Een middel om de zwermen absoluut baas te blijven.
De ideale plaats voor een bijenstand is wel een boomgaard met niet meer dan manshooge boompjes, op behoorlijken afstand van elkaar, en zonder rijzige woudreuzen in de onmiddellijke nabijheid. Stonden mijn kasten op een dergelijk grondstuk, me dunkt: ik liet ze zwermen, wanneer ze zelf wilden. Alleen zou ik nazwermen beletten, ten einde mijn volken steeds op voldoende kracht te houden. En het scheppen der voorzwermen, die natuurlijk altijd laag bij den grond zouden gaan hangen in m'n lage boompjes, zou totaal geen bezwaar opleveren.
Toch zou de kans nog blijven bestaan, dat er zwermen vandoor gingen. In het maandblad van November vertelt de heer Hootsen van deze misère. Het bijeenvliegen van zwermen zou óók nog kunnen voorkomen. Tevens zou ik in mijn lagen boomgaard nog niet met zekerheid kunnen zeggen, uit welke kast iedere zwerm afkomstig was, indien ik hem niet had zien afvliegen. En zulks kan ook veel verwarring en tijdroovend onderzoek veroorzaken.
Maar ik heb geen lagen boomgaard! Mijn kasten staan, vrij opgesteld, in den tuin bij mijn huis. Die tuin heeft verscheidene boomen, die boven het dozijn meters de lucht in gaan. Een situatie, welke zal doen vermoeden, dat ik de natuurzwermen, die soms aan zoo'n hoogen top bungelden, — en waarom wilden de meeste toch altijd zoo hoog en zoo onbereikbaar gaan hangen? — wel eens minder vriendelijk gestemd van den beganen grond heb aangestaard.
Wat al equilibristische toeren hebben we uitgehaald op zwiepende ladders, op buigende takken, waarop we werkten met kapmes, touw en zaag. Immers de eer des imkers gedoogt niet zoo'n bruinen tros ongemoeid te laten, al zit hij nog zoo hoog en lastig! Wat drommel, zijn wij de baas of zijn de bijen het!
Ten slotte tuimelde m'n oudste jongen bij het vangen van een zwerm uit een onbetrouwbaren populier en brak zijn pols, terwijl hij eigenlijk nog van geluk mocht spreken, dat zijn nek heel bleef.
Daarna zwoer ik, dat bij mij geen zwerm meer de boomen in zou gaan. Ik deed allerlei proeven. Ik paste vroegtijdig de omhangmethode toe; ik maakte kunstzwermen; separeerde; knipte de vleugels der koningin. Iedere methode had hare bezwaren. En absoluut bescheerschen deed ik het zwermen nog niet. Totdat ik begon te werken met een nooit volprezen instrument: de Alley's trap, een Amerikaansche vinding. En thans, na jaren van proefnemingen, kan ik zeggen: heureka! Ik heb het gevonden! Mijn zwermen gaan nooit meer de boomen in; ik behoef ze nooit meer na te klimmen; geen geknipte koninginnen hippen meer rond in het gras om ellendig verloren te gaan.
Ik houd ervan mijn volken zooveel mogelijk hun gang te laten gaan. Omhangen en separeeren beschouw ik als toch eigenlijk ruw ingrijpen in de goed geordende bijenhuishouding. Bovendien fopt ons de wisselvalligheid van het klimaat zoo vaak bij deze werkmethoden, die ons ook veel tijd rooven voor nakijken en nog eens nakijken.
Mijn Alley's traps veroorloven mij mijn volken met rust te laten, hen zich naar eigen inzicht te laten ontwikkelen en uitbreiden. Heusch, de bijen weten beter, hoe ze dat doen moeten dan wij, imkers. En komt ten slotte de zenuwachtige zwermtijd, dan wacht ik maar stillekens af en laat m'n veelgeprezen instrument automatisch zijn werk doen!
Mag ik u dit heerlijk hulpmiddel eerst eens voorstellen, om u daarna mijn manier van werken ermee te beschrijven?
Het is een soort van doos, welke men op de vliegplank vóór het vlieggat kan plaatsen, zoodat alle uit- en invliegende bijen er doorheen moeten passeeren. De doos bevat twee afdeelingen boven elkaar, gescheiden door een plankje. De onderste afdeeling is van voren voorzien van koninginnerooster, bestaande uit evenwijdige, metalen staafjes, welke de bijen heel weinig hinderen.

Het tusschenplankje bezit drie ronde gaten. Het middelste gat is bij normaal gebruik gesloten door een naar voren uittrekbaar, metalen schuifje. De beide zijgaten zijn overstulpt door kegelvormige fuikjes van metaalgaas. Deze hebben van boven een opening, waardoor ook darren en koninginnen kunnen gaan. De voorwand der bovenste afdeeling wordt weer gevormd door een vasten koninginnerooster; de bovenkant ervan is van hetzelfde maaksel, hier kan men den rooster wegschuiven, waarbij men de bovenafdeeling dus opent.
De onderhelft van ons instrument heeft geen wand aan de zijde, die naar de bijenkast is gekeerd. Zoodat de bijen ongehinderd door het vlieggat deze onderafdeeling bereiken. De bovenhelft is aan de achterzijde van koninginnerooster voorzien. Men ziet: het toestel is vrij eenvoudig. Een handig knutselaar kan het zelf best vervaardigen op een langeren winteravond.
En nu de werking van onze Alley's trap.
“Trap” beteekent: val. We zouden het instrument een koninginneval (eigenlijk geen: zwermval) kunnen noemen. Want het doel ervan is: de koningin automatisch te vangen uit een afvliegenden zwerm. Ieder weet, dat de zwerm terugkeert, als de koningin niet volgen kan. En hierin ligt nu het geheim van ons toestel.

Ik plaats een Alley's trap voor iedere kast, nog vóór ik zwermen verwachten kan. De bijen leeren al spoedig heel vlug door den ondersten rooster te kruipen. Bij mijn kast maakt de vliegplank, een verlengstuk van den bodem, een rechten hoek met den voorwand der kast. Ik kan dus zonder meer de val voor het vlieggat plaatsen. Bij sommige andere bijenwoningen, o.a. Simplex, gaat dit minder eenvoudig, door den eigenaardigen vorm en plaatsing van het vlieggat. Maar ieder knutselaar kan hier wel zoodanige verlengstukjes aanbrengen, dat de Alley's trap toch voor het vlieggat past.
En dan vliegt op een mooien dag werkelijk de zwerm af. Eerst stormen een paar honderd werkbijen door den ondersten rooster naar buiten. De koningin probeert dan te volgen, maar haar is de doorgang ontzegd. Ze wil echter met den zwerm mee en zoekt overal naar een doorgang. Daar vindt ze de fuikjes van ijzergaas, die naar de bovenste verdieping der val leiden. Ze passeert door één ervan, maar dan zit ze in de bovenafdeeling automatisch gevangen: Naar buiten kan ze niet, vanwege den omringenden koninginnerooster. Omlaag komt de koningin ook niet meer, daar ze de nauwe fuikopening niet meer terugvindt.
Intusschen is de zwerm afgevlogen en zoemt boven de woning rond. Meestal gaat hij niet eens hangen, daar de koningin niet mee is.
We kunnen nu de val met de moer erin midden tusschen de zwermbijen brengen. Deze zullen zich er omheen groepeeren. Het valt ons later dan zeer gemakkelijk de bijen in een nieuwe kast te storten. De val stellen we voor het nieuwe vlieggat en door het schuifje te openen, dat het middelste gat tusschen beide afdeelingen der val afsluit, stellen we de koningin in staat zich bij haar zwerm in de nieuwe kast te voegen.
In de oude kast verhinderen we het afkomen van een nazwerm door later verwijderen der koninginnecellen, nadat er één is uitgekomen.
We kunnen de zaak ook anders aanpakken. Zit de koningin in de val en vliegen de zwermbijen nog rond, dan zetten we de oude kast op zij. Op haar plaats komt een nieuwe woning. De val met de moer stellen we voor het nieuwe vlieggat op de oude plaats; we laten de koningin in de kast loopen, waarin ook weldra alle zwermbijen terugkeeren. Ook thans is het zwermen én het overbrengen in de nieuwe woning geheel automatisch, zonder klimmerij verloopen.
Het is mogelijk, dat de zwerm afvliegt, als we uit zijn. Gebeurt dit zonder de val, dan weet men meestal niet, uit welke kast de zwerm afkwam, dien men hangende vindt. Doch thans vinden we, thuiskomende, in één onzer vallen een koningin in de bovenafdeeling, omringd door een handjevol bijen; de rest van den zwerm trok de kast weer in. Al naar het ons best voorkomt, kunnen we nu: of de koningin verwijderen, alle bijen op de kast laten en aldaar een nieuwe koningin laten uitkomen; of de oude kast verplaatsen, op haar plaats een nieuwe woning zetten en hierin de oude koningin toelaten, wie ook alle vliegbijen uit de oude kast toevliegen. Jonge bijen vegen we van een paar raten bij.
Zoo hebben we het zwermen absoluut in onze macht. Van naklimmen of zelfs maar opvangen is geen sprake meer. We weten steeds precies, welke kasten zwermden, we behoeven geen koninginnen te merken; geen vleugels te knippen; en in 't algemeen veel minder aan de volken te prutsen, hetgeen niet het minste voordeel is.
Natuurlijk moet men de jonge koninginnen gelegenheid geven voor de bruidsvlucht en voor hare woningen dus geen vallen plaatsen.
Slechts één ding brengt nog wat last: ook alle darren, die willen uitvliegen, vangt men automatisch, in de bovenafdeeling der val. Nu heeft men meestal darren te veel en 't is dus niet zoo erg; maar om de paar dagen dient men de gestorven darren te verwijderen, opdat deze de fuikjes en den rooster niet verstoppen.
Heeft men darren van waardevollen stam, die men wil sparen voor paringen, dan kan men iederen dag, wanneer de zwermuren voorbij zijn, de schuifjes openen en de darren dus in de kast terug laten loopen.
Er zijn gewijzigde Alley's traps in den handel, waarbij de darren bij hunnen gewone vluchten ongehinderd uit en in kunnen loopen. Komen bij het begin van een zwerm dichte drommen bijen naar buiten, dan stooten deze tegen een zeer beweeglijk metalen klepje, dat dichtvalt en eerst daarna den uitgang naar buiten voor koningin (en darren) afsluit.
Nog op een andere manier trek ik van het nooit volprezen instrument profijt. Ik ga zomers gewoonlijk een maandje naar het buitenland en wil dan liever niet, dat mij in dien tijd zwermen ontsnappen. Vóór mijn vertrek open ik dan alle schuifjes tusschen de afdeelingen der vallen. Komt er een zwerm tijdens mijne afwezigheid, dan keert de koningin, die vruchteloos probeert mee te gaan, weer met de bijen in de kast terug.
Heb ik te veel gezegd, toen ik de Alley's trap een nooit volprezen instrument noemde?
Hilversum, November 1923.
CHR.H.J. RAAD.