Het wegvliegen van zwermen.
Het is van veel beteekenis dat een zwerm, die pas is afgekomen, weldra ergens gaat hangen op een plaats, die niet ver van den bijenstal is. Was dat niet het geval en ging zoo'n zwerm er dadelijk van door (zooals wel eens gebeurt), dan zou de bijenteelt nooit mogelijk zijn geweest. Zwermen met oude koninginnen blijven dichter bij den stal en gaan meestal lager hangen dan die met jonge moeders. De oude moeders vliegen niet zoo gemakkelijk, omdat het achterlijf door de gezwollen en werkende eierstokken veel zwaarder is. De natuur heft dit bezwaar wel eenigszins op, doordat kort voor het zwermen de werkzaamheid der eierstokken vermindert, waardoor deze in gewicht afnemen; de koningin neemt minder eiwitvoedsel (voedersap) op en kan zich beter bewegen.
Wanneer een zwerm lang hangt, zoo vliegt hij weg, vooral wanneer hij in de zon hangt. Op warme dagen moet men daar dus voorzichtig mee zijn. Nazwermen met hun dartele en bewegelijke koninginnen vliegen lichter weg dan voorzwermen.
't Is al eenige jaren geleden, dat we 11 uur 's morgens een voorzwerm schepten en dien in het zwermkorfje op een schaduwrijk plaatsje in een elzenhaag hingen. De zwerm was groot en de bijen hingen door de warmte nog al los en uit elkaar, zoodat een groot deel van den tros onder het zwermkorfje uitkwam. We meenden, dat de bijen op dat koele beschaduwde plaatsje wel zouden optrekken. Er werd dus geen doek onder het korfje gedaan. In de eerste uren hadden we geen gelegenheid naar den zwerm om te zien.
Eerst tegen 3 uur 's middags gingen we eens kijken en toen we bij het korfje kwamen, vlogen wat bijen daar omheen, en plotseling lieten de onderste zich los van den tros en gingen de lucht in. Er volgden er steeds meer. 't Ging met een groote snelheid onder een krachtig gegons en binnen eenige seconden stonden we midden in de rondvliegende bijen. Ik begreep wel, dat mijn zwerm mij ging verlaten. 'k Stond machteloos er iets tegen te doen, er was geen zand of water om in den zwerm te werpen. Deze ging al hooger en trok over een groep houtgewas. Ik liep den zwerm na, wat in 't begin wel ging, doch weldra werd de vaart al sneller, de zwerm trok over eenige huizen en was spoedig uit het oog verdwenen. Een week later vernam ik, dat hij 20 minuten verder was neergestreken en door iemand was geschept.
Het speet me erg, want het was een uitstekende koningin, waar ik reeds in een vorig jaar van had gefokt. Mijn plan was om er een broedaflegger van te maken, en deze dan in koninginnevolkjes te splitsen. Twee dagen te voren had ik het volk nog gecontroleerd en alleen koninginnenapjes gevonden, welke niet ingelegd waren. Toen de zwerm was afgetrokken, onderzochten we het volk weer en vonden eitjes in de napjes. Door het sterke gewin en de groote warmte was het volk in zijn allervroegste stadium van rijpheid gaan zwermen.
Mijn hoop was nu gevestigd op een nazwerm, om toch een fokvolk te kunnen krijgen. Deze kwam op een mooien dag en nadat de zwerm een poosje had gevlogen scheen het, dat hij aan een hoogen tak zou gaan zitten. Dat plan werd echter weer opgegeven. Ik spoot al eens met een flinke sproeispuit door de bijen, doch ze bleven onrustig en verwijderden zich al verder van den stal. Ik begon te begrijpen, dat deze zwerm er ook van door zou gaan en nog wel zonder zich eerst gezet te hebben. Hij trok op dezelfde plaats over 't houtgewas waar de vorige was heengegaan (op een plek waar dat hout iets lager was dan overal elders).
Vlug kwam ik met een werkman, die daar bezig was, vóór den zwerm. We wierpen zoo vlug we konden, handen vol fijn zand door den zwerm. Deze raakte van streek en tal van bijen gingen aan een tak zitten. Ik wachtte nog even en streek die bijen in het schepkorfje. Gelukkig was de koningin er bij, een groote, prachtige moer. Ik vond er maar één in den zwerm. Plotseling was ze weer uit 't korfje en zag ik haar weer op den tak. Even druk en bewegelijk als de koningin, waren ook de bijen. Eindelijk kreeg ik de eerste te pakken, doch had helaas geen koninginnekooitje bij me om haar vast te zetten. 'k Wist boven op den ladder niets beters te doen, dan haar op de vleugels te spuwen. Toen werd ze kalmer en meer handelbaar. 'k Kreeg mijn zwerm in het korfje, dat ik met een doek afsloot. 'k Had hem wel verdiend. 's Avonds werd hij niet in zijn nieuwe woning gebracht, zooals met andere zwermen altijd gebeurt, doch ik liet hem 's nachts liggen om hem te kalmeeren. Alles ging verder goed en ik heb er een prachtig volk van gekregen met beste nakomelingen.
'k Heb er mij wel eens over verwonderd, dat die beide moeders zoo'n aanleg hadden om weg te vliegen en de jonge in 't begin dezelfde “baan” volgde als de oude. Op de plaats, waar ik thans 14 jaar woon, zijn bij mij voor zoover ik kan nagaan 5 zwermen weggevlogen, in ongeveer Oostelijke en Zuid-Oostelijke richting, terwijl de hoofdvlucht der bijen meestal west en zuidwest is.
Wanneer de zwermen in 't algemeen afkomen, dan gaan ze meerendeels zitten in de richting vanwaar het meeste zonlicht komt. Zoo zal zelden een zwerm in noordelijke richting van den stal gaan zitten. Een enkele maal verdwaalt er wel eens een in die richting. (Laten andere imkers ook eens hun ondervinding op dit punt geven).
Bij tal van imkers op de Veluwe (ik weet niet hoe 't elders is) was 't vroeger steeds de gewoonte, dat een der huisgenooten op een blik of een omgekeerden gieter begon te trommelen, wanneer een zwerm afkwam. Nog tegenwoordig ziet en hoort men dat trommelen. Wanneer men vraagt, wat 't beduidt, dan krijgt men tot antwoord: “dan kan de zwerm niet wegvliegen, omdat de bijen door het trommelen de moer niet kunnen hooren. De zwerm gaat dan spoedig zitten”. Neen zeggen anderen, dat trommelen heeft geen invloed. 't Is een gewoonte uit zeer ouden lijd, toen er nog zoo weinig begrip was van mijn en dijn, toen er nog zoo weinig wetten en rechten waren. Kwam er een zwerm, dan kondigde de imker zijn recht daarop aan, door te trommelen. De gewoonte heeft in latere tijden zijn beteekenis verloren.
Het trommelen is blijven bestaan en men zegt nu, dat het van invloed is op het spoedig gaan zitten van den zwerm. Of deze verklaring juist is, durf ik niet te beweren, maar wel ben ik van meening, dat de oude gewoonte, het trommelen, meerderen of minderen invloed heeft op het spoedige gaan zitten, niet omdat de bijen de moeder dan niet hooren, want een koningin kan in een zwerm niet zoo hard gonzen, dat de bijen haar kunnen hooren. Wat ik echter heb gezien en gehoord, heeft mij de overtuiging gegeven, dat de bijen tijdens het zwermen met elkaar in contact staan en hetzelfde willen, beleven en genieten bij een bepaald gonzen, wat de imker den “zwermzang” noemt. We hooren wel, dat het zwermgonzen, verschilt met b.v. het gonzen bij een voorspel enz., doch waarin dat precies bestaat kan men vooreerst nog niet weergeven.
Er zijn meerdere bewijzen voor mijn meening. Een sterk bewijs vindt men hierin, dat het zwermgonzen beantwoord wordt door andere volken, die in een periode van rijpheid (soms in een nog vroege periode) verkeeren. Zoo'n volk begin dan direct ook te zwermen, soms meerdere volken volgen, op een oogenblik, dat de eerste zwerm nog niet eens geheel den korf heeft verlaten. De imker zegt dan, dat het zwermen "aanstekelijk werkt". Dikwijls vliegen die zwermen dan naar elkaar en in elkaar als een geheel en de massa gaat als een zwerm zitten. Op de bijenmarkt heb ik wel eens gezien, dat tal van zwermen zoo afkwamen en alle bij elkaar vlogen.
Een wegvliegende zwerm maakt een eigenaardig gonzend geluid, dat bij het versnellen van zijn vaart schijnt aan te zwellen, om dan met een krachtig geluid en vrij groote snelheid voort te gaan. Dat geluid vooral houdt de bijen bijeen en daardoor hebben ze voeling met elkaar om eensgezind dezelfde richting te nemen en te houden. 't Zijn zeer waarschijnlijk de spoorbijen, de gangmakers, die vooraan de spits vliegen, de richting aangeven en den "gonstoon" aangeven. Die spoor- of speurbijen hebben te voren den korf, de holte in een muur of boom gevonden, zijn er soms meerdere dagen geweest en zoo is 't te verklaren, dat bij haar leiding, de geheele zwerm regelrecht en met groote zekerheid op de nieuwe woning aanvliegt.
Wanneer men met een geweer dichtbij of door een wegvliegenden zwerm schiet, dan gebeurt het meestal, dat hij gaat zitten. Ik verklaar deze wonderlijke geschiedenis dan zoo, dat de knal het zwermgeluid overstemt en het eenheidsgonzen, het contactgeluid een oogenblik voor haar gehoor verloren gaat, het rythme van dat onmisbare gonzen is weg en daarmede het rythme van haar gelijkmatig bewegen en haar zelfde willen. De zwerm moet gaan zitten. (Op andere wijze heb ik met zwakkere bepaalde geluiden wel eens proeven genomen, waardoor plotseling een bijenvolk in een korf in beroering komt. Men kan ook door bepaalde geluiden een dansenden muggenzwerm uit de lucht op den grond laten vallen).
Ik heb nog eens een aardig voorbeeld gezien, hoe een zwerm gaat zitten, wanneer de bijen het zwermgegons (den zwermzang) niet kunnen hooren. 't Was onstuimig weer geweest, de lucht werd helder, nu en dan nog eens een harden windstoot en enkele kleine donkere wolken. De bijenstal stond mooi beschut en de zon scheen er op. Er kwam een zwerm, die vroolijk vloog. Opeens een krachtige windstoot, en het geruisen der fel bewogen takken en bladeren overstemde den zwermzang. Plotseling sloegen de bijen neer en 't was me eerst een raadsel, waar ze zoo spoedig bleven. Weldra zag ik ze verspreid zitten op het pannendak van een laag schuurtje en op enkele struiken. Al gauw werd het stil, want de windstoot hield, maar kort aan. Voor en na kwamen de verspreid zittende bijen weer in de lucht, het gonzen der eerste lokte ook de andere en weldra was de zwerm weer vliegende om op normale wijze aan een tak te gaan hangen.
Letten we nu eens op, wat er gebeurt, voordat een zwerm den korf verlaat. Soms daags te voren, soms al eerder is er een eigenaardig voorspel, dat van andere voorspelen goed is te onderscheiden door den sterken toon dier bijen en het driftige vliegen met krachtige bewegingen. Op den dag van 't zwermen is dat voorspel er weer, soms al 's morgens om 7 uur, soms later, ook al naar 't weer is. Soms is 't kort voor 't zwermen. Het gonzen dier voorvliegende bijen zijn de loktonen om den zwerm naar buiten te lokken. Al meer bijen komen naar buiten en gonzen ook zoo, de heele zwerm komt af. Die eerste bijen zijn de “gangmakers” en zeer waarschijnlijk de spoorbijen, die zooals we hierboven reeds opmerkten den zwerm leiden (de richting geven).
Ik heb met die gangmakers eens een proef genomen. Op een mooien Junidag kreeg ik een grooten voorzwerm, dien ik 's avonds in een ledige kast deed. Den volgenden morgen zag ik 't hierboven beschreven verschijnsel, de gangmakers speelden onstuimig voor met krachtig geluid. Ik was er zeker van, dat de zwerm de kast weer zou verlaten. 't Duurde wel een heele poos, maar hij kwam en bleef nog al lang in de lucht, zoodat ik voor wegvliegen vreesde. Ik spoot er eens flink doorheen, de zwerm ging zitten en werd geschept en “gedoekt”, 's avonds werd hij weer in dezelfde kast gedaan.
Den volgenden dag begon 't zelfde voorspel weer en ik was overtuigd, dat de zwerm de kast weer zou verlaten en dan was er veel kans geweest, dat hij zou wegvliegen, zonder te gaan zitten. Ik hing ± een decimeter van den voorkant der kast een zak en legde in 't vlieggat van de Simplexkast een latje, zoodat er aan 't eind. slechts een opening van eenige centimeters openbleef. De gangmakers konden dus hun voorspel niet maken en daarbinnen in de kast kon men hun loktonen niet hooren. Wel beproefden ze op den hoek der kast, waar de kleine vliegopening was, voor te spelen, doch daar werd een plank gezet en zoo nu en dan besproeide ik ze wat met een gieter. Het zwermen kon geen begin krijgen en de zwerm bleef in de kast.
't Is mogelijk dat deze zwerm gangmakers of spoorbijen heeft gehad, welke met kracht wilden doorzetten den zwerm te leiden naar een woning, welke zij elders te voren hadden gevonden. Gelukkig is dit niet zoo dikwijls 't geval en bij volken, waar de zwerm moet afkomen, omdat de moerdoppen rijp zijn, zal men met bovengenoemde "zwermverhindering" wel niet de gewenschte resultaten hebben.
Eén interessant geval van een wegvliegenden zwerm beschrijft de groote bijenkenner en imker Baron von Berlepsch. (Ook deze is van meening dat de spoorbijen de leiding van den zwerm hebben en aan de spits vliegen). In het middaguur kwam er een zwerm, welke ging hangen en om 4 uur 's namiddags van plaats verwisselde en onder een schaduwrijken lindenboom ging hangen, waar hij gemakkelijk kon worden waargenomen. Enkele bijen vlogen voor en na naar alle richtingen af, doch te voren vlogen zij in de gewone kringvluchten om zich van uit haar nieuwe plaats ten opzichte der omgeving goed te oriënteeren. Enkele bijen keerden terug. De zwerm bleef op die plaats den nacht hangen.
Met het eerste schemeren van 't morgenrood zat ik met mijn helpers weder bij den zwerm. De tuindeuren waren al daags te voren alle geopend en dichtbij stond een rijknecht met twee gezadelde paarden.
Van 5½ uur af zag ik meerdere bijen in Zuidelijke richting snel afvliegen, zonder dat ze eerst genoemde kringvluchten maakten. Deze waren dus reeds georiënteerd. Geen enkele dier bijen keerde terug. Om 7¼ uur brak de zwerm los en trok in Zuidelijke richting vrij langzaam en diepgaand. Men kon aan de spits van den trekkenden zwerm vrij duidelijk de "leidsterbijen" (spoorbijen) waarnemen.
De rijknecht ijlde te paard vooruit en ik ging te voet naast de spits van den zwerm, tot aan het einde van den tuin en ik was overtuigd, dat de zwerm wist, waar hij heen wilde. Een knecht had het tweede rijpaard achter mij aan geleid en ik wierp mij daar nu op, ijlde den tuin uit en vervolgde met den rijknecht den zwerm door "dik en dun". In matigen draf konden wij hem wel een kwartier volgen. Hij ging steeds tusschen 4 en 9 voet hoog en in zuiver Zuidelijke richting. Eindelijk ging hij zoo snel, dat wij de paarden zoo hard moesten laten loopen als maar eenigszins mogelijk was. Bij het naaste dorp, op een afstand van bijna ½ uur ging de zwerm in een boerentuin. Ik sprong over de heining en stond met mijn paard midden in den zwerm, die in de holte van een pereboom trok. Dat intrekken geschiedde met zulk een zekerheid en snelheid, dat ik niet meer twijfelde, of de “spoorbijen” hadden te voren deze plaats reeds uitgekozen.
Er was niet aan te denken den zwerm zonder rook uit de holte te krijgen. Ik vroeg den eigenaar van den tuin, of ik daar eenigen tijd mocht blijven om den zwerm verder waar te nemen, dan zou ik de bijen uit den boom in een korf rooken en ze hem laten behouden. Na bijna 20 minuten begonnen de bijen stukjes vermolmd hout naar buiten te dragen, vlogen naar het veld, kwamen met stuifmeel terug enz.
Tot zoover vertelt von Berlepsch!
De meeste onzer imkers en vooral de oudere hebben meer of minder interessante gevallen beleefd betreffende weggevlogen zwermen. Wie vertelt daar eens wat van? Er is altijd wat uit te leeren, vooral ook over de spoorbijen, waarvan men 't juiste nog niet weet.
T.C. HOOTSEN.