Uit de praktijk.
(Bijenhouden in Friesland door J.H. VISSE te Mantgum (Fr.).
Als correspondentie met den Heer van Giersbergen werd in Klein Veeteelt verleden jaar over bovenstaand onderwerp voor belangstellende imkers een en ander opgenomen. Deze praktische mededeelingen werden toen door den Rijksbijenteeltconsulent op prijs gesteld, hoewel door mij, als amateurimker, met nog zooveel tekortkomingen in dit wonderlijk bedrijf, min of meer angstvallig deze praktische ervaring aan publiciteit werden prijsgegeven.
Niettemin heeft het m.i. zijn nut als we naast de theoretische voorlichting en uiteenzetting hieromtrent van deskundigen ook af en toe eens stemmen uit de praktijk hooren. Mochten er dan imkers zijn, die mij eens flink op mijn fouten wijzen, die hier volgen, dan zal mij dit zeer aangenaam zijn. Voor het volgend seizoen kan 'k mijn voordeel daarmee doen.
In Friesland, tusschen Leeuwarden en Sneek, zijn we voor de voedselbereiding (stuifmeel) aangewezen in 't vroege voorjaar op de "wilgenkatjes", voor de verdere ontwikkeling (broedaanzet) op de paardenbloem, voor de hoofddracht (overschot honing voor den imker om zijn zaakje in stand te houden) de witte klaver. Als één van deze factoren ontbreekt, wegens slecht weer of andere tegenwerkende elementen, is voor een jaar gewoonlijk mislukking het gevolg.
We zullen maar aannemen, dat de inwintering goed is geweest, tenminste ik vond in 't voorjaar van 1921 (deze praktische ervaringen zijn geput uit notitiën van dat jaar) niet bijzonder veel doode bijen. Op 3 Februari had de reinigingsvlucht plaats. Als de weersgesteldheid 't eenigszins toelaat, heb 'k de gewoonte om bij deze gelegenheid de bodemplank schoon te maken en stort dan alles wat daar zich op bevindt op een stuk wit papier, om na afloop na te gaan wat daarop al zoo is neergedaald. Zie 'k daarop veel witte schilfertjes dan bewijst dit waternood (geen watersnood).
Verder zoek 'k nauwkeurig tusschen de "lijkjes" of zich H.M. daar niet tusschen bevindt, kortom dat zijn allemaal zaakjes, die een imker dan verplicht is na te zien, om den toestand van de huishouding te kunnen gissen. Het is in 't vroege voorjaar beslist verkeerd om een kast te openen, veeltijds komen er na de reinigingsvluchtdag nog zooveel strenge winterdagen, waardoor vele bijen verkleumen, doordat ze de kieren en naden nu niet meer kunnen dichtplakken met voorwas of propolis.
Bij 't nazien tijdens een reinigingsvlucht had 'k soms een prachtig volk, zag 'k ze in 't laatst van Maart weer eens na, als de opvolgende koude, soms strenge winterdagen geweken waren, dan lag de bodemplank bezaaid met lijkjes en de zijramen bezet met eveneens groot aantal doode bijen.
Op 11 Maart '21, een mooie voorjaarsdag, toen de bijtjes druk vlogen en stuifmeel van de "katjes" binnenhaalden, was 'k in de gelegenheid de huishouding van "binnen" na te zien. De zijvleugels van het gebouw waren gedurende de wintermaanden door haar onbewoond gehouden, de schimmel had hier een mooi terrein beslagen.
De overtollige ramen er uitgenomen en een scheidingsplankje aangebracht en het zaakje weer dicht gemaakt en goed toegedekt vordert niet veel tijd en er gaat dan ook niet zooveel warmte verloren. Ze zaten nu weer prachtig en den geschatten voorraad voer achtte ik nog voldoende voor eenige weken. Niettemin diende ik ze een kleine hoeveelheid suikerwater, vermengd met honig of ook wel honigwater goed afgekoeld, toe, wat de activiteit van de bijtjes verhoogt!
Tegen April is 't ook gewenscht den verzegelden honig om het gevormde broednest wat te ontzegelen, dit bevordert den broedaanzet, want hier in Friesland begint de paardenbloem (zooals ik in den aanhef van dit schrijven aantoonde, als zijnde een groote factor voor 't welslagen van een goed bijenjaar) al meer en meer te verschijnen. We kunnen dan ook overgaan tot een grondiger inspectie en reinigen terdege de bodemplank nog eens. Het broednest begint dan ook meer en meer uit te breiden. In den loop dezer maand wordt tusschen twee goed bezette ramen met broed een leeg uitgebouwd raam gehangen en herhaal dit na een paar weken nog eens op een anderen plaats.
Ik heb wel eens hoor en beweren, dat dit ingrijpen in de volgorde van cellenbezoek voor H.M. storend werkt; of die theorie juist is weet ik niet doch praktische resultaten heb ik er steeds mee gekregen!
Wordt vervolgd.