, 5, 7, 8, 9 en 11 normaal broed te bevatten, dus de koningin hiervan bevrucht te zijn. No. 29 was moerloos. No. 6 had nog geen broed. Bij microscopisch onderzoek bleek deze koningin onbevrucht te zijn.
Uitgaande van dezelfde gegevens wat het kunnen uitvliegen der koninginnen betreft als boven, moeten als vliegdagen worden beschouwd: 15 16, 18, 19, 20, 21, 22, 26, 27, 28 en 29 Augustus. In totaal 11, dus ongeveer evenveel als bij het eerste gedeelte der proef.
Conclusie.
Worden zoowel onbevruchte koninginnen als darren op Urk gebracht dan mag gerekend worden op een normaal verloop der bevruchting.
Eindconclusie.
Juiste gegevens over den afstand waarop darren zich van hun standpaatsen verwijderen, zijn niet bekend. Echter wordt algemeen aangenomen, dat het zeer onwaarschijnlijk is, dat darren van de kust der Zuiderzee op Urk zouden komen. Mocht dit in enkele gevallen misschien toch gebeuren, dan is desalniettemin de kans, dat een op Urk aanwezige koningin door zoo'n dar bevrucht zou worden, zeer gering te achten.
Gezien deze feiten en de resultaten van de dit jaar genomen proeven, mag geconcludeerd worden, dat dit eiland voldoende geisoleerd is om als bevruchtingsstation, te dienen, zoodat, wat dit onderdeel betreft, de praktische koninginneteelt geen bezwaren meer in den weg staan.
Een aantal vragen, zoowel voor de wetenschap als de praktijk van groot belang, zouden kunnen worden opgelost, indien absoluut vaststond, dat Urk volkomen geisoleerd ligt voor darrenbezoek. Voordat hiertoe kan worden overgegaan, is echter nog een nader onderzoek noodig.
Voor dit verslag te eindigen, wil ik nog mijn dank betuigen aan eenige personen die hebben medegewerkt om deze onderzoekingen te doen slagen. Dit betreft allereerst den Heer Burgemeester van Urk, die zoo welwillend was mij een terrein af te staan om deze proeven te nemen. Verder den Heer A.G. Verspuy, Rijksveldwachter te Urk, voor het gehouden toezicht en het verzamelen van de gegevens over het weer. En tenslotte den Heer G. v.d. Brink, bijenhouder te Bennekom, die mij het levend materiaal voor deze proeven, leverde en mij verder met woord en daad terzijde stond bij het samenstellen der proefvolken.